Omdat de grote steden in hoog tempo dichtgroeien, staan de speelplaatsen zwaar onder druk. Terwijl ze cruciaal zijn voor de sociale cohesie. Twee Rotterdamse architecten zien nieuwe, groene, kansen voor de klassieke speeltuin.
schrijft voor de Volkskrant over architectuur, design en grafische vormgeving.
Het is speelkwartier op het grote plein aan de Schiedamsesingel, ingeklemd door aan de ene zijde een concave wand van vooroorlogse woningen en verderop de fonkelnieuwe Cooltoren van 150 meter hoog. Dit is hartje Rotterdam. Op de speelplaats met baskets, doeltjes, klimtoestellen, bankjes, twee architecten en een handvol leraren klinkt het opgetogen geklater van honderd kinderstemmen.
Het lijkt een alledaags en zorgeloos tafereel, maar dit soort openbare ruimten, die onmisbaar zijn voor sociale cohesie in een wijk, zijn lang niet altijd een vaste waarde in de stad.
‘Speelplaatsen zijn de afgelopen jaren steeds verder in de verdrukking geraakt’, zegt Janna Bystrykh. ‘Zeker in de dichtbebouwde binnensteden zie je deze plekken schaars worden.’ Bystrykh is architect en onderzoeker, net als Sanne van den Breemer. Samen fietsten ze vijf jaar langs ongeveer 250 speelplekken in Rotterdam. Voor hun eind 2024 verschenen boek Play! inventariseerden en fotografeerden ze alles nauwgezet en zo ontstond een soort van designcatalogus van speelruimte in de stad.
Maar Play! is meer, het is een manifest voor meer en multifunctionele speelpleinen. ‘Zonder genoeg speelruimte krijg je geen goede sociale en duurzame stad’, zeggen ze eensgezind.
Er klinkt een ouderwets snerpend fluitje op het plein. Het speelkwartier is voorbij. Bystrykh: ‘Als je hier na vijf uur terugkomt, is dit een totaal ander plein. Dan zie je tieners en jongvolwassenen basketballen en oudere bewoners hun hond uitlaten. Het is een democratische plek, waar jonge en oude Rotterdammers elkaar tegen het lijf lopen.’ In hun architectuurvisie vormen pleinen als deze het sociale cement van de stad.
Uit onderzoek van de stichting Jantje Beton blijkt dat het aantal kinderen dat buiten speelt de afgelopen jaren in heel Nederland is gehalveerd. Dat komt niet alleen door de smartphone, ook het gebrek aan speelruimte eist zijn tol. De stad zoekt voor broodnodige nieuwe woonruimte naarstig naar locaties in de toch al volle binnenstedelijk gebieden. Met de nieuwbouw in en rond de Cooltoren komen er in deze wijk duizend nieuwe inwoners bij, en is er eerder minder dan meer ruimte om te spelen.
‘In de huidige stadsontwikkeling gelden helaas geen harde normen voor het toewijzen van speelruimte per wijk’, zegt Bystrykh. ‘In tegenstelling tot parkeren bijvoorbeeld, daar zijn strenge regels voor. Geen nieuwe woningen zonder extra parkeercapaciteit.’ Speelplaatsen komen meestal niet verder dan ‘zacht’ geformuleerde beleidsvoornemens. En wat zacht is in de stad, verliest meestal het harde gevecht om de dure vierkante meters.
Toch ziet het auteursduo van Play! kansen. ‘Wij pleiten in ons boek om speelplekken te koppelen aan de vergroening van de stad.’ Het netwerk van grote en vele kleine speelplaatsen is bij uitstek geschikt voor meer bomen, waterretentie, biodiversiteit, het bestrijden van hittestress, en hier en daar een volkstuintje om kinderen in aanraking te laten komen met stadstuinbouw. ‘Er zijn al een paar goede voorbeelden, maar wat nu ontbreekt, is een samenhangende aanpak’, zegt Van den Breemer.
De twee architecten telden voor hun boek 1.257 speelplekken in Rotterdam. Ze kwamen tot 6.300 speeltoestellen, van simpele wipkip tot kunstige skatebowl. Plus nog eens tweehonderd objecten in het speeldepot van de stad. ‘Een van de grote verrassingen in ons onderzoek was de toewijding en liefde van de teams speelplaatsbeheer bij de gemeente’, zegt Van den Breemer. ‘Die namen zelf het initiatief om dat depot te beginnen om speeltoestellen een tweede leven te geven.’
Een goed idee, want met name stalen speeltoestellen zijn simpel op te knappen, zodat ze weer jaren dienst kunnen doen. Het was voor de architecten een extra aanmoediging om duurzaamheid en vergroening te koppelen aan de sociale functies van de speelplaatsen in hun onderzoek. Van den Breemer: ‘Daarmee sla je twee vliegen in een klap.’
Een dergelijk nieuw type speelplein ligt naast Het Kasteel, het stadion van voetbalclub Sparta. Het is een weids plein met een fors trapveld, een bescheiden aantal speeltoestellen, een buurthuis, wat groen en veel parkeerplaats. ‘De echte innovatie zit onder de grond’, zegt Bystrykh.
Dit plein doet sinds een paar jaar dienst als Urban Waterbuffer, een enorme ondergrondse opslag waar het regenwater van de parkeerplaats en het stadiondak in loopt. Daar wordt het gefilterd en in de watervoerende laag dieper in de ondergrond opgeslagen. In droge perioden wordt het water gebruikt voor het nathouden van het kunstgras van Sparta en spelen kinderen ermee. ‘Met deze integrale manier van ontwerpen los je meerdere problemen van de stad tegelijk op.’
De auteurs kijken in hun boek terug naar de jaren tachtig. Toen in Rotterdam door landschapsarchitecten veel consequenter werd nagedacht over het ontwerpen van sociale open plekken en speelruimte in de stad. ‘Veel huizenblokken werden toen ontworpen met openbare ruimte in het midden. Maar die zijn vaak in de loop van de jaren dichtgezet vanwege veiligheid of beheersproblemen.’
Toch stond spelen in die tijd wel bij alle stadsmakers veel dwingender op de agenda. Die agenda moet terug, vinden Van den Breemer en Bystrykh, maar dan als een dubbelklapper: harde quota voor speelplaatsen die bijdragen aan de sociale en groene kwaliteit van de stad.
Play! A Cultural Perspective on Design of Playgrounds, Janna Bystrykh, Sanne van den Breemer, nai010 uitgevers, 24,95 euro.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant