Vroeger, of beter gezegd, voordat het de hele afgelopen winter lang donker was, dag en nacht, en regende, dag en nacht, vond ik een bepaald type vrouw heel aanstellerig. Dat was het type vrouw dat op een mooie dag, een beetje koud maar zonnig in de vroege lente, op het stoepje voor haar huis ging zitten, in een wat stoffige, zwarte outfit (het stoffige viel ineens meer op door die eerste invallende strepen zonlicht). Dan zat ze op haar stoepje, met koffie, een keramieken theepot of wijn en meestal een ongelezen krant, met haar ogen dicht en haar gezicht naar de zon gericht.
Zonnestralen opzuigen, dat zag je haar doen, en ik vond het van eenzelfde soort aanstellerigheid als mensen die in hun eentje heel hard zingen op de fiets, vooral als hun stuur versierd is met nepbloemen. Een soort act van zogenaamd onbewust genieten terwijl je eigenlijk heel bewust aan het uitstralen bent: ik ben hier heel erg aan het genieten.
Kon ik niet tegen. Klinkt misschien veroordelend, maar ik ben dan ook heel veroordelend.
Deze hele manier van denken en veroordelen heeft een gigantische paradigmashift ondergaan door de winter van ’24-’25. Mijn God, wat was dat luguber. Het was altijd grijs, altijd nat, en ik ben voor het eerst van mijn leven plat voorovergevallen in de modder, wat niet iets is wat ik ooit nog hoop mee te maken. Ja, het stemt nederig maar nee, dat had ik niet nodig.
Maar daarna ging de zon schijnen. Best vaak schijnen. Ik denk dat iedereen dat wel heeft opgemerkt. En ik zag her en der in de stad mensen op straathoeken, op bankjes, maar ook gewoon staand midden op een drukke stoep op een plek waar het zonlicht goed viel, stilstaan, ogen dicht, om het zonlicht op te zuigen. Als een soort zielige diertjes, of een soort batterij, of als zo’n lamp met een zonnecel erin die je voor je balkon koopt en die nooit echt lekker werkt: zo stonden ze erbij. Pure behoefte aan licht en warmte en vitamine D, dat zag je. Het was ontroerend, en mooi, en het verbond iedereen op straat, en ik vond het op geen enkele manier aanstellerij.
Ik zag twee oude dames met rollators op elkaar afrollen op de zonovergoten stoep. ‘Zonnetje hè, lekker,’ zei de een. ‘Wel koud,’ zei de ander, ‘maar dat is niet erg. Je moet je er gewoon op kleden.’
Ook dit ontroerde me heel erg. Het effect van zonlicht na lange onthouding is misschien ook volstrekte labiliteit.
Zingende mensen op de fiets kan ik trouwens nog steeds niet aan. Eén donkere winter zorgt niet ineens dat je een goed mens wordt.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant