De onlangs overleden nazi-jager Jack Kooistra laat een oorlogsarchief na met informatie over 180 duizend daders en slachtoffers. Waar is dat archief gebleven? En hoeveel historische waarde heeft het?
is regioverslaggever van de Volkskrant in de provincies Utrecht en Flevoland. Hij schrijft geregeld over de Tweede Wereldoorlog.
Jan Stuivenberg (84) wandelt er niet bepaald in een rechte lijn naartoe. Hij neemt omwegen – verbale omwegen ook – waarbij hij alle hoeken en gaten van zijn kolossale privécollectie toont en ondertussen anekdotes deelt over zijn wonderbaarlijke leven, waarin hij van straatschoffie transformeerde tot militair, koelmonteur, autocoureur, vastgoedmiljonair, weldoener en collectioneur van oorlogsmemorabilia.
De rondleiding door het Mobiel Militair Depot, zoals zijn bomvolle en opvallend uitgebreide minimuseum in Loosdrecht heet, voert langs tanks en legervoertuigen (‘Alles rijdt nog, ik onderhoud het zelf’), langs poppen van soldaten in diverse uniformen, onder een oud Russisch gevechtsvliegtuig door en langs een woonkamer in oorlogstijd (‘Die jongen in die kinderstoel, dat ben ik’).
En dan wijst Stuivenberg na een half uur plots naar een glazen wand met daarachter het eerbetoon aan de op 14 januari overleden Friese nazi-jager Jack Kooistra. Daar staan zijn boeken, daar liggen zijn onderscheidingen en daar bevinden zich ook de kaartenbakken met duizenden kaartjes met namen van oorlogsslachtoffers.
‘Van alles wat ik hier heb’, zegt Stuivenberg, ‘is dit het allerbelangrijkste. We hebben dan ook een plan klaarliggen voor het onwaarschijnlijke geval dat hier brand uitbreekt. Dan tillen we alles het dak op.’
Achter de glazen wand toont Stuivenberg de belangrijkste onderdelen van de collectie-Kooistra. Allereerst pakt hij een boek, waarin namen onder elkaar staan, pagina na pagina, alfabetisch geordend, met geboortedatum en overlijdensdatum. ‘Hierin staan alle Nederlandse Joden die zijn gesneuveld en vermoord’, zegt hij. ‘Het zijn er meer dan de 102 duizend die in Amsterdam op het monument staan. Kijk hier: overleden in Sobibor, Auschwitz, Mauthausen.’
Dan wijst Stuivenberg op een ladekast vol archiefkaarten. ‘Dit zijn alle militairen die tussen 1940 en 1950 zijn gesneuveld, dus ook tijdens de politionele acties in Nederlands-Indië.’ Ernaast staat een houten kist vol handgeschreven papiertjes, stuk voor stuk zo groot als een visitekaartje en volgepriegeld met persoonsgegevens. ‘Die kaartjes heeft Kooistra later allemaal overgetypt', zegt Stuivenberg. ‘Ze zitten in die zwarte kasten daar.’
En de dossiers van de oorlogsmisdadigers achter wie Kooistra al die jaren aanzat, en van wie hij er een flink aantal wist te traceren? Die liggen daar ook ergens, al weet Stuivenberg niet precies waar. Het archief moet nodig geordend worden, zegt hij. Ook de kaarten in veel kaartenbakken staan momenteel niet op alfabetische volgorde.
Rond 2008 leerden Stuivenberg en Kooistra elkaar kennen. De energieke oud-militair was direct onder de indruk van ‘de Friese Wiesenthal’, zoals de journalist ook wel werd genoemd, een verwijzing naar de Oostenrijkse nazi-jager Simon Wiesenthal. ‘Ik hou van mensen met passies’, zegt Stuivenberg. ‘Mensen die door roeien en ruiten gaan.’
Bij een bezoek aan Friesland toonde Kooistra hem zijn zolder, waar je tot kniehoogte tussen de paperassen stond. Daar lag ook het omvangrijke archief waarmee hij op zijn 15de was begonnen. ‘Ik bedacht dat het na zijn dood waarschijnlijk allemaal in de kliko zou verdwijnen’, zegt Stuivenberg. ‘Dat leek me verschrikkelijk. Daarom stelde ik voor om hier in het museum een plek vrij te maken voor zijn archief.’
Kooistra ging daar uiteindelijk mee akkoord. ‘Sindsdien haalde ik steeds meer spullen bij hem op. Ik ben wel twintig keer met mijn Porsche Cayenne heen en weer gereden. En ik heb hem ook een pensioentje gegeven, want hij had niet veel geld.’ Als laatste nam Stuivenberg eind 2023 de kaartenbakken mee naar Loosdrecht.
Een snelle blik op die kaartenbakken leert dat die tot stand zijn gekomen met een flinke dosis volharding en precisie. En tegelijkertijd rijst de vraag wat de historische waarde ervan is. Wat staat er op de 180 duizend kaartjes, dat niet in andere archieven te vinden is? Waarin onderscheidt dit archief zich?
René van Heijningen van het Niod (het instituut voor oorlogs-, Holocaust- en genocidestudies) vindt het lastig daar een oordeel over te vellen, omdat hij de kaartenbakken nooit met eigen ogen heeft gezien. Desalniettemin noemt hij Kooistra ‘de meester van het oorlogslexicon’, waarmee hij doelt op zijn naslagwerken met korte biografische beschrijvingen van personen die een rol speelden tijdens de bezetting. Die lexicons, verschenen in boekvorm, kent Van Heijningen wel.
Het archief van Kooistra bevat informatie over ‘strijders’ (gesneuvelde Nederlandse en Duitse militairen), ‘onderdrukkers’ (collaborateurs, NSB-burgemeesters en moffenmeiden) en ‘bevrijders’ (gesneuvelde geallieerden), zegt Van Heijningen. ‘Kooistra was een gedreven speurder die veel boven water wist te halen. De omvang van de door hem verzamelde gegevens is dan ook indrukwekkend. Ik ken in Nederland geen andere auteur die in dit genre zoveel heeft gepubliceerd.’
Het Niod heeft de kaartenbakken nooit aangeboden gekregen, zegt Van Heijningen, maar het instituut zou wel interesse hebben. ‘Kooistra’s archief zou in onze studiezaal dan ook voor andere onderzoekers ter inzage beschikbaar zijn.’
Stuivenberg benadrukt dat het ook zijn wens is dat het archief voor iedereen toegankelijk wordt. ‘Voor mensen die bijvoorbeeld willen weten waar hun oom is overleden, die in Indonesië heeft gevochten. Dat soort vragen krijg ik vrijwel wekelijks. In dit archief zijn de antwoorden te vinden.’
De stichting Hunting Jack, gerund door Kooistra’s zoon Jacques, onderzoekt momenteel hoe de kaartenbakken kunnen worden gedigitaliseerd. Daarvoor moet nog wel financiering worden gevonden.
En als Stuivenberg er straks niet meer is, wat gebeurt er dan met de kaartenbakken? Ook daar heeft hij over nagedacht. ‘Ik heb een testament gemaakt’, zegt hij. ‘Als het museum stopt, dan gaat alles naar Kamp Amersfoort of Kamp Westerbork. Dit mag niet verdwijnen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant