Een overeenkomst tussen veel te extreme en veel te lakse reacties is dat ze voortvloeien uit het niet of niet correct waarnemen van de realiteit. Wie in het verkeer wil profiteren van zo’n verstoorde waarneming doet er goed aan veel op zijn telefoon bezig te zijn. Fietsers die op voetgangers inrijden of chauffeurs die voor groene stoplichten blijven stilstaan, kijken doorgaans naar hun telefoon. Als mensen op straat schreeuwend wegspringen terwijl ze niet worden aangevallen kan er ook een telefoon in het spel zijn.
Op een doodgewone klaarlichte dag stond mijn auto op een doodgewoon parkeerterrein in Utrecht. In de buurt van mijn auto liep een man met een koptelefoon op tegen zijn telefoon te praten. Ik was die man al een paar seconden gepasseerd toen hij ineens een sprong van anderhalve meter maakte en heel hard ‘áááh!’ riep.
Eenmaal op veilige afstand verontschuldigde hij zich: ‘I was scared.’ Ik wilde hem geruststellen dat ik mijn geld niet verdien als huurmoordenaar, maar het leek me onwaarschijnlijk dat die man anticipeerde op een afrekening in de drugsscene: hij was gewoon door zijn telefoon zodanig uit de realiteit weggezogen dat hij mijn aanwezigheid niet eerder had opgemerkt. De enorme koptelefoon maakte de afsluiting van de gewone wereld compleet.
Hoewel ik er niets aan kon doen, speet het me dat ik hem zo had laten schrikken. Ik ben zelf een keer extreem geschrokken in een donkere hotelgang met mijn toen omstreeks 2-jarige dochter op de arm. Terwijl ik naar de kamernummers speurde sprongen twee ‘wáááh!’ schreeuwende kinderen uit een donkere hoek. Ik liet mijn dochter bijna vallen en werd erg kwaad op die kinderen. Maar ik moet ze nageven dat ze de locatie om mensen maximaal te laten schrikken perfect hadden gekozen: een onzichtbare hoek in een donkere, lege hotelgang. In het digitale prachttijdperk blijk je zo’n extreme schrikreactie volkomen per ongeluk te kunnen bewerkstelligen, met dank aan de smartphone.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns