Elke week leert Caspar Janssen het Nederlandse landschap lezen aan de hand van wonderschone, bijna vergeten woorden. De Haarlemmer trekvaart is de verbinding waarmee het openbaar vervoer ontstond.
schrijft voor de Volkskrant over natuur, biodiversiteit en landschap.
Aan verkeersstromen geen gebrek in Halfweg, halverwege Amsterdam en Haarlem. Auto’s op de N200, op het spoor rijden treinen parallel aan de weg mee, en er tussenin ligt de verbinding waarmee het ooit begon: de Haarlemmer trekvaart. De trekvaart is er nog gewoon, het gedeelte tussen Halfweg en Amsterdam is intact, maar allang niet meer in gebruik. ‘Niemand weet meer waarom deze vaart hier ligt’, zegt historicus Ad van der Zee.
Terwijl je dit toch de plek kunt noemen waar het openbaar vervoer ontstond, in 1632. De vaart was in een jaar tijd gegraven, op initiatief van Amsterdamse en Haarlemse regenten. Van der Zee: ‘Trekvaarten bestonden al wel, maar dit was de eerste regelmatige vervoersdienst voor passagiers. Tien tot twaalf keer per dag voer de trekschuit vanaf beide kanten tussen Haarlem en Amsterdam, op vaste tijden. Twee uur en een kwartier duurde de tocht.’
In de rubriek Tussen horst en griend wandelt Caspar Janssen door het Nederlandse landschap en beschrijft dat aan de hand van het bijzondere vocabulaire dat daarbij hoort.
Halfweg was het overstappunt, de passagiers moesten hier te voet de sluizen over, om aan de andere kant hun tocht te vervolgen met een klaarliggende trekschuit. Vandaar de naam, Halfweg. Hier was ook het commissarishuis van de trekvaart, het bedrijf. Het pand staat er nog, met de schilden van Amsterdam en Haarlem. Van der Zee: ‘Het was nog een flinke organisatie. Je had schuiten nodig, schippers, stallen, paarden, verzorgers.’
Een lucratieve onderneming, de openbaar vervoersdienst, die snel navolging kreeg in Zuid-Hollandse steden en Utrecht, bijna overal in laag Nederland. De basis voor de infrastructuur van de latere Randstad, zo noemde economisch historicus Jan de Vries het netwerk van kaarsrechte trekvaarten tussen de steden. Twee eeuwen lang bleef de trekvaart een zekere rol spelen, de komst van de stoomtrein was het definitieve einde.
De trekschuiten werden voortgetrokken door paarden op een jaagpad naast de vaart. En naast het jaagpad lag een zandweg, voor karren en wagens, wat nu de N200 is. We rijden de weg af, tot aan de Amsterdamse poort, destijds het opstappunt in Haarlem. En dan naar de andere kant van de stad, naar het beginpunt van de Leidsevaart, tussen Haarlem en Leiden. Toen deze verbinding er eenmaal was, in 1657, was het netwerk compleet. ‘Toen kon je in één dag van Amsterdam naar Den Haag of Rotterdam’, zegt Van der Zee, die medeauteur is van een atlas van de trekvaarten van Zuid-Holland.
We volgen de vaart, kaarsrecht, tot aan een andere, minder bekende Halfweg, een buurtschap van Lisse. ‘De reis tussen Haarlem en Leiden duurde vier uur. Op dit punt werden de paarden gewisseld.’
Langs bollenvelden gaan we, met steeds naast ons het water. We stoppen op een plek waar Van der Zee en anderen twee jaar geleden, in verband met een film, nog een trekschuit lieten varen, voortgetrokken door een paard. ‘Eerst door twee paarden, maar die gingen veel te hard voor dat kleine schuitje.’
Dankbaar materiaal, trekvaart, jaagpad, paard, voor Jacob Maris en andere schilders van de Haagse school, in de 19de eeuw. Een fietser passeert en verdwijnt in de mist boven het voormalige jaagpad. Heel even zie ik er een paard met ruiter in.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant