Als door een wesp gestoken springt hij van de bank, schreeuwend, hij weet niet wat hij met zichzelf aan moet. Hij schaamt zich hiervoor. Tegenover zijn dochters die op de grond sieraden aan het maken zijn. Tegenover zijn vrouw, die nu gelukkig niet thuis is. Het is niet zo dat hij er niets aan kan doen – hij kan er wel wat aan doen, maar het is gewoon zo lekker.
Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Hij had verwacht dat naarmate hij ouder zou worden, de jaren het fanatisme zouden doen eroderen. Maar hier staat hij, 42, buiten zichzelf van vreugde omdat zijn club een doelpunt heeft gemaakt. Ergens vindt hij: dit kan niet. Ergens hoort hij: wat triest, doe normaal. Het is de stem van de zelfbenoemde beschaving, van de culturele en intellectuele elite. Het is een hooghartige, cerebrale stem die de emotie, de liefde, de drift die sport mensen kan brengen afdoet als primitief en infantiel.
‘Ik snap niet dat je als volwassene zo met voetbal bezig bent’, zei een vriend hem eens, ‘het is zo kansloos, zo zielig, dat je je gemoed hiervan laat afhangen.’
Gelukkig is een van de bijwerkingen van ouder worden dat je steeds meer schijt krijgt aan wat anderen vinden. Bovendien: is het niet mooi dat mensen – in een wereld die in de brand staat – zich zo volledig kunnen laten meeslepen door iets dat zo ontzettend onbelangrijk is? Op welke andere momenten in je volwassen leven ervaar je die overvloedige en onbesmette extase die je voelt bij een bal die in een net verdwijnt?
Afgelopen zondag werd Ajax-Feyenoord beslist door twee jongens die een jaar geleden nog werden uitgefloten en uitgekotst door hun eigen fans, maar wier beeltenissen op dit moment in marmer worden uitgehakt. Sport is wreed, sport is meedogenloos, sport is vergankelijk, sport is relativering; vandaag juich jij, volgende week iemand anders. Sport is natuur, sport is kunst. Er zit meer en beter drama in tien minuten Ajax-Feyenoord dan in een heel seizoen van de gemiddelde Netflix-serie.
In Engeland begrijpen ze dat. Daar is sport cultuur en is cultuur sport; je komt er om in programma’s vol charmante mensen die met humor, intelligentie en meeslepend enthousiasme over sport praten, het achteloos verweven met cultuur en maatschappij en het als onlosmakelijk en essentieel onderdeel zien van het leven.
En hier? Hier zitten de talkshowtafels vol met volgevreten oud-voetballers en commentatoren die hun oog voor het schone allang verloren hebben en plichtmatig hun verbitterd chagrijn opdreunen.
Terwijl het zo mooi kan zijn. Vraag het maar aan die 42-jarige man die nu gillend als een speenvarken door zijn huis rent. Hij pakt zijn oudste dochter bij haar schouders, schudt haar door elkaar. Over twee weken gaan ze samen voor het eerst naar een wedstrijd. ‘Pap’, zegt ze, als de man weer bij zinnen is, ‘als we naar het stadion gaan, zitten we toch niet bij allemaal mensen die doen zoals jij?’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns