Mordechai, het schrijvende hoofdpersonage uit de gelijknamige roman van Marcel Möring, vertikt zich te laten opsluiten in één aspect van zijn identiteit – iets wat hij gemeen heeft met Möring zelf. Want, vindt de schrijver: de mens is een veelkantig wezen.
schrijft voor de Volkskrant over Nederlandstalige literatuur.
Na lezing van Mordechai, de nieuwe, vuistdikke en wervelende roman van Marcel Möring over de grootste schrijver van Nederland, Nobelprijskandidaat, Joods en onbuigzaam, reisde uw interviewer met lichte schrik af naar het Friese Beetsterzwaag, waar Möring zich sinds een paar jaar heeft gevestigd. ‘Toen Mordechai Gompertz zijn interviewer buiten westen sloeg was hij tweeënzeventig jaar oud en bevond hij zich op het toppunt van zijn roem’, zo luidt immers de eerste zin. De interviewer, een journalist en biograaf, gebruikt een woord om Mordechais grootvader Ephraim te typeren, ‘pornograaf’, dat bevalt hem niet – en hij haalt uit.
‘Ik moet je teleurstellen,’ zegt Marcel Möring op de zolder van het oude gemeentehuis van Beetsterzwaag. ‘Er heeft iemand anders model gestaan voor die interviewer. Maar die is al een jaar of tien dood. Geheel door eigen hand overigens. Ik ben altijd heel zacht voor mijn interviewers. Lief, zelfs.’
Hij lacht. ‘Mijn openingszin spiegelt die van Anthony Burgess in Earthly Powers: ‘Het was op de middag van mijn vierentachtigste verjaardag, en ik lag in bed met mijn minnaar toen Ali aankondigde dat de aartsbisschop was gekomen om me te zien.’ Overigens was ik me van die spiegeling niet bewust toen ik die opschreef – die kwam uit het niets.’
Weet je nog wanneer je die eerste zin opschreef?
‘Dat weet ik nog heel goed. Vijf jaar geleden. Ik had slechts een vaag idee voor mijn roman, maar ik wist dat mijn held Gompertz moest heten, naar een oervader in mijn eigen familie. Een Duitse lezer, een postbode uit Berlijn, heeft ooit mijn stamboom uitgezocht, een nichtje heeft de genealogie uitgeplozen. Ik dacht: die naam kan ik gebruiken. Toen ik de eerste zin noteerde, kon ik niet meer stoppen en schreef de eerste twintig bladzijden achter elkaar op. Ik had de stem voor mijn boek gevonden.’
Mordechai Gompertz kijkt neer op de genealogie.
‘Toch zette het roemrijke Joodse geslacht Gompertz bij mij iets in gang. Afkomstig uit de buurt van Kleef, Emmerich. Twee broers hadden een Stadspalast in Wenen. Benjamin Gompertz is de grondlegger van de verzekeringswiskunde. Er zit een mislukte spion bij. Ik heb overigens alles naar mijn hand gezet: Mordechai komt uit een familie van globe- en kaartenmakers, antiquaren. Grootvader Ephraim schreef drie erotische romans voor de fameuze Olympia Press. Het gewicht van het verleden is zo zwaar, dat hij maar één ding wil: eraan ontkomen.’
Uit je vorige boek, Familiewandeling, blijkt dat je er als jongetje van 8 pas achter kwam dat je Joods was. Je grootouders waren de onderduikouders van je moeder.
‘Een paar jaar geleden hield ik een lezing in het Joods Historisch Museum en vertelde hoe het mij was vergaan. Na afloop stonden wel twintig mensen om me heen: zo ging het bij ons thuis ook. Het was een beschermingsmechanisme. Overlevers dachten na de oorlog: laten we het woord alsjeblieft vermijden, want dat loopt slecht af. Hun kinderen werden in een vacuüm opgevoed, zonder besef van hun wortels.’
Wat deed jij toen je het hoorde?
‘Ik ben gaan uitzoeken wat ‘Joods’ betekende. Branden we daarom kaarsen in een kandelaar tijdens Chanoeka? Vreten we daarom matzes met Pesach? Mijn familie was niet goed in het vermommen. Ik had een oudoom, Nathan, die besloot om na de oorlog niet meer als Jood door het leven te gaan. Hij had zijn naam veranderd in Niek. Als je ooit een exemplaar van Der Stürmer hebt opengeslagen en je zoekt een karikatuur van een Jood: ziedaar mijn oom Nathan.’
Geen van je boeken gaat rechtstreeks over de Tweede Wereldoorlog.
‘Wat mij intrigeert is de tijd ervoor, toen er nog Joods leven was. En vooral de tijd erna: hoe zijn wij met de verschrikking omgegaan? Daar gaat mijn hele werk over: wat heeft de geschiedenis met jou gedaan, dat jij hier bent, en dat je bent wie je bent?’
Aan de ene kant wil Mordechai zich aan het verleden ontworstelen, aan de andere kant is hij erdoor gefascineerd. Hij haalt alle dozen en kisten met het familiearchief uit de kelder van zijn huis, een villaatje in de Drentse bossen dat is gebouwd door zijn grootvader Ephraim, om er een boek over te schrijven.
‘Ik dacht: hij gaat daar niet in vinden wie hij is. Dus gaan de dozen en kisten allemaal weer naar beneden. Terug naar de kelder.’
Je hebt zelf de leemte in je verleden gevuld door een familie te verzinnen.
‘Ik weet nog dat ik aan het einde van de jaren tachtig in mijn werkkamer zat in Assen, stad van mijn jeugd, en dacht: ik ga niet de Maarten ’t Hart van het Jodendom worden. Dat ging mis, want na tien pagina’s van mijn debuutroman heette mijn hoofdpersoon ‘Mendel’. Toen dacht ik: daar kom ik wel onderuit. Dan noem ik hem Mendel Adenhauer, zoals de vroegere president van de Duitse Bondsrepubliek. Die achternaam is ontstaan uit een misverstaan. Iemand had tegen een beambte gezegd: Adonai, God.’
Ik lees je werk ook als een zoektocht naar de liefde van de moeder.
‘Ben jij soms ook in psychoanalyse geweest, Onno?’ Hij grinnikt. ‘Er komt in mijn werk inderdaad geen vader voor. Of hij is net vertrokken. Toen ik mijn eerste roman schreef, Mendels erfenis, had ik aan de muur naast mijn schrijfmachine een sepiakleurige glamourfoto van mijn moeder hangen. Gemaakt in 1947. Jasje met bontkraag, mooi gecoiffeerd. Mendel was een beetje verliefd op zijn moeder, ik heb het in mijn werkelijke leven al gauw opgegeven.’
De moeder in Familiewandeling houdt haar zoon af. Ze staat zichzelf geen emotie of kwetsbaarheid toe.
‘Als je een lichamelijke klacht had, moest het bloed op z’n minst pulserend uit de slagader spuiten. Anders was het vroeger wel erger geweest. Alles was vroeger erger. Auschwitz ook, trouwens. Daar kan je niks tegen inbrengen.’ Hij zucht. ‘Mijn ouders waren geen slechte mensen of slechte opvoeders, maar er was niet veel contact. Ze wisten op een gegeven moment niet eens op welke school ik zat. Als best geslaagde leerling op de middelbare school had ik een prijs gekregen. 750 gulden! Mijn ouders dachten: hij heeft nu geld, dus hij regelt het verder zelf wel.’
Mordechai Gompertz is ook een echte einzelgänger. Daarbij is hij een vat vol tegenstrijdigheden.
‘Een mens is een veelkantig wezen. Of het nu gaat om rood haar, homoseksualiteit, één been of Joods zijn… Mordechai vertikt het om opgesloten te worden in één aspect van zijn identiteit. Ik ben Joods, ja. Maar ik heb me nog nooit zo niet-Joods gevoeld als toen ik in Israël was. Het enige waar ik daar aan kon denken was een broodje kaas, en dat kon ik daar niet krijgen. Want ik ben ook een ongelofelijke Nederlander. En binnen Nederland ben ik een ongelofelijke noorderling.’
Mordechai is nergens thuis, een rusteloze zwerver.
‘Hij heeft het niet van een vreemde. Ik ben in mijn leven geloof ik al 22 keer verhuisd. Als alles is uitgepakt’, Möring laat zijn blik dwalen over de grote zolder, langs de honderden boeken en de houten delen van het antieke kastje dat hij aan het restaureren is, ‘dan begin ik de horizon af te speuren naar een nieuw huis.’
Heb je bij het modelleren van Gompertz nog gedacht aan een andere ‘grootste schrijver van Nederland’ dan aan jezelf?
‘Ik ben in elk geval de grootste, met mijn 1 meter 95’, lacht Möring. ‘Even heb ik gedacht aan Harry Mulisch... Zijn boeken zijn goed genoeg om arrogant te zijn. Mulisch beschikte overigens over voldoende zelfspot. Maar op hem is Mordechai niet gebaseerd. Nederlandse Joden staan erom bekend dat ze nooit knoflook eten om niet op te vallen. Misschien is de enige uitzondering: Ischa Meijer. Een Jood waar de Joden zich voor schaamden. Ik bewonderde dat in Ischa. Dat ik niet zo extravert ben als hij heeft met mijn karakter te maken. Niet met mijn zelfovertuiging.’
Van Mordechai in het Bijbelboek Esther wordt gezegd dat hij ‘nooit boog of knielde’.
‘In 2000 – de vertalingen van In Babylon kwamen uit – trad ik in Toronto op met Mordecai Richler, een van de beroemdste Canadese schrijvers, opgegroeid in de Joodse achterbuurt van Montreal. Richler kwam de zaal binnen, een klein mannetje met een grote bek. In zijn linkerhand een glas whisky, in de rechterhand een Romeo Y Julieta, een enorme Cubaanse sigaar. Hij knauwde mij toe: ‘Read your book, loved it.’ Ik geloof niet dat hij er een letter in had gelezen... Zo’n personage, larger than life, zo wilde ik dat mijn Mordechai ook zou zijn. Die tegen alles ingaat, de dingen aanpakt en geen blad voor de mond neemt.’
Mordechai Gompertz heeft het niet makkelijk met de huidige moraal.
‘Bepaalde dingen mag je niet meer zeggen, maar dat lijkt mij een voorbijgaand verschijnsel. De kunsten blijven vrij. Als je de boeken wilt kortwieken omdat ze schuren en kwetsen, haal je het bloed uit de literatuur.’
Je bent met je vorige uitgever, De Bezige Bij, in conflict gekomen vanwege het gebruik van het n-woord.
‘Toen ik na vijf jaar noeste arbeid het manuscript van Mordechai ging bespreken met mijn redacteur, wilde zij het eerst over dat ene woord hebben. Dat woord komt voor in een scène die zich in 1967 afspeelt in Rome tussen Mordechai en zijn vriendin Chiara, een Italiaanse starlet. Hij leest in de krant dat er een concert is van Max Roach, de fantastische jazzdrummer, en stelt voor om erheen te gaan. Maar Chiara zegt dat zij niet van een negerband houdt. ‘Ik houd niet van negers.’ Daarop vaart hij tegen haar uit: je gaat wel met een Jood naar bed, maar verkettert zwarte mensen. ‘Stupido’, zegt hij tegen haar. Einde relatie.’
‘Life imitates art’, zei Oscar Wilde al.
‘Bizar! Ik kreeg hetzelfde gesprek met mijn redacteur als Mordechai met Chiara voert, maar dan omgekeerd. De verbeelding keerde zich tegen mij. Toen ik mijn redacteur vroeg wat ik dan moest doen met de antisemitische en homofobe uitspraken in het boek, zei ze: ‘Dat is wat anders, dat is niet zo erg.’
‘Ik begon uit te leggen dat ‘neger’ in de jaren zestig nog volop werd gebruikt. Wat moet ik dan met die scène? Die bestaat niet meer zonder dat woord. Maar die scène wil ik er niet uithalen, want ik wil juist zijn positie tegenover het racisme duidelijk maken. Mordechai weigert iemands identiteit te definiëren aan de hand van zijn geslacht of afkomst. Daar gáát dat boek over.
‘Ik was totaal gedesillusioneerd. Ik heb mijn boek weggelegd, kon er niet meer naar kijken. Na drie maanden dacht ik: ik kan niet meer door bij De Bij. Toen heb ik Mai Spijkers gebeld en hem mijn manuscript gestuurd. Twee dagen later schreef hij dat hij mijn boek graag zou uitgeven en zei er precies de juiste dingen over. Mai vergeleek het met Earthly Powers...’
Maakte je je zorgen of Mordechai wel een uitgever zou vinden?
‘Ik denk dat alle andere uitgeverijen mijn boek inclusief n-woord hadden willen uitgeven. Maar ik maak me zorgen dat jonge schrijvers misschien wél moeten buigen voor censuur. Ik verdedig het recht van iedere schrijver om afschuwelijke dingen in een roman op te nemen. Ik eis het recht op om het werk van Louis-Ferdinand Céline, die een gore antisemiet was en een onaangenaam mens, te lezen in ongekuiste vorm. Dat is de enige manier waarop ik hem kan begrijpen. Ik bewonder zijn ademende zinnen, wil niet dat die gekuist worden. Er is maar één oplossing: honderd procent vrijheid om te zeggen wat je wilt.’
Is Mordechai ten diepste een pleidooi voor de vrijheid?
‘Ik heb vooral een onderhoudend boek willen schrijven. Vijf jaar geleden zat ik te eten met mijn vorige uitgever, Francien Schuursma van De Bezige Bij, bij Brasserie van Baerle in Amsterdam. Mijn laatste roman, Amen, was net verschenen. Francien vroeg mij naar mijn plannen. Er spoken altijd een paar ideeën door mijn hoofd. Toen ik over Mordechai vertelde, zei ze: ‘Dát moet je doen.’
‘Ik ben van tafel weggerend. Ik had een kamer geboekt in het Conservatorium Hotel, heb mijn tas van mijn kamer gegrist en ben in mijn oude Landrover terug naar het Noorden gereden. Daar kwam ik net na middernacht aan. Ik ben achter de computer gaan zitten en schreef mijn eerste zin. Dat is het heerlijke van schrijven. Je wilt als lezer door het verhaal worden meegesleurd tot het laatste woord. Maar het verhaal moet mij als schrijver eerst zelf meesleuren.’
Wie is Marcel Möring?
Marcel Möring (1957) groeide op in een Joods gezin in Assen. Hij droomde al jong van het schrijverschap, maar werkte eerst als computeroperateur bij de NAM, als aardappelinspecteur en als journalist bij de Drentse en Asser Courant. Hij debuteerde in 1990 op 33-jarige leeftijd bij Uitgeverij Meulenhoff met Mendels erfenis (later uitgegeven onder de titel Mendel), dat werd bekroond met de Lubberhuizenprijs voor het beste debuut. Van Het grote verlangen werden 150 duizend exemplaren verkocht. De roman werd in 1993 bekroond met de eerste AKO Literatuurprijs, waarvoor ook De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch was genomineerd. In Babylon (1996) werd niet alleen in Nederland, maar ook in Engeland, Duitsland en Amerika ontvangen als een meesterwerk waar het vertelplezier afspat. Het werk van Möring is in twintig talen vertaald. De dikke, modernistische romans Dis en Louteringsberg en het kleine, autobiografische Familiewandeling verschenen bij De Bezige Bij. Het meer dan vijfhonderd bladzijden tellende Mordechai werd in de eerste weken van januari door Uitgeverij Prometheus aangekondigd als ‘dé roman van 2025’. Inmiddels is de tweede druk opgelegd.
Marcel Möring: Mordechai. Prometheus; 512 pagina’s; € 27,50.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant