Home

Zelfs een lsd-trip is saai in de slepende memoires van Bill Gates

Microsoft-oprichter en filantroop Bill Gates schrijft voor het eerst zijn persoonlijke verhaal op. In Source Code begint hij bij zijn weinig opwindende jeugd. Pas tegen het einde wordt het interessant.

is techredacteur van de Volkskrant, gespecialiseerd in de impact van kunstmatige intelligentie op de maatschappij.

‘Natuurlijk spraken we nooit over deze gevoelens. Maar ze waren er wel degelijk.’ Is getekend: Bill Gates. Het is goed dat de nu 69-jarige, immens succesvolle Microsoft-oprichter het tweede zinnetje toevoegt, ergens halverwege zijn memoires.

Hij loopt namelijk niet te koop met zijn gevoelens. Sterker nog: vrijwel nergens krijgt de lezer het idee dat hij gevoelens heeft. In dit eerste deel, dat gaat vanaf zijn geboorte in 1955 tot 1980, beschrijft de bebrilde miljardair zijn vormende jeugdjaren, inclusief de ongemakkelijke momenten.

Gates doet dit met een kurkdroge, afstandelijke stem die gaandeweg wat begint te schuren. ‘Ze noemden me een eenling, een nerd, een beetje vervelend’, schrijft hij dan. Of: ‘Ik voelde me verloren op deze nieuwe school en viel terug op mijn vertrouwde typische gedrag en speelde de grapjas.’

De latere oprichter en topman van Microsoft ontziet zichzelf niet. Hij is niet alleen een buitenbeentje; hij is klein van stuk en heeft een raar piepstemmetje. Die einzelgänger is hij eigenlijk overal: ‘Mijn juf, mijn ouders en het schoolhoofd wisten niet wat ze met me aan moesten.’

Logisch ook wel, want de kleine Bill laat zich niet in een hokje stoppen. Verlegen, maar ook stronteigenwijs en, zo blikt de volwassen Bill terug, vol met grappen en grollen om zichzelf maar een houding te geven. Humor was zijn wapen tegen de boze buitenwereld. Dat moet de lezer dan maar geloven, net als zijn bewering dat hij gevoelens had.

De bewijzen voor zijn humor zijn even spaarzaam als weinig overtuigend. Gates benoemt vooral: ‘Opvallen door grappen te maken of rare dingen te doen werd een steeds groter onderdeel van mijn identiteit op school.’ Als Gates een volgens hem hilarisch voorval schetst, krijgt de lezer een belegen anekdote geserveerd over een bureaustoel die een heuvel afrijdt. ‘We barstten in lachen uit.’

Saaie jeugd

Gates groeit op in Seattle, in wat leest als een harmonieus gezin. Zijn vader is advocaat, zijn moeder feminist avant la lettre. En zijn oma leert hem kaartspelletjes, waarmee Gates voor het eerst zijn werkgeheugen traint en het vermogen patronen te herkennen, wat hem in zijn latere leven flink van pas komt.

Minutieus beschrijft de filantroop zijn hele jeugd, zijn leven op school en zijn leven thuis. Dat levert soms bizar saaie passages op, bijvoorbeeld over zijn ouderlijk huis: ‘De voordeur gaf toegang tot de begane grond met de woonkamer, keuken en slaapkamer van mijn ouders. Beneden, in feite in het souterrain, bevonden zich de slaapkamers van Kristi en mij.’ En zo gaat het nog even door.

Ook in de beschrijvingen van tragische gebeurtenissen, zoals het overlijden van zijn jeugdvriend Kent, betoont Gates zich nogal afstandelijk. ‘Vriendschappen in die tijd waren zuiver en dat waardeer ik nu meer dan toen’, schrijft hij over een andere periode.

Een stuk enthousiaster is hij als hij verhaalt over zijn eerste ervaringen met programmeren, over de boeken die hij graag leest (over bruggen bijvoorbeeld) of over de periode dat hij vaste bibliotheekassistent is. Maar ook daar is het lastig hem helemaal te volgen. ‘Midden op de tafel stond een DEC PDP-1’, schrijft hij dan. ‘Ik had over de PDP-1 gehoord en wist dat dit het eerste computermodel was dat DEC verkocht had.’

Wat een eigenaardig jochie, zal de gemiddelde lezer denken. En dat klopt. In de epiloog komt de aap uit de mouw: ‘Als ik nu zou opgroeien, zou ik waarschijnlijk de diagnose autismespectrumstoornis krijgen.’ Uiteraard.

Hiermee is Gates niet uniek in de techwereld, waar het wemelt van de genieën ‘in het spectrum’. Denk aan Elon Musk of wijlen Apple-topman Steve Jobs. Gates steekt vergeleken bij hen een stuk sympathieker af, maar ook een stuk saaier. De grote vraag is of de autobiografie van saaie mensen per definitie saai is. Dit eerste deel van Gates’ levensverhaal beantwoordt deze vraag bevestigend.

Lsd-trip

Toch, zo tegen het einde van het boek, begint zijn levenswandel warempel interessant te worden. Dat heeft allereerst te maken met de ontmoeting met de twee jaar oudere Paul Allen, met wie Gates een paar jaar later Microsoft begint.

Allen houdt ook van computers, wiskunde en code, maar is in veel opzichten Gates’ tegenpool. Allen speelt gitaar, is fan van Jimi Hendrix, heeft ervaring met meisjes én – we spreken van de late jaren zestig – met lsd. Uiteindelijk laat Gates zich ook overhalen om het geestverruimende snoepgoed te proberen, maar het is geen verrassing dat zelfs zijn lsd-trip vrij saai is.

‘Aangezien het brein net een geavanceerde computer is, dacht ik: Hé, misschien kan in mijn brein het commando geven om mijn geheugen helemaal leeg te maken’, schrijft hij over ‘het hoogtepunt’ van de trip.

Nee, het interessante heeft meer te maken met de begindagen van wat later een oppermachtig software-imperium zal worden. Gates betoont zich op jonge leeftijd al een gehaaide zakenman die ondernemingslust met doorzettingsvermogen combineert.

Zijn memoires gaan nadrukkelijk níét over Microsoft of de toekomst van technologie, benadrukt de achterflap, maar over zijn persoonlijk leven. Misschien is dat wel het grootste manco van dit boek. Het persoonlijke leven van Bill Gates is gewoon niet zo interessant. In ieder geval niet tot 1980.

Bill Gates: Source Code – Mijn oorsprong. Uit het Engels vertaald door Linda Broeder, Bep Fontijn en Gretske de Haan. Querido Facto; 320 pagina’s; € 24,99.

Alles over tech vindt u hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next