Home

‘Iedereen wil morgen naar Auschwitz, maar ik ga mijn best doen’, antwoordde de receptionist

Aan de vooravond van de herdenking van de 80-jarige bevrijding van Auschwitz was het zwembad in hotel Stary in Krakau aardig gevuld.

Op mijn vraag of ik de volgende dag een taxi naar Auschwitz kon krijgen had de receptionist geantwoord: ‘Iedereen wil morgen naar Auschwitz, maar ik ga mijn best doen.’ Na zo’n antwoord denk je bij elke sterveling die je ziet, die is hier ook voor het kamp.

Toen ik in de sauna van Stary werd aangesproken door een Amerikaan die Josh heette, meende ik dan ook een lotgenoot te herkennen. Maar nee, hij was een dokter en hij was hier om de Poolse overheid te adviseren. Een vaag verhaal. Toen ik hem vroeg of hij spion was antwoordde Josh: ‘Sorry, nee en als ik het was zou ik het niet zeggen.’

Dat antwoord had ik vaker gehoord maar nog nooit in een sauna.

Op mijn kamer herlas ik Jean Améry: ‘Ook wat de kampdiscipline betrof sloegen onze intellectuelen een pover figuur: ze bezaten over het algemeen weinig talent voor het opmaken van hun bed. Ik herinner me beschaafde en gecultiveerde kameraden die elke ochtend een vergeefs gevecht met hun strozak en deken aangingen.’

Niet veel later bleken de beschaafde en gecultiveerde kameraden veelal dode kameraden.

De tent die was neergezet bij de ingangspoort van Birkenau werkte vervreemdend. Ik deed mijn best Schoof te ontwaren en hoewel de directeur van het museum – ik wilde bijna zeggen: de kampleiding – mij een uitstekende plaats had gegeven herkende ik alleen de koninklijke familie, wat Nederland betreft dan. Dat was voor nu ruim voldoende.

De laatste overlevenden mochten voor de hoogwaardigheidsbekleders kaarsjes neerzetten bij een wagon waarin Hongaarse Joden waren vervoerd.

Terug in Krakau at ik eend. Een tijdperk liep ten einde, het leek me goed dat af te sluiten met Poolse eend.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next