Home

De impressionisten en het stadse leven

Hoe het mondaine Parijs de impressionisten inspireerde.

De grote schilders van het impressionisme, Monet, Degas, Renoir, vonden hun inspiratie op het platteland. Of toch niet? De tentoonstelling Nieuw Parijs, van Monet tot Morisot in het Kunstmuseum Den Haag laat zien dat juist de stad Parijs bepalend was voor hun werk. En voor hun blik.

Door Rutger Pontzen

Geen bekendere club schilders dan die van het impressionisme. Zeg ‘weideveld met klaprozen’ en je denkt: Monet. Déjeuner sur l’herbe? Manet. Zonovergoten lunchpartij met mannen in hemdsmouwen en vrouwen met strohoeden? Bingo: Renoir. Danseresje in tutu die haar balletschoenen omdoet? Degas. Douze points.

De impressionisten zijn de lievelingetjes van het kunstpubliek, als onweerstaanbare lekkernijen uit een bonbondoos. Ze scoren hoog als het gaat om veilingprijzen en bezoekerscijfers. Ah, die vrije manier van schilderen. O, de uitzonderlijke kleurenpracht. Kijk, dat zinderende licht over de uitgestrekte korenvelden en azuurblauwe zeegezichten.

En toch valt er meer over te zeggen. Komend weekeinde opent de tentoonstelling Nieuw Parijs. Van Monet tot Morisot in Kunstmuseum Den Haag. Daarin wordt een verband gelegd tussen de gedaantewisseling van Parijs rond 1860 en de werken van de eerste en bekendste lichting impressionistische schilders, zoals Claude Monet, Berthe Morisot, Edgar Degas, Mary Cassatt, Camille Pissarro, Paul Cézanne, Gustave Caillebotte, Pierre-Auguste Renoir en Édouard Manet.

Alleen al de suggestie van dat verband is goed gekozen. Feit is dat de opkomst van die vernieuwende impressionistenstijl – lossere toets, lichter kleurenpalet, vluchtige weergave – inderdaad plaatsvond tegen de achtergrond van een ‘nieuw’ Parijs.

Het beeld tot nu toe was dat de losse manier van werken de impressionisten vooral was ingegeven door de snelle wisselingen van het licht in de buitenlucht, à la campagne. Plus de mogelijkheid om überhaupt buiten te kunnen schilderen, dankzij de verkoop van verf in loden tubetjes die, met klein palet en inklapbare schildersezel, handig in een ransel op de rug overal mee naartoe waren te nemen.

‘Bewijs’ waren alleen al de verschillende strandscènes die Monet schilderde aan de Franse westkust, bootjes op de Seine of de verschillende zonsondergangen en -opkomsten boven de Londense Theems. Taferelen die steeds een andere ‘impressie’ van een dag aan het water of op het platteland lieten zien, in een blauwe, okergele of roze gloed, en alle schakeringen daartussen.

De combinatie impressionisme en schilderen in de openlucht – ‘en plein air’, zoals dat officieel heet – snijdt zeker hout. Halverwege de 19de eeuw trokken velen eropuit, vanaf het Parijse station Saint-Lazare, met de trein, landinwaarts, naar Bretagne en Normandië, zoals ook op de afgelopen impressionistententoonstelling in het Van Gogh Museum in Amsterdam goed te zien was. Het beeld is zo sterk dat je haast zou denken dat Monet en de zijnen altijd buiten verbleven en nauwelijks in de stad, lees: Parijs.

Niets is minder waar, wil men in Den Haag nu graag kwijt. De frisse wind die de impressionisten door de kunstgeschiedenis lieten waaien hield minder verband met loden verftubes en turbulent wisselend zonlicht op een hooimijt dan met de complete gedaanteverwisseling die Parijs halverwege de 19de eeuw onderging.

Verantwoordelijk daarvoor waren slechts twee personen: keizer Napoleon III – neef van – en zijn bouwmeester Georges-Eugène Haussmann. Laatstgenoemde kreeg in 1853 van eerstgenoemde de opdracht om Parijs te moderniseren, wat niet aan dovemansoren was gericht. De hele binnenstad plus buitenwijken werd op de schop genomen. In ruim twintig jaar tijd veranderde Parijs van een chaotisch conglomeraat van aaneen geklonterde dorpjes in een ware hoofdstad met pleinen, parken en brede boulevards, restaurants, theaters en een heuse opera.

Honoré Daumier, Uit de serie Huurders en eigenaren. “Gezicht op een wijk die wordt gesloopt”, 1854, Musée Carnavalet – Histoire de Paris

Het resultaat van die megafacelift werd trots getoond aan een internationaal publiek tijdens de Wereldtentoonstelling van 1867. Het maakte indruk, zoals de grootschaligheid van Berlijn en Londen op Napoleon III indruk had gemaakt.

Begrijpelijk dat voor de expositie Nieuw Parijs in Den Haag het jaartal tot uitgangspunt van de presentatie werd genomen, niet alleen vanwege de architectonische ‘aanpassingen’. 1867 was ook het jaar waarin Jean-Auguste-Dominique Ingres stierf, dé schilder van de oude garde, de officiële Académie Française en de al even officiële Salon-exposities. En het was vooral het jaar waarin Monet drie stadsgezichten schilderde die, volgens het museum (dat een ervan in bezit heeft), een beeld geven van de nieuwe metropool en het begin van een nieuwe schilderkunst.

Het verhaal is historisch. Dat Monet op een dag in het Louvre niet zijn schildersezel in een van de museumzalen zette om studies te maken naar de oude meesters (zoals Ingres). Maar dat hij in plaats daarvan, met de rug naar het museum, op het balkon ging staan, en daar het uitzicht op de Seine en de Quai du Louvre schilderde. Daarmee was hij niet langer een traditionele atelierschilder die met verf stillevens, portretten en klassieke genrestukken op het linnen toverde.

Claude Monet, Quai du Louvre, 1867, Kunstmuseum Den Haag

Hier was iemand bezig die met een lichte verftoets, het oog gericht op de blauwe lucht met vrolijke witte wolkjes, de stad schilderde (met openbaar urinoir). Het moderne leven. De drukte van passerende rijtuigen, vrouwen in wandeltenue en mannen met hoge hoed.

Had Charles Baudelaire, de 19de-eeuwse dichter die maar al te goed aanvoelde waar de tijd naartoe ging, niet al acht jaar eerder, in een krantenstuk, geschreven dat kunstenaars ‘modern’ moesten zijn? Hij vond dat de meesten onder hen zich te veel gedroegen als een ‘verwend kind’. Dat ze zich te veel richtten op geld, op de traditie en het na-apen van hun succesvolle voorgangers. En dat ze meer oog moesten krijgen voor de realiteit: ‘het vluchtige, tijdelijke, voortgaande’.

Kortom, het moderne leven dat sinds het betere hak-, breek- en opbouwwerk van het duo Napoleon III & Haussmann voor een nieuwe dynamiek in de stad had gezorgd. En voor een nieuw echelon inwoners: de gegoede burgerij.

Gustave Caillebotte, Straat in Parijs. Regenachtige dag, 1877, Musée Marmottan Monet, Parijs, legaat Michel Monet

Een ontwikkeling die niet door iedereen op prijs werd gesteld. In moderne terminologie had de verbouwing van Parijs geleid tot een ver doorgevoerde gentrificatie. Oude wijken met arbeiderswoningen gingen op de schop; in plaats daarvan werden dure huizenblokken opgericht die enkel voor de betere burgers betaalbaar waren.

En met die nieuwe burgers kwam een nieuw leven met een ander bestedingspatroon binnen de stadsgrenzen. Ze bezochten het theater en de opera, gingen meer buitenshuis lunchen en dineren, flaneerden door de straten (die nu van trottoirs waren voorzien) in hun modieuze prêt-a-porter-japonnen en -kostuums.

Denk aan het schilderij van Gustave Caillebotte, Straat in Parijs. Regenachtige dag, waarvan in Den Haag een voorstudie te zien is. Het stadsgezicht toont een goed gekleed echtpaar onder een paraplu, wandelend over de glanzende kinderkopjes van een boulevard (om precies te zijn Place du Dublin), tussen de strakke huizenblokken die Haussmann had ontworpen.

Nieuwe rijken in een nieuwe stad
De impressionisten toonden de gegoede burgers in de moderne stad, zoals op Straat in Parijs. Regenachtige dag, van Gustave Caillebotte.

Straatscène van het nieuwe Parijs met zijn brede boulevards en grote huizenblokken, zoals rond 1860 ontworpen door Georges-Eugène Haussmann.

Precieze locatie: Place de Dublin, waar Caillebotte om de hoek onroerend goed bezat, en waar zijn collega Édouard Manet woonde.

Het afgebeelde echtpaar staat model voor de nieuwe Parijzenaar anno 1877: gegoede burgers die hun vrije tijd flanerend door de stad doorbrachten.

De kleding van het echtpaar is prêt-à-porter, kant-en-klaar te koop in de warenhuizen aan de boulevards, en niet handgemaakt, zoals voor de Parijse adel.

Het schilderij waarvoor Caillebotte deze studie maakte, hangt in het Art Institute of Chicago en wordt zelden uitgeleend.

Denk ook aan het schilderij dat Monet maakte van de de spoorbrug bij Gare Saint-Lazare, het station waarvandaan schilders en vakantiegangers naar de westkust reisden. In alles komen in deze schilderijen het door Baudelaire verordende ‘moderne leven’ samen. Het gevlochten staal van de spoorbrug, half verborgen in de rook van een aankomende locomotief. De nieuwe manier van reizen en vrijetijdsbesteding, het belang van stations en spoorwegen, de dampende machinerie als teken van de opkomende industrialisatie, de rijkdom waarmee de gegoede burgerij zijn modieuze leven bekostigde.

Uit alles komt ook een energiek joie-de-vivre-gevoel naar voren, een zonnig, niets-aan-de-handleven dat de Parijse burgers leidden. De nieuwe, vermogende middenklasse bleek een fijn afgesteld zintuig te bezitten voor hoe ze de kop in het zand kon steken. Er was niet al te veel aandacht voor de arbeiders die door Haussmann zonder pardon uit hun huizen waren gebonjourd. Evenmin was er veel aandacht voor de verschrikkingen van de Pruisisch-Franse oorlog (1870-71) en de daarop volgende Commune, de twee maanden durende opstand die tussen 21 en 28 mei 1871 bloederig werd neergeslagen door het leger van de Derde Republiek, waarbij tienduizenden inwoners in Parijs het leven lieten, veelal arbeiders.

Claude Monet, De Pont de l’Europe. Gare Saint-Lazare, 1877, Musée Marmottan Monet, Parijs, schenking Eugène en Victorine Donop de Monchy

De betere klassen waren aan het begin van de oorlog in 1870 de stad uit gevlucht. Onder hen bevonden zich ook veel impressionisten – als ze niet waren opgeroepen voor militaire dienst, zoals Renoir en Degas. Cassatt reisde terug naar haar familie in Amerika, Monet en Pissarro verbleven in Londen (eerstgenoemde verbleef ook enkele maanden in Zaandam), Cézanne dook onder in de Provence.

Van wat zich tijdens de oorlog en daaropvolgende Commune afspeelde (en van de willekeurige executies daarna) is dan ook weinig tot niets terug te vinden in het werk van de impressionisten.

Wat je weleens vergeet: dat ook de meeste kunstenaars van het impressionisme tot de burgerij behoorden. Ondanks het halsstarrige clichébeeld van impressionisten die een bohemienbestaan leiden van pijpje roken en spiritus drinken bij een uitgewaaide kachel in een lekkend atelier, kwamen de meesten uit welgestelde families of verdienden ze uiteindelijk goed aan hun arbeid. Degas was, net als Cézanne, de zoon van een bankier, Pissarro van een welvarende koopman, Sisley van een ondernemer; de vader van Morisot was een hoge ambtenaar, die van Cassatt beursmakelaar. Zelfs Monet en Renoir kregen na een moeizaam begin financieel succes.

Mary Cassatt, In het theater, ca. 1880, Van Gogh Museum, Amsterdam

Blijft de vraag, als de snelle, losse impressionistentechniek dan niet alleen ontstond door de wisselende lichtomstandigheden op het platteland (en de uitvinding van de verftube): is deze losse schilderstijl ook te herleiden naar het moderne stadsleven der Parijzenaars, en het optimistische burgerbestaan van de schilders zelf?

Na het zien van de tentoonstelling in Den Haag kun je alleen denken: zeker! Juist! Het had er alles mee te maken. Misschien niet oorzakelijk, maar het gevoel van voorspoed en optimisme, de hang naar verstrooiing en lichtheid, het verlangen naar een hedonistisch bestaan van flaneren, reizen en winkelen lijkt zich parallel te hebben ontwikkeld aan de dansende verftoets, de lichtvoetige trilling in hun schilderijen.

Altijd schijnt de zon, is de lucht blauw en het gras onbespoten groen, kabbelt het water vrolijk in de Seine, hangt er schoon wasgoed aan de lijn of zit men smaakvol gekleed in het park. De kwispelende, haast onbezonnen manier van schilderen is niet alleen een manier om dat nieuwe, optimistische leven der burgers anno 1867 weer te geven – het ís dat nieuwe optimistische leven.

Nieuw Parijs. Van Monet tot Morisot. Kunstmuseum Den Haag, 15/2 t/m 9/6.

Was Renoir een meester van het impressionisme of een seksist die niet kon schilderen?

Renoir is bijna 100 jaar dood, maar zijn werk leidt nog tot hevige discussie. Een expert en een anti-Renoir-activist vechten het uit.

Zelf schilderen zoals Monet deed: ‘De verf stolt al voordat ik goed en wel ben begonnen’

Als jongen werd journalist Sander van Walsum gegrepen door Monet. Die liefde paste toen niet in de tijdgeest, maar zijn fascinatie is nooit verdwenen. Daarom gaat hij met acrylverf en scheurpalet naar de locaties waar zijn idool schilderde om het antwoord te vinden op de vraag: wat maakt de impressionist zo briljant?

Pat Naoum werkte zeven jaar lang aan een game over Claude Monet, die hij met de hand schilderde

De videogame The Master’s Pupil laat je de kunstwerken van de Franse schilder op een heel andere manier beleven. De Volkskrant sprak de maker vanuit Sydney.

Source: Volkskrant

Previous

Next