Het heerschap dat mij had uitgenodigd zat op me te wachten aan een tafel bij het raam. Ik schudde zijn hand en ging tegenover hem zitten. Vrijwel onmiddellijk kwam er een kelner bij ons staan. ‘Wil jij ook tarbot?’, vroeg het heerschap mij. Dit leek me niet het juiste moment, noch de juiste plek om te informeren naar welke tosti’s ze hadden, dus ja, tarbot will do.
De kelner verdween en kwam een paar ogenblikken later terug met twee borrelglaasjes gevuld met een bruine vloeistof. Het was een amuse van vleesjus. Was het de bedoeling dat we dit in één keer zouden achteroverslaan? Ik volgde het voorbeeld van mijn tafelgenoot en nam een klein slokje.
Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Toen begon hij te hoesten. Het begon als een kuchje en ging vervolgens van proest naar een paniekerig blafje. Hij had zich verslikt in de vleesjus en kwam er nu niet meer uit. Ik bleef ondertussen vertellen over wat ik tot nu toe had gedaan vandaag. ‘Nou, ik heb dus net een column geschreven... maar ehm, misschien moet je nog even een slokje water nemen?’ Hij knikte en nam een slok water. Ik keek naar mijn vleesjus en besloot die even te laten voor wat het was.
Tussen het hoesten door vroeg mijn tafelgenoot wat voor sport ik deed. ‘Surfen?’, vroeg hij. Ja, ook surfen, maar eigenlijk nauwelijks hier in Nederland, maar... o, misschien moet je weer even een slok water nemen? Hij kreeg tranen in zijn ogen, verontschuldigde zich, stond op en verdween naar het toilet.
Alleen bleef ik achter, met op tafel het halve glaasje vleesjus dat mijn tafelgenoot misschien wel fataal aan het worden was. Ik keek om me heen, wist me geen houding te geven en richtte mijn blik uiteindelijk maar op de grijze buitenlucht.
Minuten verstreken. Wat als mijn tafelgenoot aan het sterven was geslagen? Wanneer zou ik bij hem moeten gaan kijken? En wat als het te laat was? Zou ik dan de wereld moeten uitleggen hoe mijn tafelgenoot, een eminent figuur in de literaire wereld, het loodje had gelegd door een shotje vleesjus? Zou ik mijn tarbot nog wel krijgen? En wie zou de rekening moeten betalen?
‘Nou, dan ga ik ook maar’, zou ik zeggen, als de ambulance was vertrokken.
‘Wacht even, meneer,’ zou de kelner zeggen, ‘er staat nog een rekening open.’
‘Nou, volgens mij werd ik uitgenodigd voor deze lunch, dus die hoef ik dan ook niet te betalen.’
‘Nou, volgens mij is uw tafelgenoot dood.’
‘En hoe is dat mijn probleem?’
‘Kom zeg, u heeft net gewoon de tarbot zitten opeten.’
‘En die was erg lekker, ja, heel goed bedacht ook met die bloemkool erbij zo. Maar ik ga niet betalen.’
‘Wat gênant dit.’
‘Nou, zeg dat wel.’
Terwijl ik steeds verder wegzonk in deze geestelijke patstelling, ging mijn tafelgenoot weer zitten. Hij kuchte, maar leefde in ieder geval nog. We pikten de draad van het gesprek weer op. ‘Nou, ik surf dus niet zo veel in Nederland, maar toen we in Portugal woonden, lag ik wel drie, vier keer per week in het wa...’ Toen begon hij weer te hoesten.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant