De ‘trotse Suri-Zeeuwse’ Angélique Duijndam heeft ‘altijd gewerkt, altijd kinderen gehad en altijd gestudeerd’. Sinds 2016 zet ze zich in voor de herdenking van het slavernijverleden. De toegenomen bewustwording stemt haar tevreden.
Wanneer ze eind jaren negentig twee studies aan de Erasmus Universiteit volgt, wordt ze lid van een studentenvereniging ‘met alleen maar witte mensen’. Ze verbaast zich over ‘het beeld van donkere vrouwen’ dat sommige studenten erop nahouden: ‘Ik had in die vereniging een leuke tijd, maar kreeg ook te maken met opmerkingen als: waarom zit je niet thuis met zeven kinderen en een uitkering?’ Met haar beide studierichtingen, kunst- en cultuurwetenschappen en maatschappijgeschiedenis, wil ze ‘vooroordelen wegnemen en bruggenbouwen’ tussen bevolkingsgroepen.
Dat ze het tot universitair onderwijs heeft weten te brengen, tekent het doorzettingsvermogen van Angélique Duijndam. In 1971 wordt ze in Paramaribo geboren als ‘een slippertjeskind’ – haar moeder wordt zwanger van een man die al een gezin met een ander heeft. Na de bevalling vertrekt haar moeder naar Nederland, terwijl Angélique bij haar grootouders achterblijft. Als 5-jarige komt ze naar Zeeland, waar ze zich tot een ‘trotse Suri-Zeeuwse’ ontwikkelt.
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
Dat gaat met vallen en opstaan – al op haar 15de bevalt ze van haar eerste kind: ‘De vader was een schoolgenoot. Hij erkende het kind niet. Mijn moeder heeft me eerst gewurgd, letterlijk, daarna heeft ze me bij de opvoeding geholpen.’ Op haar 20ste krijgt ze een tweede kind van een man met wie de relatie dan al is verbroken. Haar toenmalige man is not amused – een jarenlange, gewelddadige verhouding volgt.
Ondertussen beklimt ze de sporten van de onderwijsladder – beginnend bij het lager beroepsonderwijs volgt ze de meao en een hbo-opleiding sociaalpedagogisch werk om op haar 28ste bij de universiteit uit te komen. De kost verdient ze met werk in het sociale domein – als begeleider van uit huis geplaatste kinderen, dakloze jongeren en minderjarige vluchtelingen: ‘Ik heb altijd gewerkt, altijd kinderen gehad en altijd gestudeerd.’
Haar universitaire opleiding komt haar goed van pas wanneer ze zich vanaf 2016 in Zeeland inzet voor Ketikoti, de jaarlijkse herdenking van de afschaffing van de slavernij. Ze doet dat met zoveel verve dat ze voor haar ‘constructieve bijdrage aan het slavernijdebat’ in 2022 tot ‘Vrouw in de Media’ van Zeeland wordt uitgeroepen. Haar voorstel het slavernijverleden van haar stad Vlissingen te onderzoeken zet veel in beweging – er komen excuses van de gemeente en inmiddels staat een nationaal ‘Kenniscentrum Slavernijverleden’ in de steigers dat in 2026 in Zeeland opent. De 53-jarige Duijndam is over die stappen tevreden, maar kijkt bezorgd naar de maatschappelijke ontwikkelingen in Nederland: ‘Ik ga binnenkort naar Suriname. Om te kijken of we daarheen kunnen, wanneer het hier niet meer te harden is.’
Wat dreef u almaar door te leren?
‘Toen ik zwanger was van mijn eerste kind, vroeg mijn moeder: ‘Wil je het houden?’ Ik zei ja. Toen zei ze: ‘Dan gaan we het samen doen, maar je moet wel beloven dat je je diploma’s haalt.’ Haar boodschap aan mij was: je diploma is je man. Een man kan altijd bij je weggaan, maar een diploma heb je altijd – het helpt je bij je autonomie, bij zelf geld kunnen verdienen. Die boodschap is bij veel Surinaamse vrouwen van mijn generatie ingeprent. Ik heb twee zonen, maar als ikzelf een dochter had gekregen zou ik het haar ook hebben gezegd.
‘Ik vind het een heel sterke boodschap. Ze heeft met de slavernij te maken. Op de plantages mocht een man zijn kind niet erkennen, want dat was automatisch eigendom van de plantagehouder. Daar is het misgegaan, dat maakte dat de vrouw niet op haar man kon rekenen. Dat is er bij ons ingestampt: je man laat je achter met je kinderen, dus moet je als vrouw voor je eigen autonomie zorgen. Ik heb dat zelf ook gedaan.’
Ziet u het slavernijverleden op meer vlakken doorwerken?
‘Ja, maar ik wil wel eerst zeggen dat het belangrijk is zwarte mensen niet als slachtoffers te zien. Mijn voorouders die tot slaaf zijn gemaakt, waren niet zielig, zoals witte mensen vaak denken, maar juist krachtige mensen die wisten te overleven. Dankzij de drieduizend voorouders die ik vanaf die tijd heb gehad, zit ik hier. Maar dat het slavernijverleden tot op de dag van vandaag doorwerkt, is wel zeker.’
Kunt u een voorbeeld geven?
‘Stel: je hebt een zwarte moeder met zoon Ricardo en een witte moeder met zoon Richard. Bij hun diploma-uitreiking hebben beide jongens cijferlijsten met zevens en achten. De moeder van Richard prijst hem de hemel in en zegt tegen de leraar hoe trots ze is, in het bijzijn van haar zoon. De moeder van Ricardo zal zeggen: hij heeft wel goede cijfers, maar als Ricardo thuis is, is hij lui. Als ze haar trots laat blijken, doet ze dat niet met anderen erbij. Want als je je kind aanprees, liep je het risico dat je slaveneigenaar het zou verkopen. Die angst zit er nog steeds in, dat trauma zit ingebakken. Mijn moeder vond het ook moeilijk trots op mij te zijn.
‘Verder hebben we geleerd dat we witte mensen vooral niet tot last moeten zijn en hen niet ongemakkelijk mogen laten voelen. Over sommige dingen, zoals wanneer je wordt gediscrimineerd of slecht wordt behandeld, praat je daarom niet. Onze eerste reflex is te zwijgen en je aan te passen.’
Waar denkt u nu aan?
‘Mijn moeder stond een jaar of vijf geleden in de rij bij de supermarkt – mooi aangekleed, met een baret, een zwarte pruik met krullen, hippe gympen. Roept een mevrouw in de rij opeens: ‘Zwarte Piet is wel heel vroeg dit jaar.’ Toen ik dat aan mijn tante vertelde, zei die: ‘Het is oktober, je moeder had moeten weten hoe ze zich hoorde te kleden.’ Dat geeft wel aan hoe geconditioneerd we zijn om geen aanstoot te geven. Wat ook heel lang not done was, was solliciteren met je eigen haar, dus met een afrokapsel. Dat werd als niet professioneel gezien, dus zette je extensions. Tegenwoordig is afro meer geaccepteerd, maar in de jaren negentig kon dat echt niet. Je past je dus aan, zoals je ook leert met allerlei vormen van micro-agressie om te gaan.’
Wat bedoelt u daarmee?
‘Allerlei opmerkingen die op vooroordelen zijn gebaseerd. Een man die je wilt versieren met de woorden: ‘Jij bent mijn tropische verrassing.’ En die als ik zeg dat ik daar niet van gediend ben, antwoordt: ‘Heb je soms geen gevoel voor humor?’ Zo iemand claimt dan wat wetenschappelijk het privilege of definition wordt genoemd – hij denkt te kunnen definiëren hoe ik zijn boodschap moet ervaren, te kunnen bepalen wat wel en niet leuk is. Ik definieer dat zelf. Als ik zeg dat ik iets niet leuk vind, kun je ‘jammer’ of ‘sorry’ zeggen. Over dit soort micro-agressie wil ik graag het bewustzijn vergroten, want mensen van kleur of niet-westerse mensen hebben daar hun leven lang mee te maken.’
Hoort dat bij ‘een goede voorouder willen zijn’, dat u in een eerder interview aangaf te beogen?
‘Zeker. Waar ik naar streef is dat mensen, wit en zwart, open voor elkaar staan. We hebben allemaal vooroordelen, waar het om gaat is: hoe ga je ermee om? Ik wil op dat vlak een bruggenbouwer zijn én mezelf kunnen zijn – niet meer de kameleon die ik vroeger was, toen ik me altijd maar aanpaste. Goed voorouderschap is mijn voorouders eren, eraan bij te dragen dat hun verhaal goed wordt verteld. Van zwarte mensen is een karikatuur gemaakt – voor Zwarte Piet met zijn roe en zijn zak moest je bang zijn. Dat beeld werkt door wanneer ik een lift instap en een oud, wit vrouwtje haar tas tegen zich aan drukt. Tegen dat soort vooroordelen wil ik strijden. Ik wil dat mijn voorouders op een betere manier worden herdacht door met het oog op de toekomst een stem te geven aan zwarte mensen, aan hun plek in de geschiedenis.’
Wilt u dat goede voorouderschap met het oog op uw kleinkinderen?
‘Ik wil dat volgende generaties als ze mij opzoeken, iets vinden waar ze trots op kunnen zijn. Ik heb een kleinkind met blond haar en blauwe ogen, je ziet niet meer dat hij zwarte roots heeft, ik wil dat hij trots naar zijn omi kijkt. Ik wil de geschiedenis vormgeven, daarom hebben we ‘goed voorouderschap’ ook voor Ketikoti van volgend jaar als thema gekozen. Bij die herdenking zouden zowel witte als zwarte Nederlanders moeten stilstaan. Want we hebben geen gedeeld verleden, maar wel een gezamenlijk verleden.’
Hoe bedoelt u dat?
‘Als je zegt dat het gedeeld is, lijkt het of we op dezelfde manier de pijn kunnen voelen, dat is natuurlijk niet zo. We hebben wel een gezamenlijk verleden, omdat we gezamenlijk van die tijd deel uitmaakten. Daarom is Ketikoti voor zowel zwart als wit belangrijk, wat helaas nog niet in alle hoofden is doorgedrongen.’
Toch zijn er in de afgelopen jaren wel stappen gezet.
‘Het bewustzijn van de gemiddelde Zeeuw over de slavernij is gelukkig zeker toegenomen. Uit het onderzoek naar de rol van Vlissingen bleek dat onze stad in de 18de eeuw dertig jaar lang de Nederlandse hoofdstad van de slavenhandel was. De burgemeester zei van die uitkomst te zijn geschrokken. Er zijn excuses aangeboden, al was daar in de gemeenteraad maar een kleine meerderheid voor te vinden. Sommigen vonden dat hun voorouders het in die tijd ook zwaar hadden. Een slavernijmonument is er niet gekomen. Wij wilden dat op de boulevard, maar kregen te horen dat mensen naar Vlissingen komen om van de zee te genieten, niet om over moeilijke dingen na te denken.’
Stemt het toegenomen bewustzijn u niettemin optimistisch?
‘Nou, eerlijk gezegd gaat het in Nederland in mijn ogen de verkeerde kant op. Door deze regering durven mensen je tegenwoordig van alles recht in je gezicht te slingeren, terwijl ze tegelijk beweren dat ze niks meer mogen zeggen. Die hele rechtse community denkt: nu onze leider aan de macht is, mogen we los. Ik zie dat verder escaleren, want tegenover hen staan jonge generaties die alles kritisch bevragen en zich niks laten zeggen. Ik ben trots op ze, maar zie daardoor wel de verhoudingen alleen maar verslechteren. Zo’n motie-Becker (om gegevens over normen en waarden van Nederlanders met een migratieachtergrond bij te houden, red.) is toch heel erg? Daar vallen Surinamers onder. Dat geeft me het gevoel dat ik er toch niet bij hoor, ook al voel ik mezelf Nederlander. Het is alsof Nederlanders met een ophaalbrug werken: vandaag tolereren we je, maar als het ons niet bevalt, trekken we hem op en doe je niet meer mee.
‘Binnenkort ga ik voor het eerst in 48 jaar terug naar Suriname. Dat lijkt het meest op Nederland, op wat je gewend bent. Ik kan daar land claimen van de plantage die na de afschaffing van de slavernij met veel moeite is gekocht door een aantal families van tot slaaf gemaakten. Mijn eigen familie hoort daar ook bij. Misschien ligt daar onze toekomst. In Nederland zie ik de verhoudingen structureel verharden. Dat wens ik mijn kinderen en kleinkinderen niet toe.’
Boektip: Ooggetuigen van de Nederlandse Slavernij; Karwan Fatah-Black, Camilla de Koning
‘In dit boek komen de tot slaaf gemaakten zelf aan het woord. Het leerde me veel over het verhaal achter de bedrijfsvoering: over de verschrikkelijke overtocht, de publieke veiling en het brandmerken, het dagelijks leven op de plantage en de positie van vrouwen. Verbazingwekkend en zeer informatief, een echte aanrader.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant