De eerder aangekondigde stakingen van apotheekmedewerkers zijn in elk geval komende week van de baan, maar daarmee is de kou niet uit de lucht. In de beroepsgroep heerst diepe onvrede over het loon dat niet meegroeit, terwijl de overheid daar wel geld voor beschikbaar stelt. Waar is dat geld gebleven?
is politiek verslaggever van de Volkskrant en schrijft over de volksgezondheid.
Het is een beroepsgroep die zelden staakt, maar afgelopen maanden was het de apotheekmedewerkers menens. Met opeenvolgende acties en stakingen maken ze duidelijk dat ze klaar zijn met de hoge werkdruk en, bovenal, hun salaris dat de inflatie niet kan bijbenen.
Ook deze week leek er een nieuwe golf stakingen aan te komen omdat de cao-onderhandelingen over een hoger salaris nog altijd muurvast zitten en de vakbonden weinig vertrouwen in een doorbraak hadden. Door het hele land zouden opnieuw apotheekmedewerkers in verschillende regio’s tegelijk het werk neerleggen.
Maar ineens was er donderdag wat beweging. Minister van Volksgezondheid Fleur Agema en minister van Sociale Zaken Eddy van Hijum stuurden oud-PvdA-minister Martin van Rijn op de onderhandelende partijen af om de vastgelopen onderhandelingen vlot te trekken. Hoewel Agema benadrukte dat de overheid ‘geen partij’ is aan de onderhandelingstafel klonk in haar reactie begrip voor de apotheekmedewerkers en erkende ze dat de ‘salarissen achterblijven’.
Voor de bonden bracht Agema’s reactie nieuwe hoop. Vrijdag maakten ze bekend dat de stakingen voorlopig van de baan zijn. Maar een uitweg is ook nu ver weg. Nog altijd is er weinig beweging te bespeuren en hangt de vraag boven de markt waar het geld voor de apotheekmedewerkers precies is gebleven.
Het is namelijk niet dat er helemaal geen geld is. Elk jaar wordt er vanuit het Rijk een bedrag gereserveerd om de salarissen in de zorg te laten stijgen. Die zogenoemde OVA-gelden (Overheidsbijdrage in de arbeidsontwikkeling) worden uitbetaald aan zorgverzekeraars die daarna afspraken kunnen maken met apothekers over de tarieven die zij ontvangen voor hun diensten. Het idee is dat de apothekers daardoor ongeveer genoeg geld krijgen om het salaris met de loonontwikkeling mee te laten stijgen.
Maar dat laatste gebeurt niet. Sterker nog: de cao van apotheekmedewerkers loopt al jaren flink achter op de verhoging die het rijk aan de verzekeraars betaalt. Bovendien zijn in de loop der jaren grote verschillen ontstaan tussen sectoren in de zorg. Zo komt het voor dat een medewerker van een wijkapotheek 5 tot 16 procent minder verdient dan een collega in het ziekenhuisapotheek.
Om dat verschil te verklaren wordt in beginsel naar de werkgevers gekeken: in dit geval de apothekers. Maar ook zij willen een hoger loon voor hun medewerkers. Werkgeversvereniging Zelfstandige openbare apothekers verklaarde zelfs ‘schouder aan schouder’ te staan met het personeel.
Zij zouden wel willen maar kunnen naar eigen zeggen niet aan de looneisen voldoen omdat ze het geld niet hebben. Volgens de apothekers bieden de tarieven van de zorgverzekeraars geen ruimte om de salarissen mee te laten groeien.
De zorgverzekeraars lieten op hun beurt afgelopen maanden ook van zich horen. Zij wijzen het verwijt dat ze te lage tarieven hanteren van de hand en zeggen zich aan alle regels te houden.
Dat conflict is niet nieuw, zegt Marco Varkevisser, hoogleraar marktordening in de zorg aan de Erasmus Universiteit. ‘Er zit een lange geschiedenis omheen waarin de apothekers de onderhandelingen met de zorgverzekeraars niet als onderhandeling ervaren. Ze zeggen: we krijgen een bod en daar moeten we het mee doen.’
Het probleem is dat het voor buitenstaanders onmogelijk is om te oordelen wie er gelijk heeft, zegt Varkevisser. De tarieven die verzekeraars voor apothekers rekenen zijn namelijk niet openbaar. Het gevolg is volgens de hoogleraar een ‘welles-nietes’ tussen de apothekers en zorgverzekeraars. En die patstelling speelt nu ook onderhandelingen over een hoger salaris parten.
Om uit de impasse te komen is een derde partij nodig, zegt Varkevisser. ‘Apothekers kunnen naar de rechter stappen, maar dat is slecht voor de verhoudingen en ze kunnen bovendien ongelijk krijgen.’ Daarom kijkt Varkevisser naar de Nederlandse Zorgautoriteit (NZA), die als toezichthouder de bevoegdheid heeft om gevoelige informatie op te vragen en tegen het licht te houden.
Minister Agema zou volgens de hoogleraar de NZA in dit geval kunnen vragen nog eens goed naar de contracten te kijken. ‘Ik kan mij voorstellen dat de minister graag wil weten wat er met het geld gebeurt dat zij heeft gereserveerd: het komt immers van de overheid.’
De NZA laat echter in een reactie weten geen specifiek onderzoek te doen naar de vraag of het geld dat de overheid reserveert ook daadwerkelijk terugkomt in de tarieven. ‘Om tot een goed salaris te komen voor werknemers in de apotheek spelen meer factoren een rol dan alleen de OVA-gelden’, aldus de toezichthouder.
Dat komt ook doordat zorgverzekeraars niet verplicht zijn om de OVA door te berekenen in hun tarieven. In het integraal zorgakkoord, een afspraak tussen overheid en verschillende partijen in de zorg, is weliswaar afgesproken dat het overheidsgeld een ‘startpunt’ is, maar dat schept geen verplichting voor de uitkomst.
Ook bij het ministerie zijn ze terughoudend. Niet alleen wil minister Agema zich niet bemoeien met de onderhandelingen, een woordvoerder benadrukt dat er nu geen signalen zijn dat de tarieven van verzekeraars niet kloppen.
Bovendien heeft het kabinet eerst Martin van Rijn naar voren geschoven om de plooien glad te strijken. Een logische stap, vindt Varkevisser. ‘Het is goed om iemand te hebben die boven de partijen staat en feiten en fictie van elkaar kan scheiden. Weliswaar mag Van Rijn geen knopen doorhakken, maar hij kan als bemiddelaar wel voor de rust enigszins laten terugkeren.’
Alles over politiek vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant