Home

Wethouder Minny Luimstra-Albeda (1935-2024) kon gieren van het lachen over de kunst die ze soms zag

Ze was twee termijnen wethouder in Amsterdam en werd daarna Eerste Kamerlid. Toch is Minny Luimstra haar hele leven onzeker gebleven. In 1991 werd ze onderscheiden als officier in de Orde van Oranje-Nassau. Ze is 89 jaar geworden.

Minny Luimstra-Albeda kreeg haar politieke carrière in de schoot geworpen. Begin jaren tachtig werkte ze als secretaris voor de Amsterdamse Middenstands Centrale en het Koninklijk Verbond van Ondernemers, toen ze werd gevraagd voor de gemeenteraad van Amsterdam. Ze was op dat moment geen lid van een politieke partij en koos voor het CDA – de partij van haar man Halbe. Toen ze nog geen dag in de raad zat, augustus 1982, viel er een wethouderspost vrij voor het CDA. En aangezien de partij net had besloten meer vrouwen in de top te willen, werd Luimstra gevraagd.

Luimstra’s gezin met drie kinderen had het niet breed, de extra inkomsten waren welkom. Oudste zoon Reinier herinnert zich dat ze die avond thuiskwam en zei: ‘Ik word wethouder, maar dat gaat jullie wel meer tijd kosten, want ik kan dan niet meer elke dag boodschappen doen en koken.’

De Volkskrant profileert regelmatig bekende en onbekende, kleurrijke Nederlanders die onlangs zijn overleden. Wilt u iemand aanmelden? postuum@volkskrant.nl

Ze kreeg de portefeuille kunstzaken, die hoorde nu eenmaal bij de vrijgevallen post, maar ze had daar hoegenaamd niets mee. Haar zoon vertelt hoe ze ’s avonds soms gierend van het lachen thuiskwam over wat voor bizarre kunst ze nu weer had gezien. ‘Kunstenaars moesten bij haar langs om subsidie te krijgen. Een project met moedermelkkaas, vreemde papierenhanddoekenautomaten … Ze zag er allemaal de artisticiteit niet zo van in.’

‘Warmte en menselijkheid’

Een wethouder had hij nooit in haar gezien – zij zelf ook niet. Vier maanden na haar aantreden gaf Luimstra een interview in Het Parool, waarin ze bekende nog steeds angstige gevoelens te hebben als de bode haar enorme kunstdossiers kwam brengen en ze grote bezuinigingen moest verdedigen. ‘Moeder, denk ik soms, kreeg ik maar griep.’

De Amsterdamse krant maakte zich in vele artikelen vrolijk over haar voorstel het Bellevue en het De La Mar te laten fuseren, omdat ze dacht dat de achterkant van beide theaters aan elkaar grensden – wat niet zo was.

Toenmalig burgemeester Ed van Thijn, met wie Luimstra in het college zat, had, in elk geval achteraf, een andere kijk op haar functioneren. In BM, zijn boek over zijn burgemeesterstijd, schrijft hij dat Luimstra en haar andere vrouwelijke collega-wethouder, ‘vooroordeel bevestigend (en gelukkig maar tussen al deze macho’s) naast kennis van zaken warmte en menselijkheid brengen in het gezelschap.’

Zuurballenwet

Luimstra was soms een flapuit, en, zegt haar zoon tevreden, ‘lekker rechts’. Conservatief wil hij haar niet noemen. Weliswaar keerde ze zich tegen een gedenkteken voor de onder invloed van drugs uit het raam gevallen en overleden jazzartiest Chet Baker, maar ook sloeg ze in 1987 de eerste paal voor het Homomonument bij de Westerkerk.

Ze vervulde twee termijnen in Amsterdam en belandde daarna voor het CDA in de Eerste Kamer. Een uitstekende staat van dienst, maar ze is altijd onzeker gebleven, zegt haar zoon. ‘Ze was steeds op zoek naar erkenning, en leek het nauwelijks te horen als ze die kreeg.’

Hij wijt die onzekerheid aan haar jeugd, als enige meisje in een gezin met drie jongens. Haar vader vond de huishoudschool voldoende opleiding voor een meisje, en haar broers – onder wie de latere CDA-minister Wil Albeda – hielden haar klein. ‘Ze hadden een wet bedacht, de Zuurballenwet, en daar viel Minny niet onder. Ze hoorde er niet bij. Dat heeft enorm effect gehad op haar zelfvertrouwen.’

Hoogtepunt van haar leven was dan ook haar onderscheiding als officier in de Orde van Oranje-Nassau, in 1991. Niet gewoon ridder, maar officier. Haar zoon: ‘Na afloop van de ceremonie liep ze naar haar broers toe en zei: zo, volgens mij sta ik nu boven de Zuurballenwet.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next