Maandag zal Donald Trump beëdigd worden als president van de Verenigde Staten, en dat belooft weinig goeds voor de wereld in het algemeen en Nederland in het bijzonder. Zijn vaste voornemens zijn erg genoeg, zoals zijn lak aan klimaatbeleid, zijn voornemen tot het instellen van handelssancties her en der, en zijn (vooralsnog verbale) militaire agressie. Maar zijn onvoorspelbaarheid is misschien nog erger. Hoe afhankelijk zijn we eigenlijk van de Verenigde Staten?
Deze vraag stelt het Centraal Planbureau (CPB) in een studie naar de economische verwevenheid met de VS, die eind vorig jaar verscheen. Enerzijds brengt die verwevenheid voordelen met zich mee. Maar anderzijds is de verwevenheid uitgelopen op een ‘toenemende eenzijdige
afhankelijkheid’ die Nederland ‘kwetsbaar’ maakt. De studie, schrijven de economen, is de eerste in een reeks waarin de economische relatie van Europa en Nederland met de VS zal worden uitgediept.
Hoezo? Waarom moet die relatie plots onderzocht worden? Dat schrijven de Haagse economen er niet bij – uit piëteit allicht. Het antwoord daarop zal maandag beëdigd worden.
Het CPB bekeek vier terreinen in de relatie tussen de VS en Europa en Nederland: het financieel stelsel, technologie, defensie en handel. Op elk van deze terreinen is de Nederlandse economie sterker met de VS verweven dan de rest van Europa. Tussen Nederland en de VS gaan jaarlijks kapitaalstromen heen en weer van duizelingwekkende omvang, meer dan 1.000 miljard.
Voor Nederlandse banken, verzekeraars en pensioenfondsen zijn de VS met afstand de belangrijkste markt. Omgekeerd gebruiken Amerikaanse
ondernemingen Nederland als financiële springplank in Europa.
De VS zijn het leidend in technologische vooruitgang. Ruim vier op de tien nieuwe patentaanvragen in de wereld wordt door de VS gedaan, tegen dertien op de honderd door Europa en een op de honderd door Nederland.
Nederland profiteert enerzijds van de technologische ontwikkelingen in de VS (door simpelweg de Amerikaanse technologie te gebruiken), maar Europa ‘is voor technologieën als cloudcomputing, quantumcomputing en artificiële intelligentie afhankelijk van de VS’.
De VS zijn met een marktaandeel van bijna 40 procent bovendien de grote wapenexporteur in de wereld; in Nederland is het Amerikaanse marktaandeel zelfs 66 procent. De defensieafhankelijkheid is daarom niet te onderschatten.
Ook op handelsgebied, tenslotte, zijn de banden innig. Maar verrassend genoeg valt de kwetsbaarheid op dit gebied mee. De VS zijn weliswaar de belangrijkste handelspartner van Nederland buiten Europa (belangrijker ook dan China), maar de bulk van de buitenlandse handel drijft Nederland sinds jaar en dag binnen Europa.
Al deze wederzijdse vervlechting is vooral voordelig, zeker als die plaatsheeft tussen Nederland en een stabiele en verstandige partner. Maar als daaraan een steekje los raakt, wat dan?
Het CPB gebruikt drie hulpvragen om te kijken of die relatie dan kwaad kan. Eerste vraag: gaat het om zaken met een strategisch economisch belang? Bij kapitaalstromen, defensie en allerlei (computer)technologie luidt het antwoord uiteraard bevestigend.
Tweede vraag: zijn er alternatieven? Als je makkelijk Europese straaljagers of clouddiensten zou kunnen kopen dan is de strategische afhankelijkheid van een malle partner niet zo belangrijk. Maar dergelijke substituten zijn in Europa niet voorhanden. De laatste vraag: wat zijn de risico’s als er met die zaken iets misgaat?
Het CPB geeft op deze vraag nog geen antwoord maar belooft in ‘toekomstige studies’ dieper in te gaan op ‘de gevolgen wanneer specifieke risico’s werkelijkheid worden’. Het grootste specifieke risico wordt maandag tot president benoemd. Ik ben daarom benieuwd naar die vervolgstudies.