Soedanese vluchtelingen durven in Egypte de straat niet op uit angst te worden teruggestuurd naar hun thuisland. Toch hebben ze geen spijt van hun vlucht naar het onwelkome Egypte. ‘Wie het zich kan veroorloven vertrekt, ongeacht de omstandigheden hier.’
is buitenlandredacteur van de Volkskrant. Ze schrijft over Afrika en het Mondiale Zuiden.
Als verpleegster weet Sumaya (58) dat als er niet snel iets gebeurt aan de door suikerziekte kromtrekkende tenen aan haar rechtervoet, die voet op dezelfde manier eindigt als haar linkervoet, namelijk geamputeerd. De Soedanese vluchtelinge streelt haar enige onderbeen voorzichtig, liggend op een verschoten bank in een bedompt driekamerappartement in Caïro. De muren achter haar zijn vuil.
Dat haar gezondheid achteruitgaat, merkt Sumaya aan alles; aan het gewicht dat ze verliest en aan de voortanden die ze kwijtraakt. Daarom ontvluchtte ze in haar eentje haar thuisland Soedan, waar de gezondheidszorg is ingestort door de al bijna twee jaar durende burgeroorlog. Van haar laatste geld liet ze zich in november door smokkelaars met riemen achterop een pick-uptruck vastsnoeren. Via de woestijn bereikte ze Egypte, hopend op een behandeling.
‘Maar eenmaal hier, werd ik geconfronteerd met de harde realiteit’, zegt Sumaya, die net als de andere vluchtelingen in dit verhaal om veiligheidsredenen niet met volledige naam genoemd wil worden. Als vluchteling hoef je in Egypte niet te rekenen op veel hulp. Onderdak, onderwijs en zorg zijn voor eigen rekening, net als voor de doorsnee-Egyptenaar. Twee maanden na aankomst heeft Sumaya daarom nog geen arts gezien, terwijl de ontsteking in haar voet verder woekert richting haar kuit.
Toch is Sumaya’s grootste zorg niet de gedwongen amputatie van haar been. De angst voor arrestatie of deportatie is groter. Volgens het rapport Gehandboeid als gevaarlijke criminelen, dat Amnesty International vorig jaar uitbracht, pakt Egypte willekeurige Soedanese vluchtelingen op, zet hen vast in detentiecentra of stuurt ze tegen alle internationale afspraken in terug naar Soedan. De mensenrechtenorganisatie vond alleen al in het eerste kwartaal van vorig jaar bewijs voor achthonderd deportaties. Sindsdien zijn er geen aanwijzingen dat die uitzettingen zijn gestopt.
Zoals veel Soedanezen mijdt Sumaya daarom de drukke straten van Caïro. Ze verstopt zich binnen, in flatgebouwen die schuilgaan onder een dun laagje Saharazand. Het appartement waar ze nu tijdelijk kan verblijven, deelt ze met zes anderen. De grootste ruimte is gevuld met een tweepersoonsbed. Sumaya slaapt er ’s nachts naast twee andere vrouwen, tot ze over een paar dagen naar haar volgende schuilplaats wordt getild.
Sumaya is een van de Soedanezen die naar Egypte is gevlucht, vanwege de Soedanese burgeroorlog die uitbrak op 15 april 2023. De Rapid Support Forces (RSF), een militie uit het oosten van Soedan die voorheen samenwerkte met voormalig Soedanese dictator Omar al-Bashir, vielen die dag onverwachts hun vroegere bondgenoot aan, het Soedanese leger. Hun belangrijkste doel was om meer macht te verkrijgen over het grondstofrijke land.
Sindsdien trekken de legers al vechtend door Soedan, zonder rem op hun agressie tegen elkaar en tegen de burgers van Soedan. Beide legers worden van oorlogsmisdaden verdacht. De RSF pleegde mogelijk opnieuw genocide tegen de inwoners van Darfur. Toch onttrekken de gruwelijkheden zich grotendeels aan het zicht van de wereld, omdat Soedan voor journalisten ontoegankelijk is. Om met ooggetuigen te kunnen spreken, bracht de Volkskrant een bezoek aan Egypte, het land waar de meeste Soedanese vluchtelingen verblijven.
Wat Sumaya het afgelopen jaar zag, bevestigt de berichten over nietsontziend geweld. Als verpleegkundige in het ziekenhuis van Omdurman, de tweede stad van het land, zag ze wat de legers burgers aandeden. Op straat moest ze over de lijken heen stappen, mensen waren verstoken van voedselhulp, vrouwen werden op klaarlichte dag ontvoerd. ‘Wij kregen vrouwen binnen die zo vaak waren verkracht, dat hun baarmoeders eruit lagen’, zegt Sumaya bitter, voordat ze haar hoofd in haar handen begraaft.
In Egypte verblijven volgens de officiële cijfers 1,2 miljoen Soedanese vluchtelingen. In werkelijkheid zijn het er waarschijnlijk meer. Het vluchtelingenagentschap van de Verenigde Naties, dat vluchtelingen in Egypte registreert, heeft grote achterstanden. Naar schatting steken er elke dag nog duizenden vluchtelingen illegaal de grens over.
Eenmaal in Egypte, wacht de Soedanezen geen warm onthaal. De Egyptische regering benadrukt vaak welke financiële last vluchtelingen zijn voor Egypte, dat in een zware recessie verkeert. Meerdere televisiepersoonlijkheden – media kunnen niet onafhankelijk opereren in Egypte – gaven vluchtelingen zelfs zonder enig bewijs de schuld van de economische malaise. En op sociale media wordt opgeroepen tot deportaties. Zoals Amnesty International aantoonde, voeren de Egyptische autoriteiten die al uit.
Desondanks sloot de Europese Unie vorig jaar een strategisch partnerschap met Egypte, ter waarde van 7,4 miljard euro. 200 miljoen euro daarvan is bestemd voor grenscontroles, om te voorkomen dat de vluchtelingen de grens met Libië oversteken en zo doorreizen naar Europa. Soedanese vluchtelingen blijven dus in Egypte, waar ze ook niet welkom zijn.
Aan het begin van de oorlog waren het vooral de welgestelde Soedanezen die naar Egypte vluchtten. Nadat Egypte enkele maanden na het uitbreken van de oorlog de grens had gesloten, konden alleen zij de dure visa of smokkelaars betalen. Eenmaal in Egypte redden zij zich meestal wel – afgezien van hun trauma’s en de discriminatie die Soedanezen in Egypte ervaren.
In een ruim huis met glanzende tegelvloer, vlak bij de wereldberoemde piramides van Gizeh, schenkt de 24-jarige Arwa op Soedanese wijze bereide koffie met kardemom uit een gouden kan. De leden van het gezin gaan ieder anders om met hun nieuwe realiteit. Vader Mirghani (64), voormalig apotheker in Khartoum, wuift wat hij meemaakte weg. Jongste zoon Abd El-Rahman (14) spreekt zijn Arabisch al in een sterk Egyptisch accent. ‘Hij wordt niet eens zo veel gepest’, concludeert moeder Rehab (45), terwijl ze door zijn krullen strijkt.
Vooral bij Arwa zijn de sporen van het oorlogsgeweld dat ze zag nog af te lezen aan haar gezicht. De met lijken bezaaide straten in Soedan flitsen nog geregeld voor haar ogen. Net als de ijskoude winternachten die ze doorbrachten in de woestijn. Op haar telefoon laat ze de foto’s zien van hun vlucht. ‘We sliepen in een soort tenten gemaakt van tinnen platen’, zegt ze, haar ogen dof. ‘Ik zal het nooit meer vergeten.’
Toch mag deze familie, in vergelijking met andere Soedanese gezinnen, niet klagen, zegt ze zelf. Geen van hen hoeft te werken, omdat ze worden onderhouden door hun familie uit het buitenland. Abd El-Rahman kan naar een dure privéschool. Alleen jongste zoon Mustafa, die de donkerste huid van hun vijven heeft, durft niet ver van huis te gaan, uit angst voor deportatie. ‘Je weet niet of ze je uit de bus halen’, zegt hij. ‘Of je een verblijfsvergunning hebt of niet, maakt geen verschil.’
Naarmate de oorlog langer duurde, vluchtte ook de Soedanese middenklasse naar Egypte. Hun realiteit is totaal anders dan die van hun rijke landgenoten, zegt Hiba Ilazzazy (37), kindbeschermer bij hulporganisatie Save the Children, in een kantoortje in het oosten van Caïro. ‘Ze wonen soms in appartementen met elf personen, want de huren zijn ontzettend gestegen sinds de oorlog uitbrak.’ Omdat ze officieel niet mogen werken, eindigen ze in informele banen, bijvoorbeeld in de schoonmaak of horeca.
Ze zijn aangewezen op hulp van ngo’s of van de grote Soedanese migrantengemeenschap, die Egypte al voor de oorlog had. Maar deze hulp kan niet openlijk worden verleend. Vooral kleinere hulporganisaties zeggen tegenwerking te ervaren van de Egyptische overheid.
Saber (54), een Soedanese man die al jaren in Egypte woont, kijkt vluchtig over zijn schouder als hij de trap van het ogenschijnlijk onbewoonde appartementencomplex in West-Cairo oploopt. Het is niet voor niets. Op de eerste verdieping zijn twee deuren, die voor de autoriteiten gesloten moeten blijven.
Als Saber de deur waarop een hartje is getekend openduwt, liggen daar twee tienerjongens in fleece dekens gewikkeld te slapen op een met matrassen bedekte vloer. Ze zijn alleen gevlucht, net als 7 duizend andere Soedanese kinderen. Ze kunnen nergens naartoe. Saber en zijn vrouw huurden daarom, met donaties uit de Soedanese gemeenschap en hulp van ngo’s, dit appartement. ‘Als Egypte ze echt zou willen helpen, zoals het zegt’, zegt Saber,‘dan regelde zij deze opvang, in plaats van wij.’
Achter de tweede deur op de overloop gaat een kinderdagverblijf schuil. Soedanese vluchtelingenkinderen worden hier opgevangen als hun moeders moeten werken. Zes kinderen in de leeftijd 3 tot 7 zitten vanmiddag verspreid over twee kleine tafeltjes met blokken te spelen. Boven hun hoofd plakken een paar gerimpelde ballonnen aan het plafond. ‘Ze zijn duidelijk getraumatiseerd’, zegt kleuterleidster Haijet (27). ‘Als ik ook maar één seconde wegga, dan gaan ze elkaar te lijf.’ En inderdaad. Als ze even omkijkt, knijpt een 6-jarig jongetje in bodywarmer zijn tafelgenoot venijnig in zijn arm.
Aan het begin van de middag klopt iemand zachtjes op de deur. Ibtesam, een 31-jarige vrouw met een olijfgroene jurk en een ringetje in haar rechterneusgat, komt haar 5-jarige dochter Lujain ophalen. Het timide meisje gritst haar tas van de grond, klaar om naar het huis te gaan waar ze samen met oma en jongere zusje woont.
Ibtesam kwam in september 2023 naar Egypte, nadat haar man en zwager waren ontvoerd. De familie van haar man staat bekend als sympathisanten van de RSF, een van de twee strijdende partijen in de burgeroorlog. ‘Ik was bang dat ik de volgende zou zijn die ze zouden ontvoeren en dat mijn kinderen dan alleen achterbleven.’ Zeven dagen per week maakt Ibtesam huizen schoon in Zamalek, de ambassadewijk van Caïro. Maar daarvan kan ze haar gezin nauwelijks onderhouden.
Ook Ibtesam houdt zich zo veel mogelijk gedeisd, uit angst dat haar hetzelfde gebeurt als haar buurvrouw. Toen die onlangs de straat op ging om te vieren dat het Soedanese leger de stad Wad Madani had heroverd, werd ze opgepakt en gedeporteerd naar Soedan − het is in Egypte verboden om te demonstreren. ‘Ze probeert terug te komen, want haar zes maanden oude zoontje is nog hier, bij haar zus.’ Ibtesam neemt haar twee dochters daarom altijd mee als ze over straat gaat. ‘Als we dan worden gedeporteerd, zijn we tenminste samen.’
De vrees voor deportatie in de Soedanese gemeenschap groeide onlangs, toen Egypte een nieuwe asielwet aannam. Zodra de wet van kracht wordt, zal Egypte zelf vluchtelingen gaan registreren in plaats van de VN-vluchtelingenorganisatie.
Mensenrechtenorganisaties waarschuwen dat bepalingen in de wet de rechten van vluchtelingen mogelijk inperken. Zo moeten verhuurders het bijvoorbeeld voortaan melden als ze woningen aan asielzoekers verhuren. Volgens Human Rights Watch is de wet bovendien ‘zo vaag geformuleerd’ dat het kan leiden tot willekeurige afwijzing van asielaanvragen. Kortom, het zou kunnen worden ingezet om deportaties mee te rechtvaardigen.
In het appartement in het westen van Caïro heeft Sumaya van de nieuwe wet gehoord. Maar spijt van haar vlucht heeft ze absoluut niet. ‘Wie het zich kan veroorloven, vertrekt, ongeacht de omstandigheden hier’, zegt ze vastberaden. Hoe bruut de Soedanese burgeroorlog is, staat haar namelijk nog helder voor de geest.
En als ze het vergeet, hoeft ze alleen maar naar haar jongste huisgenoten te kijken. Shourouk, een meisje van 3 jaar oud in zwart-groene trui, stak een paar maanden geleden de grens over met haar twee jaar oudere zus en een kennis, die ze meenam. De ouders van de zusjes zijn in Soedan ontvoerd. Het overgrote deel van de tijd dat Sumaya aan het woord is, staart het meisje slechts uitdrukkingsloos de ruimte in. Alsof ze kijkt naar iets wat alleen zij ziet.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant