Home

Vooroordelen bestaan niet in de kliniek van Eva Robertson: een veilige haven voor gynaecologische zorg

In de multiculturele wijken van Amsterdam biedt Eva Robertson een veilige haven voor gynaecologische zorg, zonder oordeel en met open armen.

is wetenschapsredacteur van de Volkskrant en schrijft over gezondheid.

Een spiraaltje aanprijzen als een sieraad voor de baarmoeder: dat is dus typisch zo’n foefje waarmee de Amsterdamse gynaecoloog Eva Robertson vrouwen in haar spreekkamer aan de anticonceptie weet te krijgen.

Veel van haar patiënten zijn geen fan van voorbehoedsmiddelen. ‘Ze zijn heel bang dat hun vruchtbaarheid door hormonen wordt aangetast.’ Je houdt toch van sieraden, je hebt toch overal tatoeages, houdt Robertson de vrouwen dan soms voor. Dan verdient ook die baarmoeder, waar ze zo trots op zijn, een beetje versiering.

Nooit zal ze met kritiek komen als een vrouw tegenover haar voor de derde keer in vijf jaar tijd voor een abortus komt. ‘Want we weten niet wat er speelt, we weten niet hoe dominant haar man is. Misschien weigert hij condooms te gebruiken, misschien mag zij van hem geen voorbehoedsmiddelen gebruiken. Wat kan ze doen als ze economisch afhankelijk van hem is?’

Niet bevoogdend zijn en altijd rekening houden met de multiculturele achtergrond van patiënten: dat zijn belangrijke pijlers van de vrouwenklinieken die Robertson bestiert in de twee grootste achterstandswijken van Amsterdam.

Ze begon in 2008 in de Bijlmer, drie jaar geleden kwam er een locatie in Nieuw-West. Vrouwen kunnen er, met een verwijzing van de huisarts, terecht voor van alles op het gebied van gynaecologische zorg, van menstruatieklachten tot overgangsproblemen, onderzoek na een afwijkend uitstrijkje en het plaatsen van een spiraal.

Robertson en haar collega’s zien patiënten met uiteenlopende culturele achtergronden, van Surinaamse en Ghanese tot Marokkaanse en Turkse vrouwen.

Ja natuurlijk, een verzakking of een vleesboom is bij al die vrouwen hetzelfde, maar voor het medisch advies moet Robertson rekening houden met culturele gevoeligheden. Veel vrouwen willen bijvoorbeeld hun baarmoeder niet kwijt omdat die symbool staat voor hun vruchtbaarheid.

Ze vertelt over een Ghanese vrouw van 46 die vanwege een vleesboom ernstige bloedarmoede had en zelfs bloedtransfusies nodig had. Ze had een dochter, maar hoopte nog op een tweede kind. ‘Ik heb haar verteld over Marie Kondo, de Japanse opruimgoeroe. Kondo kijkt naar spullen en zegt dan: mijn hele leven was ik dol op je, dank je wel, maar ik neem je niet mee in de toekomst. Dat kun je ook tegen je baarmoeder zeggen, hield ik haar voor: wat heb je goed werk gedaan, maar ik neem je niet mee in de toekomst. Daar hadden we zo’n leuk gesprek over. Ze heeft zich uiteindelijk laten opereren.’

Vrouwen uit heel Amsterdam weten de weg naar de klinieken te vinden, vertelt Robertson thuis, in haar Amsterdamse woonkamer met uitzicht op het Amstelkanaal. Dat heeft te maken met de formule die ze van begin af aan voor ogen had: van de administratief medewerker tot de arts en de echoscopist, in haar poliklinieken mogen alleen maar vrouwen werken. Dat maakt de drempel laag.

Er zijn veel vrouwen, vertelt ze, die een prima band hebben met hun mannelijke huisarts en die alles met hem kunnen bespreken, maar die één ding niet door hem laten doen, en dat is een gynaecologisch onderzoek. ‘Buitenstaanders denken altijd dat die schaamte zich vooral voordoet bij islamitische vrouwen. Die willen geen mannelijke arts, of die mogen dat vast niet van hun man, hoor ik dan. Volstrekte flauwekul. Wij zien een dwarsdoorsnede van de bevolking, van vrouwen uit de grachtengordel tot illegale vluchtelingen. En allemaal zeggen ze: wat fijn dat jullie alleen met vrouwen werken.’

In de boekenkast in haar woonkamer staat een wit beeldje dat een 80-jarige patiënt voor haar maakte, een beeldje van een vrouw die in de verte kijkt. Ze kreeg het toen ze een paar maanden geleden haar afscheid aankondigde. Robertson is 69, ze wil met pensioen, maar een opvolger vinden is nog niet zo makkelijk. Want dat moet natuurlijk een vrouw zijn, die bovendien haar visie, gesymboliseerd door dat beeldje in de kast, overeind houdt. ‘Net zoals het olympisch vuur wordt overgedragen en blijft branden’, zegt ze.

Waarom is het zo lastig, mist u de bevlogenheid?

‘Bevlogen is niet het goede woord, artsen zijn allemaal bevlogen. Maar als gynaecoloog doe je ook bevallingen en interessante operaties met de robot. Dat geeft status en dat doen wij in onze kliniek allemaal niet. Gynaecologen die staflid zijn of zich in een maatschap hebben ingekocht stappen daar ook niet snel uit. Bij veel artsen, vooral de oudere generatie, draait het te veel om geld verdienen. Terwijl ik iemand zoek die naar buiten wil kijken, iemand die zich afvraagt hoe ze het goede kan doen in de wereld. Veel vrouwen die in onze klinieken komen zijn kwetsbaar. Ze hebben weinig geld, soms geen papieren, vaak roken ze, of eten ze ongezond, ze worden heel jong zwanger. Voor die groep wil ik opkomen.’

U was bijna vijftien jaar gynaecoloog in een aantal ziekenhuizen, de laatste zeven jaar zat u in een maatschap in het Zaans Medisch Centrum. Waarom heeft u die vaste baan opgezegd voor een eigen polikliniek?

‘Dat was niet zo moeilijk hoor. Ik had heel leuke collega’s, gynaecologen zijn heel menselijk, ook de mannen. Maar het was ieder voor zich en ik miste het gevoel voor de patiënt. Ik zag ooit een wat oudere vrouw, zo’n vrouw als ik nu ben, die op een bed naar de poli was gereden voor een afspraak met een van de dokters. Ze lag te wachten onder zo’n dun katoenen dekentje en op twee meter afstand was de balie waaraan zes assistenten zaten. Dan loop je toch naar die vrouw toe om haar gerust te stellen? Even vragen voor welke arts ze komt, even kijken of de dokter al klaar is, even vragen of ze het koud heeft. Maar niemand deed wat, er was geen interesse.

‘Ik besloot om het roer om te gooien. In het buitenland had ik gezien dat de zorg ook anders kan worden georganiseerd, poliklinieken zitten daar gewoon in woonwijken. Patiënten gaan ernaartoe voor eenvoudige behandelingen en ingrepen. Hier niet, hier moet je voor alles naar het ziekenhuis, zelfs voor zoiets simpels als het plaatsen van een spiraaltje.’

Waarom bent u een polikliniek in de Bijlmer begonnen?

‘Ik ken de Bijlmer, ik heb daar met ons gezin 26 jaar gewoond. Ik wilde in de wijk gaan zitten, tussen de bewoners, dat zou de zorg toegankelijker maken. Daarmee bleek ik een pionier. Ik wist: het AMC zit in de buurt en in dat grote academische ziekenhuis zitten ze vast niet te wachten op een patiënt met bijvoorbeeld overmatig bloedverlies. Zo’n vrouw moet nu vier maanden wachten op een afspraak, haar probleem heeft geen urgentie. Toen ik begon had ik alleen maar een idee in mijn kop, ik ben geholpen door ervaren bestuurders en veel toegewijde mensen.’

Dat er in uw klinieken alleen vrouwen werken, heeft dat louter met schaamte te maken?

‘Een vrouw snapt ook beter waar een vrouw mee zit. Onze patiënten komen vaak met gevoelige onderwerpen, zoals pijn bij het vrijen of overmatig bloedverlies. Heb je een vrouwelijke arts tegenover je, dan hoef je heel veel dingen niet uit te leggen. De hiërarchie die ik in het ziekenhuis zo verschrikkelijk vond is bij ons afgeschaft. Ik geloof alleen maar in een soort ecosysteem van zorgverleners.’

In de missie van uw kliniek staat dat u voor alle vrouwen de toegankelijkheid van de zorg wil verbeteren. Hoe?

‘Er zijn zoveel drempels die vrouwen ervan weerhouden om naar de dokter te gaan. Angst om niet begrepen te worden, een taalbarrière, gebrek aan vertrouwen, illegaliteit. Of gebrek aan zorgvaardigheden, zoals wij dat noemen: de vrouwen die wij hier zien kunnen vaak niet goed uitleggen wat er met ze aan de hand is.

‘Maar het allerbelangrijkste struikelblok is het machtsverschil. Als vrouwen voor het eerst bij ons binnenkomen zijn ze altijd zenuwachtig. Dan komt het aan op de ontvangst, die net zo hartelijk moet zijn als in een goed restaurant. En op kleine gebaren die vrouwen duidelijk maken: hier wordt goed voor me gezorgd.’

Kunt u een voorbeeld geven van zo’n gebaar?

‘Als ik vrouwen onderzoek in de gynaecologische stoel, en ze met hun benen in de beugels moeten, geef ik ze altijd een kussentje voor onder hun hoofd. Dan kunnen ze me tenminste aankijken als ik tegen ze praat. Daar gaat het om, dat ik laat merken dat ik patiënten als gelijkwaardig beschouw. Opmerkelijk genoeg maakt zo’n klein gebaar de zorg efficiënter. Als vrouwen mij vertrouwen, luisteren ze beter en durven ze dingen te vragen en te zeggen.’

In de gang van de Vrouwenkliniek Zuidoost hangt een schilderij van Anton Heyboer. Robertson kreeg van de vrouwen van Heyboer toestemming om een deel van dat schilderij te gebruiken als logo voor de Vrouwenkliniek. De grove penseelstreken en de aardse kleuren waarmee de schilder de vier vrouwen op het doek heeft neergezet, symboliseren voor haar de missie van de kliniek: de zorg aan vrouwen verbeteren zodat zij kunnen uitgroeien tot krachtige, zelfstandige personen die hun capaciteiten beter kunnen benutten.

‘Vrouwen krijgen nog altijd minder betaald, ze krijgen de mindere banen en dat heeft veel met hun vrouw-zijn te maken. Omdat ze zwanger worden, omdat ze er een paar dagen per maand af liggen als ze ongesteld zijn, omdat ze in de overgang komen. Mannen doen nog steeds niet genoeg in de zorg voor de kinderen. We gaan het niet redden als de ongelijkheid tussen vrouwen en mannen blijft bestaan. Ik zeg het steeds vaker tegen mijn patiënten: laat je stem horen.’

En stellen uw patiënten dat op prijs?

Lachend: ‘Ja, en dat laten ze ook merken. Ik krijg geregeld een brasa.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next