Na Jackie Kennedy en prinses Diana portretteert regisseur Pablo Larraín in Maria nu operadiva Callas, in zijn getormenteerde-vrouwentrilogie.
schrijft voor de Volkskrant over film.
De sterfdag van Maria Callas, 16 september 1977, oogt in de openingsscène van Maria als stilte voor de storm. In haar imposante woning in Parijs ligt het lichaam van de wereldberoemde operadiva onder een laken, uit het zicht van de camera. In een hoek van de kamer staan wat politieagenten te praten. Mannen dragen een stretcher de ruimte binnen. De huishoudster blijft verstijfd staan.
Het is een sobere registratie van een grote tragedie – een scène die je in een doorsneebiopic wellicht vlak voor de aftiteling zou verwachten.
Maar dit is een biopic van filmmaker Pablo Larraín – het slotstuk van zijn getormenteerdevrouwentrilogie, om precies te zijn. De Chileense regisseur start direct na zijn kalme proloog met een technisch virtuoze overrompelingstactiek, die we kennen van zijn gelaagde filmportretten van Jackie Kennedy (Jackie, 2016) en prinses Diana (Spencer, 2021).
Callas zingt in gestileerd zwart-wit indringend in de camera. Op grofkorrelig geënsceneerd archiefbeeld reist ze de wereld rond en wordt ze na een optreden bedolven onder de bloemen. Op een recenter moment verbrandt ze al haar jurken – al wordt later in de film de suggestie gewekt dat die episode een mythe betreft.
Het heden beperkt zich in Maria tot de week voor de dood van het hoofdpersonage. Het gaat daarin niet goed met Callas. Ze is verslaafd aan medicijnen, de cameraploeg die haar volgt voor een documentaire is overduidelijk uit haar brein ontsproten en haar pogingen om haar stem te hervinden stranden voortdurend. Het is een tragedie, die vergeefse pogingen van Maria om ‘La Callas’ te doen herleven, zoals de opera’s waarin ze speelde ook zo vaak tragedies waren.
Gelijk aan Jackie en Spencer maakt Larraín daarmee haarfijn duidelijk dat hij er niet op uit is om te bewonderen – dat is in zijn ogen al genoeg gedaan. Hij is meer geïnteresseerd in de psyche van zijn hoofdpersonages. Larraín schetst deze vrouwen als optelsom van subjectieve herinneringen, verzinsels, dromen en hallucinaties, en slaagt er op basis daarvan knap in zinnige dingen te zeggen over de gevolgen van aandacht, roem en macht, vaak alsnog in de schaduw van mannen.
Waar dat bouwwerk van verschillende realiteitslagen in Jackie uitmondde in een magnifiek organisch geheel, loopt Maria hier en daar een tikje stroef. Een beetje Larraín-light voelt de film dan, met de geknakte diva die hardop uitspreekt dat ze hallucineert. Ook wordt nooit echt duidelijk wat ze eigenlijk in Aristoteles Onassis zag, een lompe, steenrijke zakenman voor wie ze tot na zijn dood gevoelens bleef koesteren. Het zijn gelukkig maar details. Er staan veel prachtige scènes tegenover.
De bewonderenswaardige zangscènes van Callas-vertolker Angelina Jolie staan wat dat betreft bovenaan – kijk vooral ook wat er tijdens close-ups allemaal gebeurt met haar mond. Een sleutelscène is het gesprekje met John F. Kennedy, waarin ze niet alleen zichzelf in elkaar herkennen, maar waarin de kijker ook een echo van Jackie en Diana ontwaart.
Ze zijn vrij om te gaan waar ze willen, ziet Callas in tegenover de Amerikaanse president, maar kunnen nooit ontsnappen. Een unieke trilogie op bondige wijze samengevat.
Drama
★★★★☆
Regie Pablo Larraín
Met Angelina Jolie, Alba Rohrwacher, Pierfrancesco Favino, Kodi Smit-McPhee, Haluk Bilginer.
124 min., in 67 zalen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant