Dat een groepje machtige mannen op een goed moment de wereld in de fik zou steken, zag ze wel aankomen, schreef Rebecca Shaw deze week in The Guardian. Maar wat ze nooit had kunnen vermoeden, was dat het ‘zulke enorme losers’ zouden zijn. Genadeloos fileert ze de beschamende manier waarop Elon Musk en Mark Zuckerberg de hielen likken van Trump, met als conclusie dat we ‘pesten weer terug moeten brengen’. Een vrouw naar mijn hart, dat zult u begrijpen.
Over de auteur
Sander Schimmelpenninck is journalist, ondernemer en columnist van de Volkskrant. Eerder was hij hoofdredacteur van Quote. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier de richtlijnen van de Volkskrant.
Een andere vrouw naar mijn hart is Doortje Smithuijsen. Zij schreef vorige week een vermakelijk essay in deze krant over cringe, in haar woorden het ‘psychologische verschrompelen, het plaatsvervangend ineenkrimpen, het woordeloze ongemak’. Dat stuk zal vermoedelijk vooral herkenbaar zijn voor millennials, maar u zal inmiddels gewend zijn aan onze navelstaarderij.
Het verband tussen de kneuzigheid van radicaal-rechts en cringe zit hem erin dat de meeste mensen er blijkbaar géén last van hebben. Cringe is niet gelijkelijk over de samenleving verdeelt: het herkennen van de algehele treurigheid van radicaal-rechts lijkt – net als cringe – voorbehouden aan progressieve hoger opgeleiden die, zoals Smithuijsen omschrijft, zich daarbij heel eenzaam kunnen voelen.
Maar belangrijker nog: cringe lijkt progressievelingen ook in politieke zin dwars te zitten. Het probleem is namelijk dat vooral publiekelijk geuite goede bedoelingen uit de eigen kring cringe lijken op te roepen. Het gevolg daarvan is dat cringe-angst mensen weerhoudt stelling te nemen, zich uit te spreken en de prioriteiten op orde te houden. Men blijft hangen in ironie, gemakzuchtig relativisme en een desinteresse waar het privilege van afdruipt. Tegelijkertijd zet cringeblind radicaal-rechts zichzelf vol overtuiging voor lul. En met succes, want het grote publiek voelt nu eenmaal geen cringe.
Cringe of niet cringe lijkt, zeker bij mensen in de media, belangrijker dan goed of slecht. Zo steekt men meer energie in het neersabelen van mensen als Rutger Bregman of Joris Luyendijk die, ondanks hun evident goede bedoelingen en punten, zó op de cringespier werken dat men zich daar niet overheen kan zetten. Progressieve cringe is daarmee weinig anders dan het domrechtse Geenstijlnihilisme, met dien verstande dat men daar wel de rijen sluit als het erop aankomt. In het front tegen deugen is progressieve cringe een welkome bondgenoot.
Ondertussen bestaat extreemrechts vrijwel uitsluitend uit wérkelijk cringy en zwaar gemankeerde figuren, zoals Shaw terecht constateert. Thierry Baudet heeft er nooit een geheim van gemaakt vroeger gepest te zijn, van Elon Musk weten we dat hij geradicaliseerd is nadat zijn zoon als vrouw door het leven wilde, en ook bij Wilders zit er van alles mis, als we zijn eigen broer Paul mogen geloven. Van Sywert van Lienden tot Ronald Plasterk; het verband tussen persoonlijke of publieke afwijzing en radicalisering is evident. Welk gelukkig mens besluit nou van de ene op de andere dag extreemrechtse idioten naar de mond te gaan praten?
Nu is het natuurlijk goed dat progressieve mensen een drempel voelen om mensen aan te vallen op hun evidente sneuheid en zich verre willen houden van pestgedrag. Maar je kunt ook overdrijven. Nederlanders lijken zo gewend aan politici als Wilders en Van der Plas, dat we massaal vergeten lijken te zijn wat voor belachelijke schertsfiguren het eigenlijk zijn. Maar zolang de cringe zich vooral op de eigen stammenstrijd richt, waarin overigens wél alle middelen zijn geoorloofd, blijft het een vorm van cynisme waar we in deze tijd helemaal niks aan hebben. Jullie zetten je er dus maar overheen, ironische millennials, want we hebben jullie hard nodig.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant