Home

‘Ik had meer tijd aan mijn kinderen kunnen besteden en minder moeten poetsen’


Willy van Hout-Klaauwer is 100 jaar. Hoe kijkt deze nuchtere, biculturele vrouw aan tegen de eeuw die achter haar ligt?

De in Nederlands-Indië geboren Willy van Hout-Klaauwer groeide op in twee culturen: de Javaanse en de Nederlandse. De 100-jarige zegt het beste van de twee te hebben ‘opgepikt’, zoals hechte familiebanden en zelfredzaamheid. Aan het eerste heeft ze te danken dat ze elke dag een van haar kinderen of kleinkinderen over de vloer heeft. Dat kunnen niet alle hoogbejaarden haar nazeggen.

Hoe ervaart u het om 100 jaar te zijn?

‘Ik ben bijzonder dankbaar dat ik gezond 100 jaar ben geworden, en vooral dat mijn hoofd nog goed werkt. Ik hoop nog een paar jaar zo te kunnen leven. Het verschil met vroeger is wel dat dingen die ik altijd gedachteloos deed nu niet meer gaan, zoals ineens iets in mijn hoofd halen, mijn schoenen aantrekken, en hup naar buiten gaan.’

Maakt u nog plannen voor de nabije toekomst?

‘De tentoonstelling over modeontwerper Christian Dior in Den Haag wil ik nog graag zien. Ook zou ik Didam, het geboortedorp van mijn vader, goed willen bekijken. In 1910 vertrok hij in zijn eentje uit het toen armoedige dorp naar Indië, in de hoop op een beter leven. Het enige land waar ik nog naartoe wil, is Japan. Ik heb de Japanners als dictators meegemaakt, maar ik weet niets van hun cultuur. Zouden ze inmiddels zijn veranderd? Dat zou ik met eigen ogen willen zien.’

Wie mist u het meest van wie er niet meer zijn?

‘Mijn man Peter. Hij is maar 67 geworden. We leerden elkaar kennen in september 1947 op een bruiloft in Batavia (het huidige Jakarta, hoofdstad van Indonesië, red.). Ruim drie maanden later zijn we getrouwd. In juni dat jaar was ik met mijn twee zusjes en jongste broertje door het Rode Kruis vanuit Midden-Java naar Batavia geëvacueerd en ondergebracht in een bevrijdingskamp, na jaren op verschillende plekken geïnterneerd te zijn geweest.

‘In Batavia werden we herenigd met onze vader, die vijf jaar gevangen had gezeten. Onze moeder kwam een jaar later. Maandenlang was ze onderweg geweest, te voet, op slippers, na haar ontsnapping uit een kamp in Midden-Java, waar ze tijdens de Bersiap (de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesiërs, red.) gedetineerd was. Het moeilijkste van de oorlogstijd in Nederlands-Indië en de Bersiap die erop volgde, was dat we als gezin voor jaren uit elkaar waren gedreven.

‘Voor Peter was onze ontmoeting liefde op het eerste gezicht. De volgende dag liet hij mij bloemen en een zelfgeschreven gedicht bezorgen op mijn werk, bij het arbeidsbureau. Dat maakte indruk. Voordat we trouwden, schreef ik zijn moeder een brief, met een foto erbij. Ze schreef in haar brief terug gevleid te zijn dat ik wist ‘hoe met naald en draad om te gaan. Dat is een groot genot in het huwelijk.’

‘Ik had in Magelang op Midden-Java, waar ik ben opgegroeid, de Haagse Modevakschool gedaan – zo heette die opleiding echt. Daar leerde je alleen westerse kleding maken. Ik kan mij niet anders herinneren dan dat ik westerse jurkjes aan had. Mijn Javaanse moeder droeg in huis traditionele kleding – een batik sarong met een kebaja.

‘Op 18 juli 1950 zijn mijn man en ik met mijn familie met de boot naar Nederland gegaan. De Indonesiërs wilden onafhankelijk zijn en alles wat naar Nederland rook, moest het land uit.’

Wat herinnert u zich van de aankomst in Nederland?

‘In de haven van IJmuiden stond de familie van mijn man ons op te wachten, dat ontroerde mij. We zwaaiden vanaf de boot naar ze, maar konden hen niet ontmoeten, want werden meteen per bus naar Arnhem vervoerd. Heel onlogisch, want mijn man zou als torpedomaker bij de marine in Den Helder gaan dienen.

‘We kwamen berooid aan en kregen 50 gulden. Of je het gelooft of niet, we werden gehuisvest in een metalen Romney-hut, die we moesten delen met een gezin met drie kinderen. We konden gaan en staan waar we wilden, dus ging ik als mijn man aan het werk was, vaak naar zijn ouders in Amsterdam. Zijn vader leerde mij wandelend de stad kennen. Als hij een bekende tegenkwam, floot hij en wees trots naar mij: ‘Dit is mijn schoondochter uit Indië!’

‘In 1951 zijn we in Den Helder gaan wonen. Waar ik in Nederland vooral aan moest wennen, was dat je niet kunt blijven eten als je op visite bent. Tegen 18 uur wordt er gezegd: ‘We gaan zo eten.’ Met andere woorden: u kunt gaan. In Indonesië is het: schuif een beetje op, er eet iemand mee.

‘Ik ben zo blij dat ik in twee culturen ben opgegroeid. Van beide heb ik er het beste uit gepikt. Van de Indonesische de saamhorigheid en nauwe banden binnen de familie. Van de Nederlandse: veel zelf doen, zoals handwerken en je huis schoonhouden. In Nederlands-Indië hadden we een wasvrouw, een huishoudster, iemand die hielp met eten bereiden en een tuinman. Na mijn emigratie heb ik dat allemaal zelf moeten doen.’

Wat is een van uw dierbaarste jeugdherinneringen?

‘Het vrije kinderleven in Magelang, alle dagen buiten in die geweldige natuur. Mijn vader vertelde over de bomen en hun vruchten, zoals de peervormige vruchten van de djamboe semarang met zijn rozerode buitenkant, wollige binnenkant en sappige, zure smaak. Op zondag gingen we wandelen of fietsen, vaak naar de Borobudur, een paar kilometer verderop. Er stonden nog geen stalletjes met eten en souvenirs.

‘Magelang was een garnizoensstad met zeven kazernes en een militair ziekenhuis. Mijn vader werkte als kok in dat ziekenhuis. Er was ook een weeshuis, dat was opgezet door Pa van der Steur, een evangelist uit Haarlem. De weeskinderen stonden niet geregistreerd bij de burgerlijke stand en werden ‘Steurtjes’ genoemd. De vader was een Nederlander die niet omkeek naar de Javaanse vrouw bij wie hij een kind had verwekt en vaak met stille trom naar Nederland was vertrokken. De moeders werkten voor Nederlandse landeigenaren en waren niet in staat voor het kind te zorgen. Op het laatst ving Pa van der Steur drieduizend kinderen op. Hij zorgde dat ze een ambacht leerden in de schoenmakerij en kleermakerij in het gebouw.

‘Ik vind dat mijn vader het ver heeft geschopt als kok. Hij kocht een stuk land en liet er vier huizen op bouwen, in één daarvan woonden wij, met ons personeel. Een van de verhuurde huizen stond op verzoek van mijn moeder op haar naam, dat zou later goed van pas komen. We hadden een onbezorgd en goed leven.’

Totdat de Tweede Wereldoorlog ook Nederlands-Indië bereikte.

‘De Japanners kregen in maart 1942 Java in handen, mijn vader moest zich meteen ergens melden, waarom was onduidelijk. Hij kwam niet meer thuis. Nooit kregen we bericht waar hij was, pas vijf jaar later zagen we hem terug. Achteraf bleek dat hij was geïnterneerd in een kamp in West-Java.

‘Na zijn verdwijning kapte mijn moeder in de tuin een bananenboom, de stronk smeerde ze ergens mee in en vervolgens wachtte ze tot er vocht uit kwam, daarbij zinnen in het Javaans prevelend. Het was een bezweringsritueel: dat het goed met hem mag gaan, dat hij gezond mag zijn. Mijn moeder had zich aangepast aan de Nederlandse cultuur, maar in moeilijke omstandigheden viel ze terug op traditionele gebruiken.

‘Omdat ze een inheemse was, bleef zij de oorlogstijd gespaard. Al onze bezittingen werden ons afgenomen, alleen het huis dat op háár naam stond mocht zij behouden. Daar gingen we wonen.

‘Als kinderen met gemengd bloed werden we een jaar na onze vader geïnterneerd, op verschillende plekken. Dat duurde tot en met twee jaar na de oorlog, tijdens de Bersiap. Ook mijn moeder werd tijdens de opstand geïnterneerd, omdat ze was getrouwd met een Nederlander, ‘de vijand’ volgens Indonesische onafhankelijkheidsstrijders.’

Hoe bent u behandeld tijdens uw gevangenschap?

‘We verstonden niets van het Japans en het was duidelijk dat vrouwen in de ogen van de Japanners niets hadden te vertellen. Meisjes werden verkracht en misbruikt tot en met.’

Is dat u ook overkomen?

‘Mijn zusjes en ik smeerden onze gezichten in met geelwortel, zodat de Japanners dachten dat we ziek waren – ze waren doodsbang voor besmettingen. Ze lieten ook ladingen vrouwen uit Japan en Korea komen, die als prostituees in aparte huizen werden ondergebracht.

‘Na de capitulatie van Japan in augustus 1945 namen Engelse soldaten de bewaking over, en korte tijd later Indonesiërs - voor hen was ik heel erg bang; wie iets verkeerds zei, werd mishandeld of doodgeschoten. Ik denk liever niet terug aan deze tijd.’

Is er terugkijkend op uw leven iets waar u spijt van heeft?

‘In Nederland werd erg op Indische mensen gelet, vrouwen in de buurt wilden weten hoe vaak ik mijn huis poetste, daardoor besteedde ik veel tijd aan het huishouden, zoals elke week de ramen zemen. Ik had meer tijd aan mijn kinderen kunnen besteden, meer leuke dingen met ze kunnen doen. Zo schoon waren die Nederlandse vrouwen nu ook weer niet.’

U stond er als marinevrouw vaak alleen voor.

‘Mijn man was vaak maandenlang weg, een keer zelfs 1,5 jaar. Dat was niet altijd eenvoudig, maar als je met een marineman trouwt, kies je ook voor zijn beroep, klaar uit. Hij zorgde goed voor mij en onze drie kinderen: schreef twee brieven per week, sprak cassettebandjes in en stuurde pakjes. Ook als hij op zee was, zorgde hij ervoor dat ik elke week een bos bloemen kreeg. Dat is hij zijn leven lang blijven doen.’

Willy van Hout-Klaauwer

geboren: 19 december 1924 in Tjimahi, Nederlands-Indië

woont: zelfstandig, in Haarlem

beroep: coupeuse

familie: broer (98), zus (96), drie kinderen, vijf kleinkinderen, drie achterkleinkinderen

weduwe sinds 1989

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next