Home

De tragiek van de heersers in de sport: ze mogen niet verliezen, maar ook niet winnen

Er is in geen enkele andere sport iemand die zo is uitgegroeid tot de absolute en enige norm van grootsheid, tot het eeuwige nec plus ultra van zijn discipline en de onbetwistbare beste aller tijden – en zo kan ik nog wel even doorgaan – als Eddy Merckx. De Belgische wielrenner was tussen 1965 en 1977 zo dominant dat veel wielervolgers zich stierlijk begonnen te vervelen en naar een andere sport vluchtten, een boek gingen lezen of aan de drugs gingen.

Merckx, binnenkort wordt hij 80, reed gedurende zijn profcarrière ruim 1.800 koersen en won er daarvan 525, een nooit meer geëvenaard zegepercentage.

Over de auteur
Bert Wagendorp is voormalig sportverslaggever van de Volkskrant, oprichter van wielertijdschrift De Muur en auteur van wielerroman Ventoux. Hij schrijft wekelijks een sportcolumn.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Christophe Hermans (1982) en Boris Tilquin (1989) hebben de meest voorspelbare jaren die het wielrennen tot dusver kende niet persoonlijk meegemaakt. Daardoor waren ze onbevooroordeeld en zeer geschikt voor het maken van de documentaire Merckx, over de gloriejaren van de kampioen. Die ging vrijdag in première op het IFFR in Rotterdam en draait vanaf 6 februari in de bioscopen.

Merckx is een wat onevenwichtige docu, een aaneenschakeling van oude beelden die vooral draaien om Merckx’ moeder en zijn vijf overwinningen in de Tour de France tussen 1969 en 1974. Zijn tientallen zeges in klassiekers krijgen amper aandacht en zijn Girozeges komen alleen aan bod in verband met de Ronde van Italië van 1969, die hij níét won omdat hij daarin op doping werd betrapt. Ook zijn drie wereldtitels worden schaars belicht; het is alsof Hermans en Tilquin met terugwerkende kracht ook genoeg kregen van die eindeloze reeks overwinningen – de zege kent geen drama.

Het is de tragiek van de heersers in de sport: ze doen wat er van ze verwacht wordt (de ene zege aan de andere breien), en als ze daarin slagen wordt ze kwalijk genomen dat ze de spanning om zeep helpen. Ze mogen niet verliezen, maar eigenlijk ook niet winnen. Al voor zijn negende wereldtitel allround had iedereen de buik vol van Sven Kramer en nadat Rafael Nadal voor de veertiende keer Roland Garros had gewonnen, wat toch een geweldige prestatie was, smeekten de tennisvolgers om verlossing.

We willen winnaars, maar geen onoverwinnelijken. Na een van zijn zeges vraagt een journalist aan Merckx of hij niet een beetje overdrijft, een vraag die kampioenen niet begrijpen. Wat hebben ze in godsnaam fout gedaan? Dit: ze doen alsof de zege hun rechtens toekomt. Merckx werd bij het grote publiek pas echt populair nadat hij in 1975 tweede was geworden in de Tour. Daarmee bewees hij over menselijke kantjes te beschikken en voegde hij zich weer onder de stervelingen.

Met de documentaire Merckx wordt mogelijk het einde gemarkeerd van een van de langste ‘de beste ooit-periodes’ in de geschiedenis van de sport. Geen enkele coureur kwam de afgelopen halve eeuw ook maar in de buurt van die status. Maar nu is er eindelijk een renner die op het punt staat in Merckx’ voetsporen te treden, die beschikt over diens onoverwinnelijke eigenschappen en onblusbare zegedrang.

Hij moet dat nog één seizoen bevestigen om Merckx naar de eregalerij van de vergane glorie te verwijzen en hij is pas 26. Tadej Pogacars erelijst kan zich nog niet meten met die van Merckx, maar de moedeloosheid van zijn concurrenten vertoont al sterke overeenkomsten met die van Merckx’ tegenstanders.

Pogacar wint waar hij wil en steeds vaker treft hem het verwijt de sport te vermoorden, precies wat ze zeiden over zijn grote voorganger.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next