Tijdens zijn reizen ontmoette verslaggever Olaf Tempelman tal van mensen die op zoek bleken. Ze zochten rust, liefdevolle affectie of vooral zichzelf. Vaak vonden ze dat niet op hun eindbestemming, maar terloops, al onderweg of helemaal niet. Tempelman besloot zijn ervaringen te boek te stellen.
is redacteur van de Volkskrant. Hij is de maker van de onregelmatig verschenen reeks 'Aardse Paradijzen'.
Tien jaar geleden gleed bij de controle op Schiphol een gids over Tahiti uit mijn rugzak. Op de cover een wit tropisch strand. Een Schipholman dook naar de grond en riep spontaan: ‘Gaat u daar naartoe? Mag ik mee?’ Een cover kan een wereld aan verlangens opwekken. Of niet. Het is me ook een keer gebeurd dat bij zo’n controle een gids over Bulgarije op de grond viel, maar toen wilde niemand mee.
Ongeveer een week nadat die Tahiti-gids een Schipholmedewerker jaloers had gemaakt, luisterde ik vlak bij een zwart tropisch strand – Tahiti heeft geen witte stranden – naar het levensverhaal van een Franse vrouw. Zij was uit Europa vertrokken vanwege een gemis aan warmte, in vele betekenissen. Ze had verlangd naar een heerlijke tropische bries, maar nog meer naar menselijke warmte, naar liefdevolle relaties.
Eenmaal op Tahiti werd ze ongelukkig. Ze zei toen iets wat me altijd is bijgebleven: het is vervelend om zomaar ergens ongelukkig te zijn, maar echt vervelend is het om ongelukkig te zijn op een plek waar je voor geluk heen was gereisd – een plek waarover het idee heerst dat het leven er mooi is. Als dat ‘mooie leven’ daar voor jou uitblijft, ga je jezelf verwijten maken dat je iets verkeerd doet en dan voel je je extra ongelukkig.
Ik ben de tel kwijtgeraakt van het aantal reizigers dat mij door de jaren heen tijdens vertrouwelijke gesprekken onderweg vertelde dat ze juist op een tropisch strand ongelukkig waren. Dat heeft volgens mij niets te maken met een geheimzinnige bijwerking van kokospalmen: deze vorm van ongeluk kan reizigers treffen op alle plekken waar een gemis hen heen kan drijven. Je hebt mensen die op reis gaan omdat ze liefde en warmte missen, die weg willen uit een kille en eenzame wereld. Je hebt ook mensen die op reis gaan omdat ze rust en spiritueel geluk missen, die weg willen uit een gestreste materialistische wereld waar iedereen aan het werk is in kantoortorens.
Zulke reizigers liepen op een glibberig pad dat door een woud met ceders, behangen met van nevel druipende slierten mos, naar een illuster boeddhistisch klooster in het koninkrijk Bhutan voerde. Die reizigers hadden geanticipeerd op iets dat op drieduizend meter hoogte uitbleef. Zo euforisch als hun stemming was tijdens de klim, zo terneergeslagen was die tijdens de afdaling. Ik dacht toen: zo’n omslag kan alleen plaatsvinden als er een gemis in het spel is – als mensen zich bij een bestemming zoveel voorstelden dat ze die bovenaan hun bucketlist zetten van wat ze in dit leven écht niet willen missen.
Bhutans toerismebranche was gaan inspelen op het imago van bucketlistbestemming voor spiritueel zoekende reizigers. Halverwege het pad stond een enorm billboard: Visiting this place will bring you peace and spiritual health. Voor de reizigers was het volgens mij beter geweest als dat bord daar nooit was neergezet. Immers, de belofte van geluk maakt het ervaren ervan alleen maar moeilijker. Spiritueel geluk, dat je nadrukkelijk najaagt, kan je misschien nog wel makkelijker door de vingers glippen dan ‘gewoon geluk’.
We kunnen glimlachen om reizigers op Tahiti of in de Himalaya, maar flink wat vakantiegangers zijn bekend met de essentie van deze ervaring. Die kan mensen net zo goed overvallen op een camping in Frankrijk, op een terras in de Italiaanse Cinque Terre of in een resort op Bali. Als je ergens makkelijk ongelukkige mensen aantreft, dan is het onder degenen die op reis zijn gegaan om te genieten, te ontspannen of om deelgenoot te worden van een speciaal soort vervulling die ze thuis missen. Als iets weerbarstig blijkt, dan is het wel vervulling op reis. Als mensen op reis genieten, is dat vaak niet op plekken waar ze naartoe gingen om te genieten. Rust en ontspanning blijken ingewikkelde kwesties.
Als iets een taboe is, dan is het helaas wel tegenslag op reis. Was dat niet zo, dan zouden minder mensen pochen over ‘het allermooiste kampeerplekje van Frankrijk’ of ‘het heerlijkste terras van Zuid-Europa’, of geluk veinzen op bucketlistbestemmingen waar mensen in alle drukte met selfiesticks op elkaar botsen. Ik hoorde een verhaal over iemand die twee weken ziek was geweest in Thailand, maar er toch in was geslaagd op sociale media een droomvakantie te etaleren door slim te woekeren met de foto’s en filmpjes uit de eerste twee dagen. We zouden in een mooie wereld leven als een fractie van het geëtaleerde geluk echt was.
Ik denk dat als mensen meer eerlijkheid zouden betrachten over hoe ze zich echt op reis voelden, ze anders zouden gaan reizen, omdat er minder ideeën zouden worden rondgepompt over wat we niet mogen missen.
Vroeger had de Volkskrant een reiskatern dat Traject heette. Daarin stond een keer een verhaal van een man die op weg was naar een of ander hoogtepunt van de wereld waar hij hoopte op vervulling. Onderweg zag hij de zon op een treinstation vallen. Het strijklicht veroorzaakte dermate onverwacht een prachtig gevoel dat hij tegen de conducteur verklaarde: ik wist niet dat we op dit station zouden stoppen, maar hiervoor ben ik op reis gegaan! Later op de dag arriveerde hij op het hoogtepunt van de wereld en uiteraard faalde het mooie gevoel juist dáár acte de présence te geven.
Ik had dat verhaal nooit onthouden als ik de ervaring niet had herkend. Ik was nog een scholier op interrail toen ik vanuit het treinraam de mooiste dingen zag, terwijl we op weg waren naar iets ‘wat we niet mochten missen’. Later was ik voor deze krant correspondent in Oost-Europa en krabbelde op reis altijd opschrijfboekjes vol. Elke keer als ik daar naderhand doorheen bladerde, was ik weer verbluft dat ik van veel van de mooiste dingen die ik had gezien vooraf het bestaan niet kende. Elke keer was ik weer verbaasd dat veel van de interessantste dingen die ik had gehoord níét uit de monden waren gevloeid van ‘de belangrijke mensen’ met wie ik vooraf interviewafspraken had gemaakt, maar van de mensen met wie ik volkomen toevallig aan de praat was geraakt. Ik noemde dat verschijnsel de Grootheid van de Wereld.
Toch moet ik nog altijd oefenen om weerstand te bieden aan ideeën die de wereld kleiner maken, aan ideeën over wat we beslist niet mogen missen. Voor mijn 40ste was ik, één reis uitgezonderd, nooit buiten Europa geweest. Ik kende mensen die door India hadden gereisd. Die drukten mij op het hart géén bezoek te brengen aan de attractie-die-je-niet-mag-missen, de Taj Mahal, het paleis van de liefde, bucketlistbestemming par excellence: vreselijke wachttijden, vreselijke bewakers, vreselijke drukte, je stoot je de hele tijd aan selfiesticks. Kijk in India goed om je heen en je ziet de mooiste gebouwen waar niemand anders naar kijkt!
Maar missen is een kunst op zich. Ik zat in de trein van Delhi naar Bhopal toen die stopte op het station van Agra, waar je eruit moet voor de Taj Mahal. Alle wagons stroomden leeg. Ik bleef als enige in een leeg treinstel achter. Toen de trein zich weer in beweging zette, had ik het ineens moeilijk. Er schoot een titel van een Elvis-verzamelelpee door mijn hoofd: 50.000.000 Elvis Fans Can’t Be Wrong! Dat was mijn kennismaking met een kwaal die in deze tijd zoveel mensen treft dat die in de Van Dale is beland onder de naam ‘fomo’: fear of missing out.
Het is makkelijk fomo af te doen als een luxeprobleem van bevoorrechte mensen en de bucketlist als een typisch verschijnsel van verwende samenlevingen. Mensen die in groten getale op reis gaan omdat ze ergens iets willen ervaren van een mooier leven, behoren tot de zeer recente geschiedenis. Tot in de 20ste eeuw was de plezierreis voorbehouden aan enkele dames en heren die nooit zelf hun koffers inpakten maar wel meerdere keren per dag hun gelaat bepoederden. Mensen die wél zelf hun koffers inpakten, reisden uit noodzaak of gingen een dagje naar zee of logeren bij een tante in de provincie.
Elke week komen in de Volkskrant 100-jarige Nederlanders aan het woord die zich nog prachtige reizen herinneren zoals hun onvergetelijke tocht naar het dorp van tante, 40 kilometer verderop. Die interviews met die 100-jarigen zijn zo fascinerend omdat ze ons rechtstreeks terugvoeren naar een andere tijd – een tijd waarin het gewoon was je te voegen naar de mores van een levenscyclus. Zelden of nooit vroegen die mensen zich af: ben ik niet bezig iets te missen? Of: doe ik wel waar het echt om gaat? Of: haal ik wel uit mijn leven wat erin zit?
Dat er desondanks vervuldheid in die interviews zit, komt volgens mij doordat die 100-jarigen in één opzicht bevoorrecht waren: ze leefden nog niet in een wereld waarin de hele dag verlangens werden gewekt naar mooiere vormen van leven – op billboards op straat, in bestsellers over waarachtig geluk, in feelgoodfilms uit Hollywood, in reclames op tv, in ontelbare digitale vitrines en in de prachtige levens die digitale vrienden etaleren op sociale media.
In bijna elk taalgebied bestaat de uitdrukking dat alles zo zijn prijs heeft. Mensen van vroeger kenden vele soorten ongemak, maar ze hadden het voordeel dat ze niet dagelijks op zo veel manieren konden leren dat ze niet waren waar ze moesten zijn. Dat mensen die meer vrijheid en welvaart hebben dan ooit toch onvrede en onvervuldheid ervaren, heeft te maken met een fors aanbod aan ideeën over hoe hun leven óók zou kunnen zijn.
Van de Roemeense schrijver Ana Blandiana komt het inzicht dat het probleem met geluk in de moderne wereld is dat mensen blootstaan aan een overrompelend aanbod om hen erbij weg te houden. In dat aanbod wemelt het van de routekaarten naar wat de Amerikaanse schrijver Norman Mailer ‘the sweet of life’ noemde.
Wee de mensen die met een routekaart naar the sweet of life vertrekken. Halverwege de serie die ik voor deze krant maakte over plekken die westerse mensen als aardse paradijzen aanzien, besefte ik dat ik eigenlijk bezig was aan een reeks over gemis in westerse maatschappijen. Het verhaal over Tahiti ging over gemis aan affectie, het verhaal over Bhutan over gemis aan spiritueel leven, het verhaal over Cuba ging over een gemis aan bevlogenheid.
Aardse paradijzen bestaan niet, weet u net zo goed als ik. Maar mensen met ideeën over plekken op aarde waar hen vervulling wacht, bestaan wél. Ik bedacht toen dat ik aan de hand van al die reizigers een boek zou moeten schrijven over alles wat ogenschijnlijk bevoorrechte mensen missen: van liefde, affectie en geborgenheid tot verlichting, geestdrift en visie.
Dat mensen met een routekaart het mooie leven vaak niet vinden, komt volgens mij omdat een sterk idee van wat je wílt ervaren bewustzijnsvernauwing in de hand werkt. Het kan mooi zijn iets te ervaren, de pest is het per se wíllen ervaren. Er gaat veel voorbij aan mensen die iets niet willen missen. Maak serieus werk van wat je niet mag missen en je mist de mensen die tegenover je zitten in de trein en de onopvallende schildering op het dak van het busstation van de stad waar geen enkele Instagramreiziger lyrisch over was.
Ik bedacht toen dat een boek over dat gemis tegelijk een pleidooi zou moeten zijn voor iets waar we wat aan kunnen hebben: de kunst van het missen. In gesprekken die ik door de jaren heen onderweg voerde, ontdekte ik iets typisch: reizigers bewaren vaak hun dierbaarste herinneringen aan plekken die ze eigenlijk hadden willen overslaan, waar ze lage verwachtingen van hadden of waar ze per ongeluk belandden omdat ze de bus naar hun bucketlistbestemming hadden gemist, of omdat iets waarvan ze droomden hen door de vingers was geglipt. Serendipiteit is de klassieke term voor het vinden van iets wat je niet zoekt. Veel reizigers arriveerden net zo per ongeluk op hun mooiste bestemmingen als Alexander Fleming de penicilline ontdekte.
‘Je mist veel meer dan je meemaakt’ is een in Nederland veelgeciteerde uitspraak van wijlen columnist Martin Bril. Het probleem met die uitspraak is de suggestie van het bestaan van een heldere grens waarbij het meemaken ophoudt en het missen begint. Het minste wat je over zo’n grens kunt zeggen, is dat die arbitrair is en dat er ideeën aan ten grondslag liggen.
Elke dag dat het Louvre in Parijs open is, etaleren hordes bezoekers waar zij die grens zien lopen. In de buurt van Mona Lisa hangen schilderijen die louter worden bekeken als de menigte rondom het schilderij waar het echt om gaat te groot is om er een blik op te kunnen werpen. Zodra museumgasten de kans zien tot Mona Lisa door te dringen, glippen ze bij niet-essentiële schilderijen weg zoals receptiegasten wegglippen bij niet-essentiële gesprekspartners.
Bijna iedereen die wel eens een receptie bezocht, is bekend met gasten die midden in een gesprek ineens weg zijn. Zulke mensen hebben dan iemand gezien waar het echt om gaat. De eerste keer dat ik op een receptie van de Nederlandse ambassade in Boekarest ineens alleen stond, dacht ik dat de man met wie ik stond te praten onwel was geworden – tot ik hem daarna zag staan bij een bekende tv-commentator die net was binnengekomen.
Reizigers met een sterk idee van waar het echt om gaat, zijn bereid daar ver voor te gaan. Omdat ze zich zoveel moeite getroosten van een mooier leven deelgenoot te worden, geven ze hun idee daarvan niet makkelijk op, ook al zien ze dingen die ermee in tegenspraak zijn. Om een idee over een mooier en beter leven overeind te houden, nemen zulke reizigers desnoods hun toevlucht tot zelfbedrog.
In de Himalaya wemelt het van de reizigers die een wereld hopen te vinden waarin stress en irritatie niet bestaan. Ik zat in een hotel waar de wifi haperde. Bij de receptie verzamelden zich boeddhistische monniken met telefoons. Eén monnik was zo boos dat hij met zijn iPad naar de receptionist uithaalde. Ik zei toen tegen een medereiziger: ‘Moet je kijken, die monniken zijn boos omdat er geen wifi is.’ Toen legde deze westerse reiziger mij uit dat die monniken anders boos zijn dan wij westerse stressmensen, ze hebben er een speciale bedoeling mee.
Mensen die op reis per se een mooiere wereld willen vinden, zijn goed in wegkijken, maar ook in ‘extra kijken’; die voegen een mooi idee toe aan een minder mooie realiteit. Er was een Nederlandse hoogleraar die op Cuba per se een communistisch paradijs wilde zien, maar daar helaas lange rijen aantrof voor voedsel. En daarom legde hij uit dat Cubanen, in tegenstelling tot Polen of Roemenen, voor hun plezier uren in de rij staan.
Veel eigentijdse reizigers treffen paradijzen aan in Arabische emiraten als Dubai of Abu Dhabi met spectaculaire attracties en shoppingmalls met 40 meter lange watervallen. Helaas is het moeilijk daar niet óók mensonterende toestanden te zien. Er liggen Nepalese bouwvakkers op het asfalt, Pakistaanse bewakers staan er de hele dag in de brandende zon. Daarom legden Nederlanders die naar Dubai verhuisden me uit dat het voor Pakistanen een eer is om in de Arabische woestijn als bewaker te mogen werken, en voor Nepalezen helemaal.
Westerse reizigers die in de Braziliaanse deelstaat Bahia een warmere en liefdevollere wereld wilden zien, legden mij uit dat mensen daar bewúst geen portemonnees dragen – het is geen armoede, het is levenskunst. Zelfbedrog kan minstens zoveel vormen aannemen als gemis bij westerse mensen. Het mooie van reizen is dat het ons de kans biedt ons te verbinden met mensen die overal vandaan kunnen komen. Een idee van waar het echt om gaat, vermag het ons helaas zomaar weg te halen bij de mensen die we écht tegenkomen, uit de wereld waarin we echt mogen rondlopen.
Ik bewaar zulke mooie herinneringen aan dat gesprek met de Franse vrouw nabij dat zwarte strand op Tahiti omdat zij dat óók had ontdekt. Toen ze het idee had losgelaten dat Tahiti een paradijs moest zijn, was het beter met haar gegaan. Op een dag had ze een bezoek gebracht aan de botanische tuin. Daar was ze eindeloos blijven kijken naar twee oude reuzenschildpadden. De manager van de tuin zag haar naar die schildpadden kijken en had haar toen gevraagd of zij zich over hun verzorging wilde ontfermen. Ineens wist ze het: ik wist niet dat hier reuzenschildpadden woonden, maar voor hen ben ik naar Tahiti gekomen! In de manager van de botanische tuin, die ook uit Frankrijk kwam, had ze daarna een goede vriendin gevonden.
Zonder die schildpadden was ze ongelukkig teruggegaan naar huis, zei ze zonder enige pathos. Ik denk dat ik zonder dat mooie gesprek vlak bij dat zwarte strand met een treurig gevoel dit tropische eiland had verlaten, want Tahiti oogt op veel plekken als een betonnen buitenwijk van Marseille waar meer mensen overgewicht hebben dan in Kentucky.
Mijn mooiste momenten in het bucketlistkoninkrijk Bhutan beleefde ik toen ik per ongeluk van de bucketlistreizigers wegdreef. Maar de mooiste momenten op reis beleefde ik meestal op plekken die nooit op bucketlists belanden. Een van de mooiste landen die ik ken is Bulgarije, een van mijn favoriete plekken ontdekte ik doordat mijn auto daar ooit kapotging. Ik vertelde dat een keer aan een andere reiziger. Die reageerde toen: ‘dat is toch heel gewoon? Zo gaat dat toch altijd, bij iedereen?’ Als dat zo is, dan is het goed om het een keer op te schrijven.
Het oudst bewaarde document waarin het mooie woord valt voor het vinden van iets waar je helemaal niet naar op zoek was, serendipiteit, is een brief van de Engelse graaf Sir Horace Walpole uit 1754. Daarin beschrijft hij een magnifieke onverwachte ontdekking met een verwijzing naar het oude Perzische sprookje ‘De drie prinsen van Serendip’. Die drie prinsen worden door hun vader de koning op reis gestuurd om voor hem een tovergedicht te vinden dat voorgoed de draken zal verjagen in de zee om zijn eiland. Dat tovergedicht laat zich lastig vinden, maar die prinsen doen op reis ondertussen wel, in een adequate samenvatting van Walpole uit 1754, ‘ontdekkingen van dingen waar ze niet naar op zoek waren’. Voor mij hebben die prinsen een voorbeeldfunctie: ze zijn grootmeesters in de kunst van het missen.
‘De kunst van het missen. Waarom aardse paradijzen niet gelukkig maken’ van Olaf Tempelman is verschenen bij Athenaeum, Polak & Van Gennep.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant