Bijna vijftig jaar van zijn leven besteedde analist bij de veiligheidsdiensten Berrie Hanselman (74) aan geweld van extreemlinks. Hij pleit voor coulance tegenover activisten, mede omdat repressie radicalisering in de hand werkt.
is verslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over identiteit, polarisatie en extremisme.
In de vroege ochtend van 13 november 1991 kreeg Berrie Hanselman, analist van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), een telefoontje. ‘Er werd een bandje afgespeeld, ik moet zeggen, ik kon het niet meteen verstaan’, zegt hij nu, dik drie decennia later. ‘Woorden uit het journaal waren achter elkaar geplakt, ik hoorde de stem van nieuwslezer Harmen Siezen. Uiteindelijk werd de boodschap me duidelijk: er zou een aanslag worden gepleegd op het huis van Aad Kosto.’
PvdA’er Kosto, toenmalig staatssecretaris van Asiel, werd even later door de politie wakker gebeld. Hij wist nog snel zijn kat te pakken; de foto van hem met het huisdier in zijn armen geklemd, op de stoep bij zijn huis, ging de wereld over. Een uur later hoorde hij ‘de knal’, zoals hij de aanslag later in interviews bleef noemen.
Het explosief blies de achtergevel van zijn huis naar binnen. Gelijktijdig ontplofte bij het ministerie van Binnenlandse Zaken nog een bom – op de verkeerde plek, het naastgelegen ministerie van Justitie was het doelwit. De aanslagen werden opgeëist door de extreemlinkse actiegroep RaRa, die in een verklaring stelde dat het hen om het asielbeleid ging.
RaRa pleegde vaker aanslagen, maar dit was de eerste die op een persoon was gericht. En dat viel niet goed. Een ‘grote meerderheid van de eigen achterban reageerde met afschuw’, schrijft Berrie Hanselman in zijn proefschrift Daad en discussie – Links geweld. ‘Mijns inziens zijn de bomaanslagen geen stimulator voor de huidige discussies’, citeert hij uit Lekker Fris, ‘maandblad voor een links radikaal’.
Bijna vijftig jaar van zijn leven besteedde Berrie Hanselman (74), als analist bij de BVD en later de AIVD, aan het geweld van extreemlinks. Nu promoveert hij aan de Universiteit Leiden met een onderzoek deels op basis van documenten die hij heeft opgevraagd via de Wet open overheid. De stukken kreeg hij gelakt binnen, maar de namen onder de lak kende hij nog – hij had de stukken zelf geschreven.
Hij richtte zich op extreemlinks omdat er een gapend gat was; voor extreemrechts was al aandacht genoeg, in de media, de wetenschap, de politiek én bij de dienst. Hij verklaart het hiaat op links door de ‘goede bedoelingen’: tegen racisme, voor het milieu en de opvang van vluchtelingen. ‘De meeste media vonden dat ook wel sympathieke doelen. Alleen De Telegraaf keerde zich scherp tegen linkse activisten. Pas bij de grotere aanslagen zag je dat ook andere kranten een grens trokken: niet elk doel heiligt alle middelen.’
Een van de uitgangspunten van zijn proefschrift is dat er maar een heel klein groepje binnen extreemlinks bereid was om geweld te plegen. De hoofdvraag die hij opwerpt is in hoeverre het geweld beperkt bleef door discussie binnen de linkse beweging, en in hoeverre de aanpak van de inlichtingendienst – de Dutch Approach, kortweg omschreven als coulant waar mogelijk, repressief als het moet – er invloed op had.
De inlichtingendienst kwam over die aanpak geregeld in aanvaring met de politie en justitie, die liever harder wilden optreden, vertelt Hanselman. ‘Wij zeiden dan tegen het Openbaar Ministerie: dat moet je helemaal niet willen, want ze hebben veel sympathie onder de bevolking, dus als je ze voor de rechter sleept, worden ze alleen maar groter. Bovendien verharden ze dan.’
Pas als de democratische rechtsorde in het geding komt en er geweld dreigt, is repressie noodzakelijk, zegt hij. ‘De vraag is altijd: wat is het kantelmoment? Wanneer slaat een kleine groep door naar geweld? Dat is het moeilijke van het werk.’
U concludeert dat er een flink zelfreinigend vermogen was binnen extreemlinks.
‘Gelukkig wel. Tijdens mijn onderzoek kwam ik erachter dat er een flinke discussie ontstond in die kringen. Dat hoorde ik in tapgesprekken, maar las ik ook in notulen of actieblaadjes. De redenen om geweld af te keuren liepen uiteen. Sommigen waren strategisch tegen geweld: het hielp hun goede zaak niet verder of zou tot grotere repressie leiden. Anderen waren echt principieel tegen geweld.
‘Ik wil afrekenen met het beeld dat het één grote woeste bende relschoppers was. De beweging kende duizenden mensen, van wie er honderdvijftig een molotovcocktail door de ruit wilden gooien. Anderen kregen weleens een mep van de politie en mepten dan terug. Dat vind ik nog toelaatbaar – al maakt mij dat niet geliefd bij de politie. De mensen die grof geweld gebruikten, dat waren er nooit meer dan tien à vijftien.’
Achterin staat een appendix van 83 aanslagen van 1963 tot 2010, uiteenlopend van vernielingen en brandbommen tot de moord op Pim Fortuyn – hij is het enige fatale slachtoffer in de hele lijst. Het gros, 74 aanslagen, vond plaats in de vorige eeuw. Het linkse geweld nam met de jaren gestaag af.
We denken vaak dat de huidige tijd zeer gepolariseerd is en de dreiging van extremisme groot. Maar in de jaren zeventig en tachtig was het veel gewelddadiger.
‘Ja, het politieke geweld is een stuk minder geworden. Sinds dit millennium is er af en toe nog een kleine aanslag. Een brandstichting bijvoorbeeld.’
Hoe verklaart u dat?
‘Actiegroepen richten zich sinds de jaren negentig meer op één thema . Daarvoor had je een brede linkse beweging die streed tegen apartheid, militarisme, fascisme, milieuvervuiling. Die mengde zich overal in, met een grote verbetenheid en morele superioriteit. Dat fanatisme kon tot ongeduld leiden; waarom gebeurt er niets, waarom hoort de politiek ons niet? Dat werkt radicalisering in de hand.
‘Later kreeg je voor elk thema een aparte club. Je had de mensen die streden tegen het asielbeleid en de mensen die vochten voor het milieu of dierenrechten. Dat waren kleinere groepjes, dus de kans dat er een radicale afsplitsing zou komen was ook kleiner.
‘In de jaren zeventig en tachtig gingen mensen meer de straat op. En dat werkte weer aanstekelijk. Nu zie je dat veel extremisme zich in appgroepen afspeelt. Dat wordt vaak gezien als een gevaar, maar het zou ook kunnen dat het geweld afremt – ze kunnen hun frustraties al in de groep kwijt. Alleen is het risico wel groter op eenlingen die radicaliseren.’
Dan gaat het vooral om extreemrechts, toch?
‘Ja, daar is de dreiging op dit moment groter. De dienst kijkt nauwlettend naar zogeheten accelerationisten, die geloven dat er een rassenoorlog aankomt en met maatschappelijke ontwrichting dat proces willen bespoedigen. Kijk naar de extreemrechtse terreurgroep The Base, daar wordt nu een rechtszaak over gevoerd.’
Op een zitting zeggen advocaat en verdachte dan meestal: al dat gepraat over aanslagen, dat was maar grootspraak. Was dat vroeger ook de kwestie?
‘Ik weet nog wel dat iemand van de Rode Jeugd in een interview zei: mensen doden, dat zit in ons DNA. Ik heb toen gezegd: hij meent het niet. De mensen die gek genoeg zijn om anderen te vermoorden, zullen er niet over praten.’
Zou het kunnen dat links heeft geleerd van het gewelddadige verleden?
‘De ervaring dat geweld tot weinig goeds leidt, heeft er inderdaad voor gezorgd dat het geweld afnam. Maar het heeft ook met toevalligheden te maken, zoals de vanwege privéproblemen veroorzaakte ontmanteling van RaRa. Daarnaast is er een gebrek aan charismatische leiders. Het zou nu weer mis kunnen gaan als er iemand opstaat die retorisch sterk is en anderen meeneemt in zijn fanatisme.
‘Wat ook kan meespelen: het beleid is milder. Apartheid ís afgeschaft. Er is vanuit de regering veel meer oog gekomen voor racisme en discriminatie, het klimaat, dierenrechten – al is het natuurlijk nooit genoeg. Maar het scherpste lijkt er afgehaald. De uitzondering is het asielbeleid. Dat is alleen maar strikter geworden. Maar het verzet daartegen valt eigenlijk mee, vind ik.
‘Je zou denken dat extreemlinks met zo’n rechts kabinet meer reden heeft om van zich te laten horen, maar het blijft stil. Ik zeg ook weleens gekscherend: toen ik met pensioen ging, is extreemlinks het ook rustiger aan gaan doen – misschien is er een verband.’
Toch maakt u zich in uw slotwoord zorgen over de huidige linkse activisten. Welke historische parallellen ziet u?
‘Tegenwoordig zie je weer die vermenging van thema’s. Bij Extinction Rebellion (XR, red.) zijn ze ook tegen racisme, kolonialisme, kapitalisme, ze zijn pro-Palestina. Ik schrok van Greta Thunberg tijdens de klimaatmars in Amsterdam. Hoe verbeten zij roept: ‘No climate justice on occupied land.’ Ik ben bang dat het op den duur kan misgaan bij XR, of dat er een radicalere afsplitsing komt.’
Die vermenging is niet direct extremistisch, toch?
‘Nee, maar bepaalde patronen herhalen zich. Er ontstaat ongeduld omdat vreedzaam verzet niet effectief genoeg is. XR gaat voor disruptie. Voorheen was dan de stap naar sabotage of vernieling niet groot. Denk aan het verbranden van SUV’s, zoals in Duitsland nu gebeurt en in Nederland op kleinere schaal. Daarnaast zie ik een aantal radicale figuren, gezichten die ik ken van vroeger, terugkeren bij XR.’
U noemt bijvoorbeeld Joke Kaviaar, een oudere activist die meermaals werd veroordeeld, onder meer voor opruiing en lokaalvredebreuk. Zo schreef zij op haar website: ‘Wie gaat er mee om de kantoren van de IND te bestormen en leeg te trekken, de archieven en de computers te overgieten met benzine en door vuur te vernietigen?’
‘Zij komt behendig de beweging binnen en laat zich niet tegenhouden door de wet. Zij vindt XR te soft. In het verleden voelde ze zich door het uitzichtloze karakter van geweldloze middelen ‘gedwongen’ tot gewelddadig verzet, zoals intimidatie, bezettingen en brandstichting. Kaviaar werd onlangs ook een keer preventief opgepakt voorafgaand aan een XR-demonstratie, omdat zij een opruiend bericht op sociale media had gezet.’
U schrijft telkens dat de overheid coulant met activisten moet omgaan, mede omdat repressie radicalisering in de hand werkt. Wat vindt u dan van het preventief oppakken van activisten?
‘Ja, dat is best repressief. Maar ik neem aan dat justitie daarvoor goede aanwijzingen heeft, want zoiets doen ze niet graag. Kaviaar had al een paar maanden vastgezeten voor opruiing en nu weer een oproep geplaatst om naar een verboden snelwegblokkade te gaan.
‘Maar preventief ingrijpen hoeft niet repressief te zijn. Begin jaren tachtig hield de linkse beweging zich bezig met antimilitarisme. De dienst keek mee via infiltratie. We kwamen erachter dat ze met een paar honderd man een gebouw van Defensie wilden bezetten. Meer dan honderd agenten belden toen ’s morgens om negen uur op diverse adressen aan – als iedere linkse activist nog slaapt. Ze zeiden alleen: we weten wat je vandaag van plan bent, doe maar niet. De hele actie ging niet door.’
Is de AIVD met de jaren repressiever geworden?
‘Ja, vooral na 9/11. Toen zijn er wetten aangepast waardoor justitie kan ingrijpen in een voorstadium van een aanslag. Ook de AIVD kreeg mogelijkheden. We mogen informatie over personen direct doorgeven via een ambtsbericht en onze inlichtingen mogen in strafrechtelijk onderzoek worden gebruikt.’
Zou overheidsrepressie de afgelopen jaren ook radicaliserend hebben gewerkt? Denk bijvoorbeeld aan de coronaprotesten.
‘Dat zou goed kunnen. De verharding van de maatschappij kun je niet aan repressie toeschrijven. Maar bijvoorbeeld die beelden van iemand die van twee meter afstand een waterkanon tegen zich aan kreeg, hebben geleid tot groeiende anti-overheidssentimenten. Anderzijds overtreden activisten ook steeds wetten om aandacht te krijgen. Kijk naar de trekkers van de boeren op de A1. Of naar een snelwegblokkade van XR terwijl die verboden is. Dan moeten de autoriteiten wel optreden.’
Denkt u dat XR nu ook is geïnfiltreerd en dat activisten worden afgeluisterd?
‘Ik heb er geen zicht op. Maar ik neem aan van wel. Het lijkt me ook verstandig.’
De befaamd coulante Dutch Approach was nooit een ‘grand strategy’ volgens Hanselman, maar ontstond in de praktijk, onder meer in reactie op Molukse acties. De inlichtingendienst kwam erachter dat het effectief kan zijn om geharde activisten hun gang te laten gaan. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Duitse diensten, die zeer hard optraden.
Zo beschrijft Hanselman de geestige reactie van communist Luciën van Hoesel, lid van de Rode Jeugd. ‘Als je mijn geval in Hamburg plaatst, was ik nu dood geweest, had ik levenslang gekregen of zou ik nog steeds op de vlucht zijn’, zei hij in 1985 in een interview. ‘In Nederland krijg je zoveel ruimte, dat de motivatie tot handelen wegvalt.’
Uiteindelijk zou Van Hoesel geheel afhaken, schrijft Hanselman, toen hij na een arrestatie onverwacht op vrije voeten kwam dankzij ‘een coulante rechter-commissaris’. Dat gaf voor hem de doorslag: ‘Ik kap ermee. Je was almaar bezig de maatschappij te bestrijden. Als die dan zo liberaal reageert, dan houdt het op.’
Een bijkomend voordeel voor activisten is dat er in Nederland een leven mogelijk is na een veroordeling. Er zijn beroemde voorbeelden van extreemlinkse activisten die later goed terechtkwamen: René Roemersma, als voorman van RaRa verantwoordelijk voor brandbommen en aanslagen, ging zelfs ontwikkelingswerk doen voor de overheid. Hanselman: ‘Toen ik dat ontdekte, was ik wel onthutst.’
Dat het geweld enigszins beperkt bleef, kwam dat dan door de Dutch Approach? Of door het zelfreinigend vermogen van links?
‘Beide. Maar met name door de aanpak van de dienst. Als wij in de jaren zeventig even repressief hadden opgetreden tegen linkse activisten als in Duitsland, dan had je in Nederland ook zulk terrorisme gekregen als de Rote Armee Fraktion (verantwoordelijk voor minstens 34 moorden en vele bankovervallen en bomaanslagen, red.).’
Het lastige is dat het heel moeilijk is om te bewijzen dat je iets hebt voorkomen als het niet heeft plaatsgevonden.
‘Daarom pleit ik voor meer openheid bij het vrijgeven van documenten van de AIVD. Dat zou meer vertrouwen wekken, ook omdat dan duidelijk wordt wat de dienst allemaal heeft kunnen voorkomen.’
Ook saillant: als wetenschapper beoordeelt u uw eigen werk en dat van uw collega’s, en komt u tot een gunstige conclusie.
‘Dat klopt. In mijn proefschrift wijs ik ook op de nadelen van het feit dat ik gebruikmaak van stukken die ik zelf heb geschreven. Maar het voordeel weegt toch zwaarder. Ik kon informatie boven water krijgen die tot dusver geheim was.’
Had u ook tot een andere conclusie kunnen komen?
‘Ja, want ik benoem waar de dienst de fout in ging. Bijvoorbeeld toen onze directeur het AD ging informeren: we weten precies wie er bij RaRa zit, en binnenkort worden ze opgepakt. Toen hebben ze alle tijd gehad om bewijsmateriaal weg te moffelen.
‘Of de laatste aanslag van RaRa, die we hebben gemist terwijl we er heel dicht op zaten. Zogeheten scanner freaks hadden ontdekt op welke frequentie wij communiceerden en onze volgauto’s geïdentificeerd. Toen moesten we ons terugtrekken en raakten we het zicht op de groep kwijt. Niet veel later pleegde RaRa een bomaanslag bij het ministerie van Sociale Zaken. Dan baal je vreselijk.’
In uw appendix staan ook enkele door de dienst verijdelde aanslagen, zoals voorgenomen bomaanslagen van de Rode Jeugd in 1972 bij vestigingen van Bank of America in Rotterdam en de Zwolsche Algemeene in Utrecht.
‘Ja, dankzij infiltratie zijn meerdere acties mislukt. Daarom zeg ik ook tegen de dienst: wees toch meer open.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant