Home

Godfried Bomans volgens zijn biograaf Gé Vaartjes: ‘Wat een treurig leven was het eigenlijk’

In 2000 kreeg Gé Vaartjes het verzoek de biografie van Godfried Bomans te schrijven. Het duurde even, maar Vleugelman is een prachtig portret geworden van de schrijver, de minnaar en de vader – wiens enige dochter door een andere man blijkt verwekt. En er viel meer te ontdekken.

is chef Boeken bij de Volkskrant.

Op vrijdagmiddag 24 december 1971, het was bijna Kerst, beleefde de parochiekerk van de Allerheiligste Drieëenheid in Bloemendaal de drukste dag in haar bestaan. Buiten dromden honderden mensen samen in de winterzon, binnen zaten en stonden er nog eens honderden. Voor in de kerk lag Godfried Bomans in zijn doodskist, met zes enorme kaarsen om hem heen en een bloemstuk van het Koninklijk Huis boven zijn hoofd.

Een paar dagen eerder was hij na een partijtje schaak bij vrienden ’s avonds laat thuisgekomen en op de bank neergevallen, ‘doodsbang en benauwd’, schrijft Gé Vaartjes in zijn biografie Vleugelman, die 24 januari verschijnt. Zijn vrouw Pietsie had de dokter gebeld, die in allerijl een hartspecialist opriep. Tijdens het maken van een cardiogram was Bomans’ hart gestopt met kloppen. De schrijver, in heel Nederland beroemd door zijn sprookjes, door zijn boeken Pieter Bas en Erik of Het klein insectenboek, door zijn stukken voor onder meer de Volkskrant en Elsevier, door zijn talloze lezingen in het land en vooral door zijn veelvuldige optredens in radio- en tv-programma’s waar destijds miljoenen mensen naar luisterden, keken en hartelijk om lachten, was 58 jaar.

Gé Vaartjes (70) weet nog precies waar hij was toen hij op 22 december 1971 het nieuws van Bomans’ overlijden hoorde. Hij wijst naar het raam van zijn in 1910 gebouwde huis in Boskoop, dat uitzicht biedt op een grote tuin: ‘Dáár stond ik, waar nu die tafel staat. Ik woonde nog bij mijn ouders in Heerlen maar was hier op bezoek bij mijn kinderloze oom en tante, van wie ik veel later dit huis heb gekocht. In de kerstvakantie van 1971 was ik hiernaartoe gekomen om de kerstdagen met hen door te brengen. Het was aan het eind van de middag. Ik was net binnen toen via de radio het bericht van zijn dood kwam.

‘Gek is dat, hè, dat ik dat nog zo precies weet, zoals mensen dat hebben met grote gebeurtenissen. Het deed me echt wat. Ik heb er in mijn dagboek nog een aantekening over gevonden, in januari 1972: dan schrijf ik dat ik er nog steeds mee bezig ben. Terwijl ik Bomans niet persoonlijk kende. Wil je een stukje banketstaaf bij de thee? Eventjes warm gemaakt in de oven?’

Toen Bomans’ kist na afloop van de mis naar het Sint-Adelbertuskerkhof werd gedragen, holden mensen uit alle lagen van de bevolking op het trottoir met de rouwstoet mee en werd er ongegeneerd gehuild, schrijft Vaartjes in Vleugelman. Kinderen klommen in de bomen om maar niets van de laatste momenten van Bomans te hoeven missen. Tijdens de kerstdagen die volgden, bezochten duizenden mensen het verse graf en op 27 december 1971 deden de kranten uitgebreid verslag van de begrafenis – behalve de Volkskrant, de krant waarvoor Bomans toch decennia had gewerkt.

De ingezonden brief die Simon Carmiggelt over deze merkwaardige stilte stuurde, werd niet geplaatst. Wel kreeg Carmiggelt een zo mogelijk nog merkwaardiger persoonlijke reactie van hoofdredacteur Jan van der Pluijm. Het beleid was, schreef Van der Pluijm, dat alleen ‘zeer bijzondere begrafenissen met een duidelijk nieuws-element’ aandacht in de Volkskrant kregen.

Met deze anekdote sluit Gé Vaartjes zijn prachtige biografie af. In de pagina’s ervoor wekt hij het Nederland tussen 1913 en 1971 tot leven: het katholieke studentenwereldje in Amsterdam (waar Bomans met grote tegenzin rechten studeerde en intussen Pieter Bas schreef) en Nijmegen (waar hij psychologie deed en intussen aan Erik of Het klein insectenboek werkte), het dagelijks leven tijdens de Tweede Wereldoorlog, het journalistieke en artistieke milieu van de jaren vijftig en zestig.

Maar vooral vertelt hij het verhaal van een uiterst onzeker en faalangstig jongetje dat vluchtte in zijn fantasie, zich ontpopte tot de populairste schrijver van het land en uiteindelijk ten onder ging aan zijn eigen succes: voortdurend werd van alle kanten aan Bomans getrokken, en meestal won de ijdelheid van het verstand.

Godfried Bomans kwam op 2 maart 1913 in Den Haag ter wereld als vierde kind van de fanatiek katholieke, van zichzelf vervulde en verbaal zeer begaafde advocaat en politicus Johannes (Jan) Bomans en de al net zo katholieke, strenge en afstandelijke Arnolda (Nols) Reynart. Van de zeven kinderen die het echtpaar kreeg, overleden er twee; het tweede meisje toen het zeven maanden was, de oudste jongen op zijn 9de, waarna Godfried, toen 8, de eerste zoon des huizes werd. Zijn leven lang zou hij een diep verlangen koesteren naar de jaren daarvóór, naar het paradijs van zijn allervroegste jeugd. Ook zou hij zijn leven lang gebukt gaan onder de jaren daarna, met een vader die zijn zoon vooral het gevoel gaf dat hij niks kon en een moeder die haar kinderen in emotioneel opzicht verwaarloosde.

Inclusief noten telt Vleugelman 824 pagina’s. Nog maar een paar maanden geleden waren dat er 1.400, zegt Vaartjes terwijl hij de warme banketstaaf op mooie oude schoteltjes legt. ‘In het laatste stadium is er zó veel uitgevlogen, bladzijden vol. Annette Portegies van Querido, die de redactie deed, heeft rücksichtslos geschrapt. In goede harmonie, hoor, ik ben haar innig dankbaar, een biografie is geen anekdotenverzameling. Maar die laatste maanden waren heel pittig: terwijl ik nog aan het schrijven was, moest ik met pijn in het hart ook al gaan slopen. Kill your darlings, zeggen ze dan – nou, ik voelde me een massamoordenaar.’

Neerlandicus Gé Vaartjes werkte 35 jaar als docent in het middelbaar onderwijs en promoveerde in 2010 op zijn biografie Rebel & dame van de Nederlandse schrijfster Top Naeff. Eerder verdiepte hij zich in het werk van de auteurs Herman de Man en Ina Boudier-Bakker. Veel spullen uit de inboedel van Boudier-Bakker zijn in zijn woning beland, zoals haar porselein (vandaar die schattige schoteltjes) en diverse meubels, waaronder de kast waarin Vaartjes zijn Bomans-archief heeft ondergebracht.

Op de dikste map in die kast staat met viltstift ‘Maria Gude’ geschreven. Hij bevat kopieën van meer dan vierhonderd brieven die Bomans vanaf 1947 schreef aan de illustratrice die hij had leren kennen nadat ze hem een bewonderend briefje had geschreven, en met wie hij tot vlak voor zijn dood een liefdesrelatie had. Ze was niet de enige vriendin, wel de langdurigste. Die brieven doken afgelopen voorjaar op, toen Vaartjes zijn boek bijna af had en hij Gudes nichtje benaderde met een vraag over de bronvermelding van het handjevol brieven dat hij van haar inmiddels overleden tante had gekregen.

‘Ik wist dat er veel méér brieven moesten zijn, maar Maria had ze bijna allemaal laten veilen. Toen ik haar nicht mailde, antwoordde die met: wat fijn dat u contact opneemt, want ik heb onlangs nog wat brieven gevonden, een stuk of vijf, zes. Ze vroeg of ze nog even verder zou zoeken. Ja graag, zei ik. En toen trof ze in een doos honderden fotokopieën aan van alle brieven die Bomans aan haar tante had gestuurd. Ik denk dat Maria Gude totaal vergeten was dat ze die kopieën had, anders had ze ze mij zeker laten zien; ik heb haar een aantal keren gesproken en we hadden een prettig en open contact.

‘Ik was ontzettend blij met de vondst, omdat die brieven a. zo’n lange periode bestrijken en b. heel persoonlijk zijn. Brieven zijn een enorm belangrijke bron, ik weet niet hoe toekomstige biografen dat moeten doen. Maar de vondst betekende wel dat ik een flink deel van het boek moest herschrijven.’

Dus werd Vleugelman uitgesteld, voor de tweede keer: eigenlijk had Vaartjes zijn biografie al in december 2021 willen publiceren, rond Bomans’ vijftigste sterfdag. ‘Dat was iets te enthousiast, ik had meer tijd nodig. Maar het is ook weer niet zo dat ik 25 jaar aan Bomans heb gewerkt, zoals je weleens leest. Ik ben wel al in 2000 door Michel van der Plas gevraagd die biografie te schrijven, maar toen moest ik nog beginnen aan mijn proefschrift over Top Naeff, en dat was pas klaar in 2010. Die eerste tien jaar deed ik nog niet zo veel aan Bomans, ik heb alleen wat gesprekken gevoerd.’

Zelf had journalist en schrijver Van der Plas in 1982 al een deelbiografie (tot 1945) geschreven over Bomans, die hij goed kende. Vaartjes: ‘Het tweede deel wilde hij niet maken, het kwam te dichtbij en ik denk dat hij ook geen zin had in al die liefdesaffaires die Bomans er in zijn volwassen leven op na hield. Hij vroeg mij omdat hij mijn biografie over Herman de Man goed vond, en heeft daarna de zaakwaarnemers van mevrouw Bomans op mijn spoor gezet.’

En mevrouw Bomans zelf, Pietsie Verscheure?

‘In 2001 ben ik voor het eerst bij haar in Bloemendaal op bezoek geweest, het was net een sollicitatiegesprek. Ze deed open, gaf een handje, draaide me haar rug toe, liep de lange gang door en zei: ‘Voor mij had het niet gehoeven, hoor. Maar híj had het natuurlijk wel leuk gevonden.’ Daarmee had ik haar toestemming in feite binnen. Het gesprek verliep wat stroef en dat is eigenlijk steeds zo gebleven. In totaal heb ik vier gesprekken met haar gehad, ondanks die stroefheid waren ze lang en indringend. Het laatste gesprek was in 2013. Ze is pas een paar jaar geleden overleden, 101 jaar oud.’

‘Pietsie Bomans is nooit een weduwe geweest die in de openbaarheid trad, ze gaf geen interviews, ze draafde nergens op. Maar ze schikte zich in die biografie, ze begreep ook wel dat het niet langer kon wachten: in 2000 leefden er nog ooggetuigen die ik kon interviewen, zoals de weduwe van Bomans’ oudste vriend Harry Prenen, en zijn vriend Herman van Run.

Dochter Eva Bomans, geboren in 1960, heeft de publiciteit altijd net zo geschuwd als haar moeder. Ook bij de officiële presentatie van Vleugelman, op 2 februari in Haarlem, zal ze niet aanwezig zijn, zegt Vaartjes: ‘Ik had haar graag het eerste exemplaar willen geven, maar ze wil echt niet. Van Eva had er ook geen biografie hoeven komen.’

In Vleugelman onthul je dat Godfried Bomans niet de biologische vader van Eva is. Dat is beeldend kunstenaar Mari Andriessen, goed bevriend met het echtpaar Bomans, die Pietsie na vijftien jaar huwelijk ‘het kind gaf waar ze zo hevig naar verlangde en dat Bomans haar gunde’.

‘In kleine kring was dat wel bekend, Eva zelf heeft het gehoord toen ze 17 was, maar ik geloof dat er verder nooit over gesproken werd. Dat had je vroeger; nu wordt alles expliciet gemaakt, maar in die tijd niet. In de vriendenkring werd met Bomans ook niet gesproken over al die affaires die hij met vrouwen had. Pietsie kwam er pas na zijn dood achter, toen ze brieven vond.’

Het eerste exemplaar gaat dus niet naar Eva, maar wel naar presentator en journalist Paul Witteman. Niet omdat hij een neef van Mari Andriessen is, maar bij wijze van genoegdoening. In zijn biografie beschrijft Vaartjes hoe Witteman op zijn 12de de beroemde Bomans ging interviewen voor de schoolkrant. Het gesprek kwam op schaken en Bomans vertelde hem dat hij eens remise had gespeeld tegen wereldkampioen Max Euwe. Hij gaf Witteman een papiertje mee waarop hij de partij had genoteerd. Witteman raakte dat papiertje kwijt, waarna Bomans hem woedend schreef dat hij hem ‘als overleden’ beschouwde. Vaartjes: ‘Zoiets doe je toch niet met een jongetje van de schoolkrant? Dat hij kwaad was dat die schaakpartij zoek was, begrijp ik. Maar dit is echt horkerig.’

Is je beeld van Bomans veranderd in al die jaren dat je met hem bezig was?

‘Ja, dat is wel wat opgeschoven naar… negatief is een te sterk woord, maar ik ben wel kritischer naar hem gaan kijken. Toen ik in de afgelopen weken de drukproeven doornam, viel me weer op hoe je in de loop van dat leven bepaalde trekken steeds ziet terugkomen, zoals dat pesterige gedrag van hem, dat neerbuigende, dat arrogante toch ook. Bomans kon mensen zich op een nare manier ongemakkelijk laten voelen.

‘Ik weet ook waar het vandaan komt, het is natuurlijk allemaal onzekerheid en angst, dus er is een tweespalt in hoe ik naar hem kijk: enerzijds erger ik me aan dat corpsballerige, aan die verkeerde humor ook soms, en aan de andere kant denk ik: het was zó’n verscheurd en gekwetst iemand: kun je het hem kwalijk nemen? Ik wil ook niet over hem oordelen, hoor. Ik oordeel in het hele boek niet of nauwelijks.’

‘Ach, arme jongen’, zegt Pietsie als Bomans net gestorven is. Die woorden vallen vaker.

‘Bijvoorbeeld als hij in Nijmegen studeert en ’s avonds laat verregend aanklopt bij een medestudente, Maps Valk. Ze laat hem binnen en hij vraagt of ze het niet griezelig vindt dat hij nu in haar kamer zit. Hoezo, zegt Maps. Nou, antwoordt Godfried, omdat ik weleens verliefd op je zou kunnen worden. Maar ik niet op jou, roept Maps lachend. Ze zegt later dat ze hem op dat moment een ‘arme jongen’ vond en dat hij er bij zat als ‘een clown op een leeg podium’ – een prachtige beeldspraak. Je hebt van die filmsterren of andere mensen in de spotlights tegen wie iedereen opkijkt en over wie je naderhand hoort: wat een treurig leven was het eigenlijk. Dat vind ik bij Bomans ook.’

Godfried Bomans heeft schitterend geschreven over zijn vader, die van 1917 tot 1929 voor de Katholieke Staatspartij lid van de Tweede Kamer was en zich daarna aan een enorme, vijftien delen tellende romancyclus zette – een project dat grandioos mislukte en waarover in het gezin nimmer werd gesproken. Toen Godfried Bomans zelf aan het schrijven was geslagen en hij zijn vader beschroomd het manuscript van zijn debuut Pieter Bas in een blauw lintje overhandigde, keurde die het geen blik waardig. Zo staat het althans beschreven in De man met de zwarte das. Als Bomans de scène in interviews beschreef, waren de details soms anders (het lintje was ook weleens rood), maar de vader bleef een boeman.

In Vleugelman is vader Bomans ook een boeman, maar toch een stuk betrokkener dan de zoon deed voorkomen. Vaartjes: ‘Hij heeft Pieter Bas wel degelijk gelezen: hij vond het zelfs mooier dan de Camera Obscura. Maar dat vind ik dan terug in het dagboek van vader; het kan best zijn dat Godfried daar niets van wist.’

Je citeert ook uit een brief van vader Bomans aan Godfried over Erik of Het klein insectenboek, waarover hij heel positief is.

‘Hij gunt zijn zoon het succes van Erik, maar hij vindt ook dat Godfried beter jurist had kunnen worden en zijn studie niet moet verwaarlozen.’

Maar volgens Godfried…

‘…was die vader alleen maar een afschuwelijke klootzak. Dat is het beeld geworden. In werkelijkheid lag het wellicht genuanceerder. Ik citeer uit openhartige brieven die Bomans aan zijn vader stuurt op moeilijke momenten in zijn leven, bijvoorbeeld wanneer hij het klooster in wil, of als hij het heeft uitgemaakt met een vriendin. Zo schrijf je niet aan een vader met wie je geen enkele band voelt.’

Bomans is wel verweten dat hij nooit een dikke roman schreef. Kan het zijn dat hij door die romancyclus van zijn vader zo’n afkeer van het genre had gekregen dat hij het niet eens wilde proberen?

‘Hij kon het gewoon niet. Hij had er het geduld niet voor. Ik gebruik nergens medische termen, dat moet je als biograaf nooit doen, maar er zit toch iets manisch-depressiefs in de man. Hij pakt iets aan, is eventjes helemaal vervuld en laat het dan weer los. Met die vrouwen was het ook zo, aan elke vriendin schreef hij hetzelfde: dat hij zo moe was, dat hij van alles moest, dat hij veel liever bij haar zou zijn en hoe fijn het was dat hij eindelijk iemand had gevonden die hem echt begreep – en daarna kwam er weer een nieuwe.

‘Ik heb dat gezeur over dat hij romans had moeten schrijven overigens nooit begrepen. Bomans’ kracht lag nu juist in korte stukken. Over Carmiggelt zegt niemand dat hij alleen maar Kronkels schreef. In mijn literatuurgeschiedenisboek van de middelbare school werden Bomans, Carmiggelt en Annie M.G. Schmidt in één piepklein stukje bij elkaar behandeld. ‘Humoristen’, stond erboven. Dat zegt iets over het sneue literaire wereldje van toen: humor was geen literatuur. Te licht.’

Moeder Bomans komt eendimensionaler uit je boek dan de vader. Ik vond één passage waarin iets aardigs staat, wanneer ze in de oorlog brood voor Godfried bakt, verder is ze vooral kil en hard.

‘Een moeder die later zegt dat ze geen kinderen had willen hebben. Die cadeautjes in krantenpapier verpakt, die het thuis nooit gezellig maakt, die geen bloemen in huis wil want ‘over drie dagen zijn ze toch uitgebloeid en moet ik ze weggooien’ – dan heb je geen talent voor genieten.’

In je boek trekt een lange rij vriendinnen voorbij, meestal had Bomans er meerdere tegelijk. Maar ook suggereer je dat hij als minnaar tekortschoot – zijn vriend Harry Mulisch nam in verband met Bomans het woord impotent in de mond. Freud zou er wel raad mee weten.

‘Absoluut. Bomans hunkerde vooral naar aandacht en troost, naar geborgenheid, hij wilde gekoesterd worden: terug naar de moederschoot. Dat zegt hij ook expliciet, hij schrijft zijn vriendinnen hoe hij ‘in ze wil wegkruipen’, ‘aan hun borsten wil drinken’. Ik citeer uit een brief aan Tanja Wolbers-Saalborn, die hij in de jaren vijftig ontmoet: ‘Als je bij mij bent, zie ik alles in je, ook een grote zachte moeder, die haar kind in haar lichaam opneemt en hem daaruit opnieuw geboren laat worden.’ Aan dat citaat heb ik niets toegevoegd, de lezer mag zelf bepalen hoe hij dit interpreteert.’

Heb je het hier ook met Pietsie Bomans over gehad?

‘Nee, dat kon niet. Daarover praten was onmogelijk. Ze heeft een heleboel treurigheid met hem meegemaakt, ze kon nooit van hem op aan, hij liet haar overal buiten, hij sloeg zelfs op de vlucht op de avond voor hun kerkelijk huwelijk zou worden ingezegend – maar ze hield van hem. Ik denk dat een heleboel eigentijdse vrouwen hier niks meer van snappen, die onderdanigheid bijna, die overgave, maar het was een andere tijd. En Pietsie was zoals ze was.’

En je beeld van Bomans als schrijver, in hoeverre is dat veranderd?

‘Daar is vooral bewondering gegroeid. Voor zijn Sprookjes had ik die al, die zijn van hoog niveau en verdienen veel meer waardering. Zijn Dagboek van Rottumerplaat is literatuur van de bovenste plank. Veel van zijn korte stukken zijn nog altijd messcherp. Oké, Pa Pinkelman, de strip die hij voor de Volkskrant maakte, daar kwam ik bijna niet doorheen; die is gedateerd. Maar wat ik pas de laatste jaren goed ben gaan bestuderen, zijn zijn columns voor de krant.

‘Jeroen Brouwers heeft eens geschreven dat Bomans in zijn columns nooit één zinnig ding had gezegd waar je wat aan had, dat hij nooit een visie ontvouwde. Nou: het is een en al visie. Hij was zeer geëngageerd, op zijn manier, alleen was dat een manier die in de jaren zestig niet altijd aansloeg, omdat hij vaak behoudend was, niet stellig was en dingen in twijfel trok.’

Je zou ook kunnen zeggen dat hij de nuance zocht – daar wel.

‘Precies, hij was in die stukken ongelooflijk genuanceerd. Hij was bijvoorbeeld uitgesproken anticommunist, maar als er dan kritiek komt op Gagarin, de Russische kosmonaut, verzet hij zich ertegen. In de oorlog vangt hij onderduikers op – maar hij keert zich óók tegen de manier waarop met moffenhoeren wordt omgegaan. Hij durfde tegen de eigen zuilen in te gaan, hij schreef over CO2 en milieu op een manier die nu profetisch overkomt. Ik vind hem in die columns bijna voorbeeldig. Het morele kompas dat hij in het dagelijks leven vaak miste, functioneerde in zijn werk uitstekend.’

En het liegen?

‘Dat deed hij niet eens bewust. Pathologie is ook een vorm van ziekte, maar het was niet zo dat hij dacht: ik ga de mensen eens lekker voor de gek houden. Het zat zó in die man, liegen was zijn tweede natuur. Hij gebruikte de ironie als wapen, en de fantasie als compensatie voor alles wat het leven onaangenaam maakte.’

Op 10 juli 1971, een half jaar voor hij stierf, vertrok Godfried Bomans naar het onbewoonde eiland Rottumerplaat, op uitnodiging van de Vara en de Avro voor hun radioprogramma Alleen op een eiland. Zeven dagen en nachten zat hij grieperig in zijn tentje, terwijl buiten de wind woei en de meeuwen schreeuwden. Hij voelde zich ellendig, maar kwam ook met zichzelf in het reine.

In zijn proloog citeert Vaartjes uit het Dagboek van Rottumerplaat: ‘Ik heb veel aan vroeger gedacht, vooral aan mijn jeugd. Ik zie nu beter dan eerst en nú eigenlijk pas goed, dat ik ben wie ik ben en dat het zo heeft moeten zijn. Ik heb geen wrevel, geen spijt en geen wrok meer tegen het verleden.’ Een week later, op zaterdagavond 17 juli 1971, was Bomans weer thuis. ‘Binnen de boeken en buiten de wind’, noteerde hij opgelucht in zijn Dagboek.

Die zin wilde Vaartjes lang als titel gebruiken. ‘Maar ik heb toch voor Vleugelman gekozen, de titel van een van zijn sprookjes, omdat die nog meer de essentie van zijn persoon weergeeft. Het sprookje gaat over iemand die in de hemel wil komen zonder dood te gaan. Bomans vond het verlangen mooier dan de vervulling en gaf het leven vleugels via de fantasie – of de leugens, als je het met een hard woord wilt benoemen. Die had hij nodig om die bittere werkelijkheid aan te kunnen. Want in feite, met al zijn grappen en grollen en humor, vond hij het leven meestal verschrikkelijk.’

Gé Vaartjes: Vleugelman – Godfried Bomans 1913-1971. Querido Facto; 824 pagina’s; € 45. Verschijnt op 24 januari.

Op 2 februari om 14.30 uur wordt Godfried Bomans in Haarlem herdacht tijdens een programma waaraan onder anderen Paul Witteman, Coen Verbraak, Gé Vaartjes, mezzosopraan Ilona Stokvis en pianist Jan Jaap Kassies deelnemen. Kaarten zijn te koop via de website van de Kennemer Boekhandel.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next