Het regent nieuwsberichten over Paaseiland. In 2024 verschenen alleen al in deze krant zeven nieuwsartikelen over dit afgelegen stipje in de Stille Oceaan, met onderwerpen variërend van roofkunst in het British Museum tot diepzeebiodiversiteit en van het historische landgebruik op het eiland tot de genetica van de oorspronkelijke bewoners. Google Scholar, de zoekmachine die zoekt in wetenschappelijke literatuur, geeft op ‘Easter Island’ bijna 300.000 hits. Er staan boeken en artikelen bij uit de 19de en 20ste eeuw, maar ook tientallen wetenschappelijke artikelen alleen al van de laatste paar jaar.
Paaseiland spreekt tot de verbeelding, niet alleen van avonturiers en lezers maar ook van wetenschappers. Allereerst door zijn totaal geïsoleerde ligging. Zeilend dat stipje bereiken in die onmetelijke Stille Oceaan getuigt van uitzonderlijke navigatiekunst. En dan zijn er nog de talloze vragen waarop nog niemand een antwoord weet. Waarom bouwden de Paaseilanders bijvoorbeeld al die enorme stenen beelden van meters hoog en tonnen zwaar?
Paaseiland is een vulkanisch eiland ongeveer ter grootte van Texel. Het ligt midden in de Stille Oceaan, zo’n 3.700 kilometer ten westen van Chili en bijna 2.000 kilometer van de dichtstbijzijnde bewoonde eilanden. Oorspronkelijk was het eiland bedekt met bomen, waaronder een endemische palmsoort. Vandaag de dag is het eiland kaal. Er wonen nu zo’n 8.600 mensen, van wie zo’n 45 procent zich identificeert als inheemse Paaseilander. De rest is van overige Polynesische en van Zuid-Amerikaanse afkomst. Het eiland hoort sinds 1888 bij Chili.
De eerste Europeanen die er voet aan wal zetten, waren Nederlanders. Drie schepen onder leiding van Jacob Roggeveen kregen het eiland in de kijker op Paaszondag 1722 – vandaar de naam die ze eraan gaven. Enkele dagen later gingen ze er aan land. Ze troffen er een gastvrije inheemse bevolking aan.
De eerste bewoners waren er gearriveerd rond 1100 na Christus. Ze kwamen van de Marquesas, een eilandengroep in het hart van Polynesië. Ze brachten kippen, ratten en enkele voedselgewassen mee, waaronder bananen, suikerriet – én zoete aardappels, die via oude zeevaartroutes al vóór de twaalfde eeuw vanuit Zuid-Amerika in Polynesië waren beland. Met hun zeewaardige kano’s visten de Paaseilanders op diepzeevis zoals tonijn, en ze verzamelden zeevruchten langs de kustlijn. Zo bouwden ze een bloeiende eilandcultuur op.
Het meest opvallende aan die cultuur zijn de enorme stenen beelden, of moai. In totaal zijn er op het eiland een kleine 900 van deze torso’s gemaakt, waarvan er ruim 400 langs de kust zijn geplaatst. De meeste moai zijn een paar meter hoog, sommige wel tien. Ze zijn uitgehakt uit tufsteen, een relatief licht vulkanisch gesteente, maar wegen desondanks tonnen per stuk.
De gangbare theorie is dat het voorouderbeelden zijn, maar niemand weet dat zeker. Feit is dat de beeldencultuur rond het jaar 1550 vrij abrupt stopte – waarschijnlijk omdat er niet voldoende bomen meer op het eiland groeiden. De bomen waren nodig als rolpalen, voor het vervoer van de beelden. Met de teloorgang van het bos kwam er ook aan de beeldencultuur een einde. En zelfs zo snel, dat er in de groeve tientallen onafgemaakte beelden liggen, die deels zelfs nog vastzitten.
Toen Roggeveen het eiland in 1722 ‘ontdekte’, stonden de beelden nog overeind. Maar anderhalve eeuw daarna lagen ze allemaal plat. Omgevallen? Omvergetrokken? En waarom dan? Niemand die het weet.
Stukje bij beetje legt moderne wetenschap de antwoorden bloot – bijvoorbeeld over de complexe afkomst van de oorspronkelijke Paaseilanders. Het meest recent nog in het tijdschrift Nature (september 2024): genetici toonden aan dat Paaseilanders al contact hadden met Zuid-Amerika ver vóór de Europese ontdekkingsreizen.
Dat genetische onderzoek liet nog iets zien. Er had op Paaseiland helemaal geen ‘catastrofale ineenstorting’ plaatsgevonden van het bevolkingsaantal. Dat verhaal gaat al decennialang rond, met Paaseiland als metafoor voor hoe mensen de natuur uitputten en daar dan zelf aan ten onder gaan. Na het kappen van al het bos zouden de bewoners zijn vervallen in honger, oorlog en kannibalisme. Van tienduizenden zielen zou het bevolkingsaantal zijn gekelderd tot slechts drieduizend: verwilderd, ongezond en doodongelukkig.
Welnee, toonde de genetische studie in Nature. De bevolking is nooit zo enorm groot geweest – hooguit enkele duizenden – en al die tijd gestaag gegroeid, ook toen de bomen allang ‘op’ waren.
Een halfjaar eerder had een andere studie iets vergelijkbaars geconcludeerd (Science Advances, juni 2024). Satellietbeelden toonden aan dat er op Paaseiland veel minder akkergrond in gebruik is geweest dan altijd werd gedacht: slechts driekwart vierkante kilometer. Genoeg om hooguit zo’n drieduizend monden te voeden, aldus de onderzoekers.
Milieuwetenschapper Jan Boersema (1947) van de Universiteit Leiden is niet verbaasd. Hij publiceert al sinds 2002 over Paaseiland, en schreef er in 2011 een boek over: Beelden van Paaseiland. Een herziene versie verscheen in 2020. Zijn hoofdboodschap is al vanaf het begin: Paaseiland is géén voorbeeld van een ineengestorte beschaving. De mensen hebben zich er al die tijd prima weten te redden.
„Stukje bij beetje komt mijn eigen hypothese tot leven”, stelt Boersema nu. „Met elke nieuwe studie die er verschijnt, vallen er meer puzzelstukjes op hun plek.”
Hij constateert het niet triomfantelijk, maar met een wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Zijn specialisatie was – en is nog altijd – de relatie tussen levensbeschouwing en de natuurlijke leefomgeving. „Hoe de natuur onze ideeën beïnvloedt, en andersom”, verduidelijkt hij. Hij was hoogleraar aan de VU en in Leiden en werkt nu, ruim na zijn pensioen, nog altijd vier dagen in de week op het Centrum voor Milieuwetenschappen Leiden.
Hij werkt vooral aan andere projecten, maar Paaseiland heeft nog altijd zijn speciale belangstelling. „Ik begrijp maar niet waarom dat ineenstortingsverhaal zo hardnekkig de ronde blijft doen”, zegt hij, „terwijl inmiddels méér dan duidelijk is dat er helemaal niks van klopt. Het lijkt wel alsof mensen het wíllen blijven geloven.”
Foto Getty Images
Het verhaal begint wat Boersema betreft met een boek dat in 1991 veel stof deed opwaaien: A Green History of the World, door de Britse historicus Clive Ponting. „Op zichzelf was het een fantastisch idee”, vertelt Boersema, „om naar de wereld te kijken niet vanuit het perspectief van machthebbers, maar door een ‘groene’ bril. Ponting stelde zich de vraag hoe culturen zich in de loop van de geschiedenis hebben ontwikkeld in wisselwerking met hun natuurlijke omgeving. Hij was een fascinerende man. We zijn bevriend geraakt.”
Maar bij één verhaal in het boek trok Boersema de wenkbrauwen omhoog: het voorbeeld van Paaseiland. Hier beschreef Ponting tot in detail de ‘ineenstortingstheorie’. Die theorie had hij niet helemaal zelf bedacht, vertelt Boersema. Een eerste versie bleek afkomstig van Bill Mulloy, een Amerikaanse antropoloog die had meegewerkt aan de opgravingen van Thor Heyerdahl. „Maar pas met het boek van Clive Ponting kreeg dat idee bredere bekendheid.”
Echt snel ging het vanaf 2004. Toen publiceerde de Amerikaanse schrijver Jared Diamond, bekend van titels als Guns, Germs and Steel, een boek genaamd Collapse – how societies choose to fail or succeed. Dit boek, met meteen al een eerste druk van een kwart miljoen exemplaren, bracht het verhaal van Paaseiland de wereld over.
„Terwijl het dus helemaal niet klopt”, zegt Boersema. Tegen de tijd dat Jacob Roggeveen op het eiland landde, in 1722, zou de eilandcultuur al helemaal in verval zijn geweest. Volgens Ponting en Diamond trof Roggeveen verwilderde kannibalen op het eiland aan. Boersema besloot op zoek te gaan naar het originele scheepsjournaal van Roggeveen. „Mijn eigen VU-bibliotheek bleek daar een gedrukt exemplaar van te hebben. En daarin las ik helemaal niets over een bevolking in verval.”
De referenties die Ponting gaf, waren vaag of bleken niet te kloppen. Ze gingen terug op ‘tweedehands’ reisverhalen uit de 19de en 20ste eeuw: doorvertelde verhalen van mensen die nooit zelf op die reizen waren meegeweest.
Wat staat er dan wél in het originele scheepsjournaal van Roggeveen? „De Nederlanders zagen geen wapens of tekenen van strijd. Integendeel: ze zagen een ‘uytnemend vrugtbaar’ eiland, ‘voortbrengende bananas, pataddes, suykerriet van bysondere dikte, en veele andere soorten van aardvrugten’. De bewoners waren vrolijk, gezond en gastvrij.”
Toch was het eiland op dat moment al vrij van bomen. Het ineenstortingsverhaal vertelt dat de mensen die allemaal hadden gekapt, voor huizenbouw maar ook om er rollers van te maken om hun stenen beelden mee te vervoeren. Maar Boersema berekende dat, zelfs als de eilanders voor elk beeld nieuwe bomen zouden hebben gekapt, ze nooit het hele eiland ontbost kunnen hebben. Er moeten namelijk ooit meer dan 16 miljoen bomen hebben gestaan. „Ik vermoed dat er andere factoren hebben meegespeeld”, zegt Boersema. „Bijvoorbeeld droogte. En misschien hebben de meegebrachte ratten ervoor gezorgd dat het bos niet kon verjongen, doordat ze te veel scheuten opaten. Maar dat is een hypothese. Voor mij blijft dit een van de grote raadselen.”
Een ander veelgenoemd raadsel is: waar dienden de beelden eigenlijk voor? Waarom maakten de Paaseilanders er zóveel? En waarom gingen ze nog decennialang door met het uithakken ervan, toen ze ze allang niet meer konden vervoeren? Een zeker antwoord is er niet, maar Boersema heeft wel een vermoeden. „Het gaf de eilanders iets te doen. Ze waren niet heel veel tijd kwijt met hun voedselvoorziening. Het beeldenmaken zorgde voor een clan-gevoel, voor een onderlinge band.”
Toen er geen bomen meer waren, rond de 16de eeuw, konden de bewoners geen zeewaardige kano’s meer maken en dus geen zeevis meer vangen. „Maar ze leefden nog altijd uitstekend”, zegt Boersema. Ze aten wat ze in hun akkertjes verbouwden, plus de kippen en ratten die ze met de kolonisatie hadden meegenomen. Ook verzamelden ze zeevruchten langs de kustlijn. „Ik denk dat complexe systemen zoals menselijke samenlevingen niet zo snel volledig instorten. Ik denk dat je soms een herrangschikking krijgt, waarbij andere dingen belangrijker worden. Je ziet wellicht een verschraling, maar niet zozeer ineenstorting. In elk geval niet in het bevolkingsaantal.”
Toen Jacob Roggeveen op het eiland landde in 1722, was er – na het wegvallen van de beeldencultuur – al sprake van een nieuwe cultuur: de zogeheten Vogelcultuur. De eilanders vereerden een leider, de Vogelman, die jaarlijks werd aangewezen door middel van een intens en levensgevaarlijk ritueel. Jonge mannen, die elk een familiegroep vertegenwoordigden, moesten naar een nabijgelegen rotseilandje zwemmen om daar een ei te bemachtigen van de bonte stern, een zeevogel die broedt op de vulkanische kliffen van dit eilandje. Een hachelijke onderneming, waarbij de jongelingen zichzelf tot wel twee weken op het eilandje in leven moesten zien te houden, wachtend op het eerste broedgeval. Dan moesten ze klimmend dat ei zien te bemachtigen, en dat door de woeste golven op hun hoofd meenemen naar het hoofdeiland. De winnaar moest dat dan, na een klim van 250 meter tegen de steile rotskust op, aanbieden aan zijn eigen stamoudste. Die werd dan de nieuwe Vogelman.
Er waren symbolische verbindingen tussen de beelden- en de Vogelmancultuur, vertelt Boersema. „De Vogelman woonde bijvoorbeeld in de groeve waarin de beelden ooit werden uitgehakt. Die groeve is al die tijd een ritueel, heilig centrum gebleven. En een van de mooiste beelden stond in een huis op Orongo, het centrum van de Vogelcultuur, waar de mensen wachtten op de terugkeer van de jonge mannen. Nu staat dat beeld in het British Museum.”
In de tijd van de beelden- en de Vogelmancultuur zijn er talloze rotsinscripties gemaakt, onder andere op de beelden zelf en in en rond de groeve. Ze beelden vogels af, de Vogelman, en Make-make, een oppergod. Daarnaast is er een mysterieus schrift gebruikt, het Rongorongo, dat vooral in hout is gekerfd. „Het lijkt op een hiërogliefenschrift, maar we weten eigenlijk niet eens of het echt een schrift is”, zegt Boersema. „Misschien waren het wel symbolen die hielpen bij het zingen van rituele liederen.”
Het probleem is: we kunnen het niemand vragen. Aan de Vogelmancultuur kwam een abrupt einde vanaf 1863. In die tijd ronselden Peruaanse slavenhandelaren – hardhandig of door verleiding – overal in Polynesië arbeidskrachten. Van Paaseiland roofden ze in een paar jaar tijd zo’n 1.400 mensen. De mannen moesten als slaven werken in guanomijnen in Peru: groeven waar zeevogelmest werd gewonnen als grondstof voor kunstmest en springstoffen. De leef- en werkomstandigheden waren erbarmelijk. De vrouwen werkten op plantages en in huishoudens. Boersema: „Het grootste probleem waren de besmettelijke ziekten: pokken en tbc.”
De sterfte was enorm. Na sterke politieke druk werden vijftien overlevende Paaseilanders een paar jaar later naar hun thuiseiland teruggebracht. Maar deze mensen brachten de infectieziekten mee, die ook op Paaseiland snel om zich heen grepen. In 1877 waren er nog maar 110 inheemse Paaseilanders in leven.
„Daarmee is heel veel informatie voor altijd verloren gegaan”, zegt Boersema. „Niemand wist meer wat de inscripties betekenden. Niemand kende meer de oude verhalen. In de loop van de tijd hebben de Paaseilanders daarom nieuwe tradities verzonnen, om toch een link met het verleden en met elkaar te houden. Maar dat maakt het historische onderzoek wel heel lastig.”
Tegenwoordig wonen er ruim achtduizend mensen op Paaseiland, van wie een kleine helft inheemse voorouders heeft. „Maar er is vrijwel niemand die via beide ouders Paaseilandgenen heeft”, weet Boersema. „Het is een heel gemengde bevolking. En nu komen er ook nog eens jaarlijks meer dan honderdduizend toeristen.”
Als er al sprake is geweest van ineenstorting van de cultuur, besluit Boersema, dan is dat gebeurd door de barbaarse praktijken van de slavenhandelaren en de dodelijke infectieziekten. „In de tijd daarvoor hebben de Paaseilanders iets heel anders laten zien”, concludeert hij. „Namelijk een opmerkelijke veerkracht. De omstandigheden veranderden, maar de Paaseilanders veranderden mee. Dát is de les die we hieruit kunnen trekken.”
Is het niet jammer, vanuit milieuoogpunt, dat we het collapse-verhaal niet meer als metafoor kunnen gebruiken? „Het kan wel zijn dat we zulke verhalen nodig hebben, maar dan moeten ze wel wáár zijn. Er zijn trouwens genoeg lessen te trekken uit Paaseiland. Alle grote uitdagingen van de wereld zie je daar nu op één plek geconcentreerd. Bijvoorbeeld duurzaamheid versus ‘hoogstaande cultuur’. Veerkracht en aanpassing. Afval, vervuiling, ongelijkheid, massatoerisme, teruggave van roofkunst en repatriëring van menselijke resten… Ja, we kunnen er nog genoeg van leren.”
De Oscar voor beste documentaire ging in 1950 naar de film Kon-Tiki, van de Noorse avonturier Thor Heyerdahl (1914-2002). De film ging over de wonderbaarlijke zeiltocht die Heyerdahl in 1947 had gemaakt met een vlot van balsahout. Van Peru was hij naar de eilandengroep Tuamotu gevaren – een barre tocht van bijna zevenduizend kilometer westwaarts.
Zijn punt? Bewijzen dat de oorspronkelijke Paaseilanders uit Zuid-Amerika kwamen. De gangbare hypothese was dat ze afkomstig waren van de andere eilanden van Polynesië, het immense eilandenrijk van de Stille Oceaan. Vanuit Zuid-Amerika varen zou te ver zijn. Maar Heyerdahl deed het.
Heyerdahls boek De Kon-Tiki Expeditie (1948) werd een wereldwijde bestseller. Het werd in 70 talen vertaald en er gingen er 50 miljoen van over de toonbank, volgens een documentairedrama uit 2012. En dan was er dus die Oscar.
Al in zijn eigen tijd, maar zeker in de decennia daarna, waren de theorieën van Heyerdahl controversieel. Hij bleef bijvoorbeeld volhouden dat de Paaseilanders uit Zuid-Amerika kwamen, ook toen steeds meer antropologische, taal- en genetische studies lieten zien dat ze zonder twijfel Polynesisch waren.
Desondanks bleef Heyerdahl zijn leven lang een gerespecteerd antropoloog. In de jaren 1950 verrichtte hij belangrijke opgravingen op Paaseiland. Hij legde daarmee de basis voor het latere onderzoek naar de grote stenen beelden, of maoi. Hij was ook de eerste die opperde dat Paaseiland ooit bedekt was met bos.
Al ver vóór de Europese koloniale ontdekkingsreizigers was er contact tussen Polynesië en Zuid-Amerika. Dat is al een tijdje bekend. In 2008 bleken 600 jaar oude kippenbotjes, gevonden op het Chileense schiereiland Arauco, afkomstig uit Polynesië. In datzelfde jaar traceerden genetici de herkomst van duizend jaar oude resten van zoete aardappels op de Cook Islands. Dit gewas, dat van oorsprong uit Zuid-Amerika komt, was al ver voor de Europeanen via handel in Polynesië terechtgekomen en had zich van daaruit verder verspreid over de Pacific – ook tot aan Paaseiland.
Eén raadsel is nog altijd onopgehelderd. Hoe kwamen twee Polynesische mannen terecht tussen de inheemse Botocudo-indianen in Oost-Brazilië? Genetisch onderzoek aan een verzameling Botocudo-schedels uit de 17de en 18de eeuw liet er in 2014 geen twijfel over bestaan: twee ervan waren 100 procent Polynesisch, zonder enige menging met Zuid-Amerikaans dna.
Met Europese schepen konden de twee mannen niet vanuit Polynesië zijn meegevaren, want in de 17de-18de eeuw kwamen daar nog nauwelijks Europeanen. Peruviaanse slavenhandelaren roofden pas eind 19de eeuw Polynesiërs. Waren het dan reizigers die zelf per boot Peru of Chili hadden bereikt, bijvoorbeeld vanaf Paaseiland, en vervolgens dwars het continent waren overgestoken? Waren ze geroofd door Zuid-Amerikaanse stammen? Of waren ze westwaarts gereisd, wellicht als slaven of bemanning, via het huidige Indonesië, Madagaskar en Zuid-Afrika? We zullen het waarschijnlijk nooit weten.
Wekelijks de beste verhalen van Wetenschap in je inbox?
Source: NRC