Home

‘Elke dag hang ik aan de deur om lenig te blijven’

Sjoerd van der Velde is 100 jaar. Hoe kijkt deze sportieve twijfelaar aan tegen de eeuw die achter hem ligt?

Sjoerd van der Velde is een man van vaste gewoonten. De 100-jarige begint de dag met ochtendgymnastiek, rijdt elke dag een rondje in zijn auto en in de middag beklimt hij steevast twee trappen om op zolder ‘zwaaioefeningen’ te doen. Al 24 jaar stuurt hij eind december zijn familie, vrienden en kennissen een zelf geschreven jaaroverzicht van het belangrijkste nieuws, in dichtvorm. Met in zijn epistel over 2024 zinnen als:

Het kabinet-Schoof pakt uit, vooral de asielprocedures worden gekort, voor velen wellicht prachtig. Anderen zeer bezorgd, waaronder Brussel, hoezo democratie, is het niet een beetje Orbán-achtig?

U bent nog penningmeester van een Rotaryclub, hoorde ik.

‘Al dertig jaar, voor Rotaryclub Amsterdam-Halfweg, waar ik 58 jaar lid van ben. Wie 100 jaar wordt, verzamelt hoge getallen. Ik doe de boekhouding voor de club én onze stichting voor goede doelen. Al met al heb ik er een paar dagen per maand werk aan. De spreadsheets in excel die ik gebruik, heb ik zelf ontwikkeld.’

Hoe kwam u als boekhouder bij de Rotary terecht?

‘Een directeur van Renold, een multinational waarvoor ik 44 jaar heb gewerkt, maakte mij lid. Bij de Rotaryclub kwam ik in aanraking met ingenieurs, meesters in de rechten en doctorandussen – ik bleek de enige zonder universitaire studie. In het begin voelde ik mij niet erg happy. Ik ben van eenvoudige komaf, waardoor ik niet vol zelfvertrouwen zo’n gezelschap tegemoet treed. Ik keek tegen ze op en stelde mij bescheiden op. Het ongemak lag helemaal aan mezelf, het zat vooral in mijn hoofd.

‘Op een goed moment zei ik tegen mezelf: ‘Sjoerd, je vertelt de clubleden je levensbericht, wie je bent en waar je vandaan komt, dat is een gebruik bij de Rotary. Afhankelijk van de reacties, beslis je of je lid blijft.’ Ik vertelde dat ik ben opgegroeid in een arbeidersgezin van hardwerkende ouders. Dat ik de mulo heb gedaan, in de oorlog drie jaar heb verloren en daarna naast mijn fulltimebaan vier avondstudies volgde, tot mijn 35ste: Nederlandse en Engelse handelscorrespondentie, boekhouden, moderne bedrijfsadministratie én een studie voortgezet economisch onderwijs. De reacties op mijn verhaal waren hartverwarmend. Ik besloot te blijven.

‘Kort erna werd ik gevraagd als voorzitter. Toen dat erop zat, kreeg ik een oorkonde en voelde ik mij er helemaal bij horen. Afgelopen december hebben de Rotaryleden mij in de watten gelegd voor mijn 100ste verjaardag. Ik werd benoemd tot excel-lentie.’

De Rotary sloot lange tijd vrouwen uit van lidmaatschap.

‘Ik was er groot voorstander van vrouwen wel toe te laten, waarom niet? Nadat het bestuur daartoe had besloten, kondigden drie leden aan op te stappen. Maar zodra de eerste drie vrouwen kwamen, stonden zij vooraan om hen welkom te heten. De mannen gingen minder haantjesgedrag vertonen, ook in discussies. Het wordt overigens steeds lastiger nieuwe leden te werven. Jonge mensen hebben al grote netwerken, via sociale media, en zien de Rotary als een oudemannenclub.’

Had u ook in uw werk last van onzekerheid?

‘Na verschillende baantjes na de oorlog kwam ik op het Amsterdamse kantoor van Renold terecht, leverancier van aandrijftechniek voor alles wat in beweging moet worden gebracht, van een fiets, een motor, noem maar op. Zonder deze onderdelen komt de hele wereld tot stilstand. Al snel viel ik op, omdat ik van alle boekhouders van de buitenlandse vestigingen als eerste de jaarbalans klaar had. Van het hoofdkantoor in Engeland kreeg ik uitdagende opdrachten. Elke keer dacht ik: kan ik dat wel? Dat is de onzekerheid die je als arbeiderskind meekrijgt. Maar ik greep elke kans aan en groeide in mijn werk.

‘Ik werd gevraagd de boekhouding van overgenomen buitenlandse agentschappen op één lijn te krijgen. Jarenlang werkte ik perioden in Brussel, Düsseldorf, Zürich, Kopenhagen, Stockholm en Barcelona. Bij Renold had ik drie bijnamen: in Amsterdam ‘Flying Dutchman’, in Engeland ‘Troubleshooter’ en in Duitsland ‘Feuerwehr’.

‘Eén detachering was een verschrikking, in Gijón in Noord-Spanje. Het kostte mij een paar jaar van mijn leven. Tegen mijn vrouw Jannie zei ik: ‘Als ik niet uitkijk, ga ik eraan onderdoor.’ Renold was in Gijón een joint venture aangegaan. Het bedrijf liep niet en moest gesaneerd worden. Dat pikten de arbeiders niet. Ze verbrandden autobanden op straat en gijzelden de directeur. De spanningen op het bedrijf vraten aan mij. Uiteindelijk heeft Renold zich teruggetrokken. Ik mocht die periode in Gijón wonen, maar dat aanbod sloeg ik af; ik wilde elke vrijdag terug naar huis, naar mijn gezin in Haarlem. Dat heb ik aan de oorlog overgehouden.

‘Drie jaar voor met pensioen, op mijn 62ste, werd ik gevraagd als directeur van het kantoor in Amsterdam. Ik deed het, wéér met de nodige twijfels of ik het wel zou kunnen. Twijfelen is de aard van dit beestje. Ik bracht het er goed van af.’

Wat heeft u van uw ouders meegekregen?

‘Discipline en eerlijkheid; als je iets zegt, moet je het ook doen. Ik was een straatjongen. We woonden aan de rand van Haarlem, je liep zo het weiland in, waar ik graag ging slootjespringen. Van mijn moeder moest ik na school altijd meteen mijn huiswerk maken. Ze zette mij aan een tafeltje in de keuken, vanwaar ik niet naar buiten kon kijken. Als mijn huiswerk af was, mocht ik de straat op. Van de discipline die mijn moeder mij heeft bijgebracht, heb ik mijn hele leven profijt gehad.

‘Mijn vader werkte als onderhoudsmonteur bij drukkerij Joh. Enschedé. Mijn moeder moest van zijn magere weekloon een gezin met drie kinderen zien te voeden. We aten elke dag aardappels en groente, en gortepap toe. Eens in de zoveel tijd kregen we op zaterdag een haring, dan was het feest.

‘Elke zaterdag kreeg mijn vader zijn loonzakje – dat gaf hij meteen aan mijn moeder. In de crisisjaren dertig was het iedere week weer spannend of er een briefje in zat dat hij niet meer hoefde terug te komen. De een na de ander werd werkloos. Gelukkig behield mijn vader zijn baan, de drukkerij kon niet zonder onderhoudsmonteur.

‘Ik hield van voetballen, als er geen bal was, schopte ik tegen steentjes. Dit tot wanhoop van mijn moeder; schoenen met kale neuzen zijn geen gezicht! We waren erg zuinig op onze spullen, elke zaterdag poetsten we onze schoenen. Ik wilde graag op een voetbalclub, HFC Haarlem, maar de contributie van 12 gulden per jaar konden mijn ouders niet opbrengen. Van de penningmeester mocht ik elke maand 1 gulden betalen, dat was wel te doen. Ik herinner me nog de allereerste avondwedstrijd met lichtmasten. Een sensatie! De directeur van de lokale kousenfabriek, meneer Hin, had ze gefinancierd.’

U vertelde dat u door de oorlog niet langer dan een werkweek van huis wilde.

‘Die oorlog heeft een enorme impact op mij gehad. In 1943 moest ik voor de arbeidsdienst die de Duitse bezetter had ingesteld, in Hardenberg geulen graven. Na een half jaar werd ik naar Duitsland gestuurd, waar ik als metselaar en stukadoor moest werken voor een bouwbedrijf in Wuppertal, een industriestad die zwaar werd gebombardeerd door de geallieerden. Bij aankomst zag ik vuur en rook, een deel van de stad lag in puin. Al de eerste nacht was er een luchtalarm en moest ik de schuilkelder in.

‘Tegen het einde van de oorlog vlogen de hele dag vliegtuigen laag over de stad. Op een dag was er weer luchtalarm, iedereen rende naar de schuilkelder, maar ik besloot vanuit de deuropening van het huis waar ik aan het werk was, naar de jachtbommenwerpers kijken. Een toestel draaide en kwam recht op mij af, ik zag wolkjes – dat betekende mitrailleurvuur. Doodsangsten stond ik uit. ‘Dit was het – mijn laatste uur heeft geslagen’, dacht ik. Maar de bommen bleken bestemd voor het station achter het huis.

‘Er waren zoveel momenten in die tweeënhalf jaar in Duitsland dat ik dacht: ‘Hoe gaat dit aflopen, kom ik ooit weer thuis?’ Tot op de dag van vandaag denk ik elke keer dat ik wegga: als ik maar weer thuiskom. De heenreis is waardeloos, de terugreis is altijd een feest.’

Hoe komt u zo vitaal?

‘In de eerste plaats heb je goede genen nodig. Mijn vader is 98 geworden, zijn overgrootvader 97, mijn moeder 90, mijn broer 95. Op de tweede plaats is het een kwestie van actief blijven en veel bewegen. Ik heb altijd veel gewandeld. In alle Europese steden waar ik heb gewerkt, ging ik ’s avonds nooit aan de bar van het hotel zitten, maar wandelen. Al die binnensteden kan ik uittekenen.

‘Tot mijn 93ste fietste ik elke zaterdag een rondje Zandvoort van 30 kilometer, ik keek eerst hoe de wind stond. Fietsen gaat helaas niet meer. Wel maak ik iedere dag een ommetje met de auto, op het drukste moment van de dag. Zo word je niet bang het verkeer in te gaan. Ik houd van rijden en ga nog met de auto naar mijn vriendin, de Rotary en mijn dochter in Emmen.

‘Elke ochtend doe ik gymnastiek en in de middag ga ik naar de zolder voor zwaai-oefeningen, daar hang ik ook aan de deur om lenig te blijven.’

Een jonge vriendin zal ook helpen?

(Zijn 74-jarige vriendin Maayke, luisterend op de bank, begint te lachen.) ‘Alleen is niks. Maayke houdt mij jong. We gaan het land door voor concerten en musea. Ik eet vaak bij haar, ze kan lekker koken. Eens in de twee weken eet ik bij de Rotary, tussendoor kook ik zelf en zo huppel ik verder. Natuurlijk heb ik zorgen gehad in mijn leven, maar meestal was ik blij – dat ben ik nog.’

Sjoerd van der Velde

geboren: 15 december 1924 in Haarlem

woont: zelfstandig, in Haarlem

familie: twee kinderen, zes kleinkinderen, elf achterkleinkinderen

beroep: financieel manager

weduwnaar sinds 2011

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next