In een afgeladen metro rinkelt een telefoon. De vrouw die gebeld wordt, kan er niet bij zonder met haar ellebogen in ledematen van omstanders te prikken. Die zuchten en rollen met hun ogen. De vrouw probeert het goed te maken door te strooien met een verontschuldigende glimlach, die zodra ze opneemt bevriest op haar gezicht.
‘Je moet ademen, lieverd’, zijn de eerste woorden die ze zegt – in één klap ijzig kalm maar duidelijk volkomen alert. ‘We hebben dit eerder meegemaakt, toen kwam het ook goed. Doe met me mee…’
Ze sluit haar ogen. Er is geen buitenwereld als ze haar borstkas vol en weer leeg laat lopen, ook al staat die buitenwereld tegen haar aan geperst. Er is alleen het ritme waarmee ze angst op afstand probeert te temperen. Als een golf lijkt dat ritme zich uit te breiden over het metrostel. Gesprekken verstommen, uit de menselijke kluwen maakt een hand zich los, landt op haar schouder, en knijpt zacht.
Source: Volkskrant columns