De Brits-Indiase zanger Peter Sarstedt scoorde in 1969 een wereldhit met het nummer ‘Where Do You Go To (My Lovely?)’, over een meisje uit de sloppenwijken van Napels dat opklimt tot de Europese jetset. Weinigen in die tijd belichaamden de wereld van glamour en rijkdom meer dan de islamitische geestelijk leider de Aga Khan. Iets waar Sarstedt in zijn nummer gretig gebruik van maakte: „Your name it is heard in high places. You know the Aga Khan. He sent you a race horse for Christmas. And you keep it just for fun […]”
De vorige week overleden Aga Khan IV combineerde zijn taken als religieus leider van de ismaïlieten – een geloofsgemeenschap van grofweg 15 miljoen mensen in onder meer Pakistan, India, Afghanistan en delen van Afrika – moeiteloos met zijn voorliefde voor superjachten en high society. Dinsdag trad zijn zoon prins Rahim al-Hussaini officieel aan als zijn opvolger: Aga Khan V.
Binnen het ismaïlisme, een tak van de sjiitische islam, beschouwen gelovigen de Aga Khan als een directe afstammeling van de profeet Mohammed. Hoewel prins Al-Hussaini pas de vijfde Aga Khan is (de titel stamt uit het begin van de negentiende eeuw), is hij de vijftigste imam in de opvolgingslijn.
De combinatie van de Aga Khan als religieus leider en Europese jetsetter vindt haar oorsprong in het Brits-Indië van de negentiende eeuw. De uit Perzië verbannen Aga Khan I vestigde zich in India en begon een lucratieve samenwerking met de koloniale macht. De Britten konden een vriend met invloed in de moslimgemeenschap goed gebruiken om orde in het land te bewaren. Op die manier kwam hij in de hoogste kringen van de Britse maatschappij. De Aga Khan ontving bovendien erkenning als spiritueel leider en een vrijstelling van het betalen van belastingen.
De rol als brug tussen het aardse en het religieuze werd in de twintigste eeuw voortgezet door Aga Khan III. Een wat lijvige man, wiens gewicht ooit tijdens een publieke ceremonie in diamanten werd gewogen, en in 1937 president van de Volkerenbond werd, de voorganger van de Verenigde Naties.
Tot aan vandaag de dag behouden de Aga Khans warme banden met het Britse koningshuis. Aga Khan IV was een oude vriend van koningin Elizabeth, met wie hij een voorliefde voor paardensport deelde. Haar zoon, koning Charles, verleende deze week traditiegetrouw de titel ‘Zijne Hoogheid’ aan de vijfde Aga Khan.
Naast het geestelijk ambt van zijn vader erft Aga Khan V ook diens wereldwijde filantropie- en zakenimperium. De familie en religieuze instellingen van de ismaïlisten bezitten onder meer vastgoed, kranten en luchtvaartmaatschappijen. Schattingen van het vermogen van de overleden Aga Khan IV liepen uiteen van 1 tot bijna 13 miljard euro.
Het fortuin van de Aga Khan – ook de nieuwe – wordt daarbij ook gespekt door de religieuze afdrachten van zijn volgers. De traditionele islamitische zakat (aalmoes) komt tegenwoordig voor ismaïlieten neer op het doneren van 10 tot 12,5 procent van hun netto inkomen.
„We geloven niet dat het vergaren van rijkdom slecht is, het gaat erom hoe je het gebruikt”, zei Aga Khan IV tegen het Amerikaanse blad Vanity Fair in 2013. „Als God je de capaciteiten of het geluk heeft gegeven om bevoorrecht individu te zijn, heb je een morele verantwoordelijkheid tegenover de maatschappij.”
Aga Khan IV gebruikte zijn vermogen dan ook om de afgelopen zes decennia te bouwen aan een omvangrijke liefdadigheidsstichting. In meer dan dertig landen, voornamelijk in Azië en Afrika, stak hij miljarden in onderwijs, huisvesting en gezondheidszorg. Onduidelijk bleef of de exorbitante privé-uitgaven van de imam óók werden betaald van de donaties van gelovigen.
Net zoals zijn voorgangers stuitte Aga Khan IV soms op verwarring en verwondering. Een islamitisch leider die danste met prinses Grace van Monaco en uitkwam voor het skiteam van Iran tijdens de Winterspelen van 1964? De Aga Khan zelf vond dat zijn religieuze functie en zijn levensstijl prima samen konden gaan. Er was geen sprake van een „botsing van beschavingen”, zei hij na 9/11. Waar de wereld volgens hem last van heeft is een „botsing van onbegrip”.
Source: NRC