Home

De aanval op Hawija: ‘Wanneer de Amerikanen zeggen dat ze het goed vinden, dan gaat Nederland het uitvoeren’

Wat ging er mis bij de aanval van Nederlandse F-16’s op de Iraakse plaats Hawija in 2015, waarbij zeker 70 burgers werden gedood? Waarom duurde het jaren voordat de Tweede Kamer iets hoorde? De commissie-Sorgdrager presenteerde maandag na vier jaar onderzoek haar conclusies.

zijn politiek verslaggever en onderzoeksjournalist van de Volkskrant.

De voorbereiding

In de zomer van 2015 is het maken van geïmproviseerde autobommen een specialiteit van de terreurbeweging Islamitische Staat (IS) in Irak. Ze spuiten auto’s in camouflagekleuren, brengen metalen platen aan en verstevigen de bumpers. Het maken van de bommen zelf is niet zo ingewikkeld: stikstofhoudende kunstmest is goed te verkrijgen, en als je dat mengt met andere stoffen krijg je een explosief. De autobommen maken in die maanden steeds meer slachtoffers, in de binnensteden van Irak en bij militaire checkpoints.

Al in december 2014 krijgen de Amerikanen in de gaten dat Islamitische Staat in twee loodsen in de Noord-Irakese stad Hawija – een IS-brandhaard van gewelddadig verzet – autobommen maakt en wapens opslaat. Besloten wordt om vanaf een luchtmachtbasis in de Amerikaanse staat Virginia de locatie vanuit de lucht in de gaten te houden. Het doel is om te achterhalen of er in de loodsen munitie ligt. En of er burgers in de omgeving van de loodsen wonen of werken.

Maar heldere richtlijnen voor het observatieteam ontbreken. Sterker, anno 2025 is niet meer te achterhalen hoeveel minuten of uren de Amerikanen de loodsen met satellieten of drones hebben geobserveerd. En of er überhaupt wel is gekeken naar de aanwezigheid van burgers in de wijdere zones rondom de loodsen.

Wel is duidelijk dat Hawija in februari 2015 een verzamelpunt is geworden voor vluchtelingen die tevergeefs hebben geprobeerd om Kirkuk te bereiken, waar het Iraakse leger in zijn strijd tegen IS de macht nog in handen heeft. Hulporganisatie International Organization for Migration vraagt in een persbericht publiekelijk aandacht voor deze vluchtelingen. Maar in Virginia lijkt dat de Amerikanen compleet te ontgaan.

In mei 2015 gaat het observatiedossier vanuit Virginia naar een luchtmachtbasis in Florida en naar het Combined Air Operations Center (COAC) in Qatar, het internationale centrum vanwaar de luchtoperaties tegen IS worden aangestuurd. Met software die helpt het aantal te verwachte burgerdoden te berekenen, gaan de militairen aan de slag. Na lang puzzelen lukt het om het aantal te verwachte burgerslachtoffers op nul te krijgen: dan moet de operatie ’s avonds uitgevoerd worden met vijf kleine en één grote bom. De software kent echter een belangrijke beperking: het kan niet uitrekenen wat er gebeurt als de bommen die in de fabriek liggen opgeslagen ook ontploffen.

Eind mei krijgt Nederland voor het eerst van het plan te horen. Een internationale werkgroep op het CAOC bespreekt alle doelen die er op de agenda staan. De Nederlandse militairen die de plannen moeten goedkeuren, de zogeheten red card holders, herinneren zich dat het om een aanval op een industriegebied zou gaan. Twee dagen later krijgen ze het officiële verzoek of Nederland de aanval wil uitvoeren: samen met de Verenigde Staten heeft Nederland als enige de kleine bommen die nodig zijn voor het plan.

De Nederlandse red card holders willen dat de aanval wordt verplaatst van de avond naar middernacht om het risico op burgerdoden nog kleiner te maken. Verder vertrouwen ze op de informatie van de Amerikanen. ‘Wanneer de Amerikanen zeggen dat ze het goed vinden, dan gaat Nederland de aanval uitvoeren’, aldus de Nederlandse detachementscommandant. Alle seinen staan op groen. Volgens de piloot die de aanval moet uitvoeren, is het een ‘vrij standaard strike’.

De aanval

Op 3 juni, vlak na middernacht, laten twee Nederlandse F-16’s hun bommen los. Direct ontploft ook een enorme hoeveelheid munitie in de loodsen. De piloten zien een ‘mega’ secundaire explosie: ‘Ik ben nog steeds verbaasd over wat zich daar heeft afgespeeld’, zegt een van hen tegen de commissie-Sorgdrager, die sinds 2020 de aanval op Hawija onderzoekt. Militairen kijken via onbemande vliegtuigen mee vanuit het CAOC in Qatar. De detachementscommandant houdt er na het zien van de beelden direct rekening mee dat de explosie slachtoffers onder de burgerbevolking heeft veroorzaakt. De nevenschade bij deze aanval overtreft elke verwachting.

Dezelfde dag maakt een Nederlandse F-16 een battle damage assessment (BDA) om de nevenschade vast te leggen. Deze videobeelden zijn niet bewaard gebleven, maar volgens Defensie de volgende dag ‘overschreven’. De Amerikanen hebben hun zogeheten BDA-beelden echter wel bewaard.

In de vroege ochtend van 3 juni is ook het Operatiecentrum in Den Haag ingelicht. De plaatsvervangend Commandant der Strijdkrachten hoort om 08.00 uur dat het aannemelijk is dat er bij de aanval burgerslachtoffers zijn gevallen. In de dagelijkse briefing blijft het woord burgerslachtoffers achterwege omdat dit ‘gevoelige’ informatie is.

Op 4 juni wordt zowel minister van Defensie Jeanine Hennis (VVD) als minister van Buitenlandse Zaken Bert Koenders (PvdA) ‘uitgebreider’ door hun staf over de aanval en over het vermoeden van burgerslachtoffers ingelicht. Koenders ontvangt ook informatie dat de VS vermoeden dat er 18 duizend kilo springstof in de aangevallen loodsen lag. Dat Koenders ‘geen herinnering had’ aan vermoedens van burgerslachtoffers, zoals hij in 2019 stelde, noemt de commissie-Sorgdrager ‘weinig plausibel’.

Beide ministers besluiten het parlement niet te informeren over de wapeninzet, ook niet vertrouwelijk, ‘zolang niet met zekerheid vaststaat dat er burgerslachtoffers zijn gevallen’. Berichten in internationale media, direct na de aanval, waarin ten minste 70 burgerdoden worden gemeld, wordt ‘deels gekarakteriseerd als propaganda van IS’.

Ook in het summiere After Action Report (AAR) dat in Nederland de detachementscommandant verplicht is om na iedere wapeninzet op te stellen, is het vermoeden van burgerslachtoffers niet opgenomen ‘vanwege het ontbreken van hard bewijs’: er zijn geen zichtbare doden. De officier van Justitie van de Koninklijke Marechaussee, met wie de detachementscommandant het rapport moet bespreken, zegt dat dit vermoeden ook niet aan hem gemeld is – de detachementscommandant spreekt dat tegen. En ook het Openbaar Ministerie in Arnhem, dat dergelijke zaken zou moeten onderzoeken, zegt geen melding te hebben gehad.

Het Amerikaanse battle damage assessment, beschikbaar op 5 juni, toont duidelijk omvangrijke schade in een wijdere omtrek van het doelwit – reden voor de VS om een eigen onderzoek naar mogelijke burgerslachtoffers te beginnen.

Op 9 juni worden het concept van het Amerikaanse onderzoek (‘het is geloofwaardig dat er burgerslachtoffers zijn gevallen’), de uitkomsten van een fact-findingmissie van Defensie en de inschatting van de militaire inlichtingendienst MIVD (mogelijk lag er 50- tot 100 duizend kilo springstof in de loodsen) besproken met minister Hennis. Op haar herhaalde vraag of burgerslachtoffers bevestigd zijn, antwoorden de civiele en militaire top dat meer onderzoek dat moet uitwijzen, al zeggen hoge militairen wel dat het onwaarschijnlijk is dat die er niet zijn.

De commissie-Sorgdrager constateert dat Defensie een afwachtende en passieve houding blijft aannemen – ook nadat het definitieve rapport van de Amerikanen op 15 juni wordt vrijgegeven, waarin wordt gesproken over 70 omgekomen burgers. Het Pentagon trekt wél een conclusie en kondigt op 24 juni een uitgebreid, zogeheten Army Regulation 15-6-onderzoek aan naar het targetingproces en de wapeninzet in Hawija.

De ministers en de Kamer

Op 23 juni 2015 stelt Hennis, als antwoord op vragen uit april of Nederland betrokken is bij luchtaanvallen waarbij mogelijk burgerslachtoffers zijn gevallen, dat dit ‘voor zover op dit moment bekend’ niet zo is. Op 30 juni zegt Hennis tijdens een algemeen overleg met de Tweede Kamer dat Defensie tot nu toe ‘eigenlijk’ geen burgerslachtoffers heeft gemaakt. Ze zegt ook: ‘Het is niet zo dat je gelijk een complete woonwijk of regio platlegt. Dat komt door die smart weapons waarover ik sprak.’ Een van haar stafofficieren, die bij de bijeenkomst op 9 juni was, hoort het met verbazing aan.

Als de Kamer vragen stelt over een rapport van de ngo Airwars dat stelt dat er vermoedelijk 70 burgerdoden zijn gevallen, antwoordt Buitenlandminister Koenders dat in een van de Amerikaanse onderzoeken gewag wordt gemaakt van twee burgerdoden, en dat er nog zeven andere onderzoeken lopen waarover hij niets kan zeggen.

Het AR 15-6-rapport wordt (zonder Nederlandse betrokkenheid) eind augustus afgerond en in september van een oordeel voorzien door een Amerikaanse generaal van de operatie tegen IS. Nederland krijgt het rapport pas vier maanden later. Uit de vrijgegeven delen van het rapport wordt het de commissie niet duidelijk hoe het risico op secundaire explosies is gewogen. Het rapport concludeert dat er ‘een overvloed aan bewijs’ is dat er burgerslachtoffers zijn gevallen en doet aanbevelingen zulke aanvallen voortaan met nog meer behoedzaamheid te omgeven.

De Tweede Kamer wordt niet ingelicht over het Amerikaanse AR 15-6-onderzoek. In een voortgangsrapportage van april 2016 wordt de Kamer gemeld dat er twee onderzoeken lopen naar aanvallen met mogelijke burgerslachtoffers, maar niet welke. In maart 2016 krijgt het OM het AR 15-6-onderzoek. Het OM is onaangenaam verrast, want nu begint het veel te laat met het feitenonderzoek. In februari 2018 luidt de conclusie dat het aannemelijk is dat er burgerslachtoffers zijn gevallen en dat de wapeninzet conform het humanitair oorlogsrecht was.

In juni 2017 krijgt de Kamer een vertrouwelijke technische briefing over ‘mogelijke slachtoffers’ als gevolg van Nederlandse inzet. Aantallen worden niet genoemd, alleen het type doelwit. De ‘grote moeite’ die Defensie heeft met transparantie over burgerslachtoffers houdt aan tot de publicaties over Hawija van NRC en NOS in oktober 2019. Dan erkent toenmalig minister Bijleveld dat haar voorganger de Kamer in 2015 onjuist heeft geïnformeerd. Maar ook Bijleveld geeft de Kamer onjuiste en onvolledige informatie, aldus de commissie-Sorgdrager. Alle communicatie over Hawija overziend, stelt de commissie dat er ‘deels juiste, maar met regelmaat ook onvolledige of onjuiste informatie’ is verstrekt.

Een vermeldenswaardig voorbeeld gaat over secundaire explosies. De informatievoorziening daarover was ‘onjuist’. Defensie stelde dat experts vooraf een risicobeoordeling hebben gemaakt op grond van eerdere aanvallen en de ingeschatte hoeveelheid explosieven. Maar volgens Amerikaanse planners was er geen aanleiding om experts te raadpegen omdat er volgens hen geen informatie was dat er zoveel explosief materiaal lag. ‘Volgens hen was Hawija een uitschieter.’

De beeldvorming over de internationale operatie was ‘te rooskleurig’, stelt de commissie en Defensie had te weinig aandacht voor de risico’s. ‘Het ging om deelname aan een oorlog en dat is richting het parlement niet zo benoemd.’

Alles over politiek vindt u hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next