Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Hoofdinspecteur en projectleider Astrid Hettema (59) trof tussen heroïneverslaafde mannen een hoogzwanger meisje.
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Heel gek, maar het incident dat mij het meest is bijgebleven, is relatief onschuldig. Ik heb achttien jaar op straat gewerkt en ben met ernstige zaken geconfronteerd: grof geweld, dodelijke ongelukken, moorden, noem maar op. Maar het incident dat mijn kijk op het vak heeft veranderd, daar kwam geen bloed aan te pas, geen wapen, geen misdaad. En toch maakte het diepe indruk op me.
‘Ik was hoofdagent en reed met een student van de politieschool door de Indische buurt in Amsterdam toen we de melding kregen van overlast in een junkenpand. We belden aan, er werd keurig opengedaan. Zoals in alle junkenpanden was het er een smerige boel. In de woonkamer zaten ongeveer tien mannen heroïne te gebruiken. In die buurt woonden destijds veel Antillianen en Marokkanen, dus meteen viel op dat achter in de hoek een jong, blond, hoogzwanger Nederlands meisje zat.
‘Drugsgebruik werd in die tijd gedoogd. We trokken destijds alleen de namen van de verslaafden na, controleerden of iemand gesignaleerd stond of openstaande boetes had, en noteerden hun verblijfplaats in ons politiesysteem. Dus ik zei tegen de stagiair: ‘Trek jij de namen na, ik kijk even rond.’ Vervolgens keek ik in het keukentje en de slaapkamers of ik ergens babyspullen zag, een wieg of melkflesje, maar er was he-le-maal niks.
‘Daarna ging ik naar het meisje en vroeg: ‘Heb je hulp nodig? Ben je onder controle van een arts?’ Nee, antwoordde ze, ze had geen hulp en die wilde ze ook niet. Ze ontweek mijn blik, durfde me niet aan te kijken. Misschien ook omdat ze geen problemen wilde veroorzaken met al die mannen die daar zaten. Die bemoeiden zich overigens niet met ons.
‘Omdat we verder niks konden doen, reden wij terug naar het bureau. Maar dat meisje bleef door m’n hoofd spoken. Ik dacht vooral: wat gaan ze straks met dat kindje doen? Want wij krijgen weleens te maken met mensen die ongewenst een baby hebben gekregen, die je dan bijvoorbeeld aantreft in een container of zoiets. Het klinkt misschien hoogdravend, maar ik dacht: dat gaat in míjn dienst niet gebeuren. Dus ik zei: ‘We gaan terug.’
‘Een halfuur later stond ik weer in dat huis. Het meisje zat nog steeds op dezelfde plek. Om haar bij die mannen weg te halen zei ik: ‘Zullen we even met z’n tweeën ergens praten?’ Maar dat wilde ze niet. Toen stelde ik voor: ‘Dit is geen goede situatie voor jou. Als ik jou naar een opvangplek kan brengen waar jij rustig naar je bevalling toe kunt leven, ga je dan mee?’ Toen keek ze me voor het eerst aan en antwoordde: ‘Ja.’
‘Ik heb die dag allerlei instanties gebeld, de ggd, blijf-van-mijn-lijfhuizen, allerlei ziekenhuizen, maar tevergeefs. De volgende ochtend kreeg ik het Leger des Heils in het centrum van Amsterdam aan de lijn, zij hadden een plek vrij in de opvang voor ongewenst zwangere tienermoeders. Ik reed meteen naar dat junkenpand in de Indische buurt, pakte de hand van dat meisje en zei heel stellig: ‘Jij gaat met me mee.’ Ze aarzelde even, maar stond op en ging zonder tegenstribbelen achter in onze politiebus zitten. Ik zat naast haar en vertelde onderweg waar we naartoe gingen. Ze bleef heel gereserveerd en in zichzelf gekeerd, achteraf bleek dat ook zij verslaafd was.
‘Een hulpverleenster van het Leger des Heils ving ons op en nam het meisje mee naar haar kamer. Ze groette me niet meer en verdween zonder omkijken uit mijn blikveld.
‘Omdat het me niet losliet, belde ik twee weken later of ik mocht langskomen. Dat mocht. Ze ontving me in haar kamer en ik vroeg hoe het ging. Ze was nog niet bevallen. Wel was ze medisch onderzocht, met het kindje ging alles goed. Ze beantwoordde mijn vragen, maar tot een echt gesprek kwam het niet. Ik zei: ‘Veel succes met de bevalling’, en stond vijf minuutjes later alweer buiten.
‘Kort daarop belde ik weer naar het Leger des Heils: hoe gaat het met haar? Ik kreeg te horen dat het meisje was bevallen en met haar baby naar een familielid in Limburg was gegaan. Daarna kon ik het loslaten.
‘Dit incident kwam als eerste bij me boven, omdat ik denk dat ik haar uitzichtloze leven op een cruciaal moment de goede kant op heb geduwd. Burgers kunnen zichzelf soms niet redden, kennen niet altijd goed de weg in de maatschappij. Wij wel. Dat is mijn intrinsieke motivatie en dat zou iedere agent goed voor ogen moeten houden: politiemensen kunnen echt het verschil maken in een mensenleven. De ellende in de samenleving kan ons weleens aanvliegen, maar telkens als het lukt om één mens uit de shit te redden, maakt dat alle ellende weer goed. Dat is ook voor jezelf heel waardevol. Dan realiseer je je: dit beroep doet ertoe.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant