Als Donald Trump maandag wordt geïnaugureerd, wil hij direct een importheffing van 10 procent invoeren op alle Chinese waar. Zijn toon is deze keer nog duisterder dan tijdens zijn eerste termijn als president. Heeft zijn economische aanvalsplan kans van slagen?
is economieredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over de financiële sector.
Het mooiste woord in de Engelse taal is, als we Donald Trump mogen geloven, niet pak ’m beet gobbledygook, bumfuzzled of supercalifragilisticexpialidocious, maar tariff, oftewel importbelasting. Tijdens de verkiezingscampagne bezong de zelfverklaarde ‘Tariff Man’ bijna dagelijks zijn liefde voor het oorspronkelijk Arabische zesletterwoord.
‘Voor mij is ‘tarief’ het mooiste woord in het woordenboek’, zei hij in oktober tegen podcastmaker Joe Rogan. ‘Het is mooier dan ‘liefde’. Het is mooier dan wat dan ook.’
In 2025 zullen we het woord vermoedelijk tot vervelens toe horen. Want als het aan Trump ligt, wordt dit het jaar waarin hij deel twee van zijn handelsoorlog ontketent tegen China, Europa en al wie ook maar iets naar de Verenigde Staten waagt te exporteren. Deel twee belooft zich te verhouden tot deel één als The Dark Knight tot Batman Begins, of Mad Max 2 tot Mad Max 1: de toon nog duisterder, de verwoesting nog groter.
Trumps belangrijkste wapens daarbij zijn torenhoge importtarieven, veredelde boetes op de invoer van buitenlandse spullen. Het doel: import duurder en onaantrekkelijker maken en zo de eigen industrie beschermen tegen de concurrentie uit China en de rest van de wereld.
Zodra Trump maandag is geïnaugureerd als 47ste president, zal hij als een van zijn eerste ambtsdaden China om de oren slaan met een extra importheffing van 10 procent, als straf voor de ‘enorme hoeveelheden drugs, met name fentanyl’ die via China naar de VS zouden vloeien, kondigde Trump aan. Het is naar alle waarschijnlijkheid slechts een openingssalvo. Tijdens de campagne dreigde Trump meermaals met tarieven van 60 tot zelfs 100 procent op alle Chinese waar, en van minstens 10 tot 20 procent op alle andere buitenlandse goederen.
Op hun beurt dreigen China, de EU, Mexico en Canada met wraaktarieven op Amerikaanse producten. Dit gebeurde ook al tijdens Trumps eerste termijn, toen dit viertal elk voor zich terugsloeg met importbelastingen die vooral Trumps achterban pijn moesten doen, van Harley Davidson-motoren en Levi’s-spijkerbroeken tot suikermaïs, sinaasappelsap en Kentucky bourbon.
Het betekent de terugkeer van een wapen dat na de Tweede Wereldoorlog lang hetzelfde lot beschoren leek als de pijl en boog, hellebaard en krijgsolifant. Tot 2016 golden draconische importtarieven steeds meer als relicten uit een vervlogen tijdperk, waarin landen zich nog verschansten achter tariefmuren. Met Trump beleeft het tarivisme een wederopstanding, op een schaal die sinds de jaren dertig niet meer is voorgekomen. In de 21ste eeuw, waarin de VS en China worstelen om de wereldmacht, lijkt handel niet langer een ruil met wederzijds voordeel, maar een voortzetting van oorlog met andere middelen.
Wat bezielt Trump? In hoeverre heeft de Amerikaanse president gelijk als hij zegt dat China, zijn belangrijkste doelwit, de VS aan het belazeren is? En wat gaan de gevolgen zijn als ‘oog om oog, tarief om tarief’ het motto wordt in de wereldhandel?
Groot was het optimisme in 2001, toen China na jarenlange onderhandelingen mocht toetreden tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO), de multilaterale organisatie waarin landen afspraken maken over de regels van de internationale handel. Het Chinese lidmaatschap van de voormalige westerse ‘rijkeluisclub’, zoals de WTO bekendstond, symboliseerde niet alleen het economische ontwaken van de Chinese draak, maar ook de westerse hoop dat China zich netjes aan hun handelsregels zou houden, tot voordeel van hun eigen economieën.
‘Door zich aan te sluiten bij de WTO stemt China er niet alleen mee in om meer van onze producten te importeren, maar ook om een van de meest gekoesterde democratische waarden te importeren: economische vrijheid’, sprak de Amerikaanse president Bill Clinton in de aanloop naar de toetreding. ‘Hoe meer China zijn economie liberaliseert, hoe groter het potentieel van zijn bevolking zal zijn. En als mensen meer mogelijkheden hebben, niet alleen om te dromen, maar ook om hun dromen te verwezenlijken, zullen ze meer inspraak eisen.’
Dat er van dit laatste weinig is terechtgekomen, toont bijvoorbeeld het lot van de trumpiaanse vastgoedmagnaat Ren Zhiqiang, omwille van zijn ongezouten meningen op sociale media ook wel ‘Ren het kanon’ genoemd. Toen de Chinese zakenman president Xi Jinping begin 2020 publiekelijk vergeleek met een poedelnaakte ‘clown’, uit protest tegen het coronabeleid van de Communistische Partij, verdween hij prompt voor achttien jaar achter de tralies wegens ‘corruptie’. Op zijn beurt verdween miljardair Jack Ma, oprichter van het online-imperium Alibaba, weliswaar niet achter de tralies, maar wel van het toneel na zijn openlijke kritiek op China’s toezichthouders en staatsbanken.
Onder Xi Jinping, president sinds 2013, houdt de Communistische Partij de Chinese economie meer dan ooit in een ijzeren greep, constateert de Chinese econoom en dissident Shaomin Li in zijn boek The Rise of China, Inc. (2022). Via onder meer staatsbedrijven en subsidies heeft de partij inmiddels zo’n 56 procent van het Chinese bbp in handen.
Ook Clintons andere hoop, dat China meer zou gaan importeren, is niet uitgekomen. Dat bleek maandag eens te meer uit een duizelingwekkend record: als eerste land ooit behaalde China in 2024 een handelsoverschot – het verschil tussen de ex- en import – van nagenoeg 1.000 miljard dollar.
Chinese bedrijven exporteerden vorig jaar voor 3.580 miljard dollar aan spullen naar het buitenland, terwijl de import stokte op 2.590 miljard dollar. Ook gecorrigeerd voor inflatie kwam geen enkele andere exportgigant, zoals Duitsland of Japan, daar de voorbije honderd jaar bij in de buurt, constateerde The New York Times.
Het bevestigt de woorden van de Amerikaanse globaliseringsexpert Richard Baldwin, die begin dit jaar schreef dat China momenteel ’s werelds ‘enige industriële supermacht’ is. ‘China’s productie is groter dan die van de negen grootste industrielanden na China bij elkaar’, aldus Baldwin.
Trump is al bijna veertig jaar geobsedeerd door het Amerikaanse handelstekort met economieën als Duitsland, Japan en China, oftewel het feit dat deze landen meer spullen aan de Amerikanen weten te slijten dan dat ze zelf Amerikaanse waar kopen. Met dat onderwerp trad de toen nog vrij obscure New Yorkse vastgoedbaron eind jaren tachtig voor het eerst in de schijnwerpers.
In 1987 plaatste hij een paginagrote open brief in Amerikaanse kranten, waarin hij klaagde dat Japan en West-Duitsland rijk werden ten koste van de Amerikanen, door hun eigen bedrijven te beschermen tegen Amerikaanse import, terwijl ze ondertussen schuilden onder de militaire paraplu van Uncle Sam. ‘Laten we niet langer toestaan dat ons geweldige land wordt uitgelachen’, schreef Trump. Op de vraag wat hij als eerste zou doen als hij ooit president werd, antwoordde Trump enkele jaren later in een Playboy-interview: ‘Ik zou een belasting invoeren op elke Mercedes-Benz die dit land inrolt.’
In Trumps ogen is handel een nulsomspel: de winst van de een betekent het verlies van de ander. Hoe meer Chinese elektrische auto’s, telefoons, spelcomputers en zonnepanelen de Amerikanen importeren, des te meer Amerikaanse dollars én fabrieksbanen naar China verdwijnen, redeneert hij. Dat was waar Trump op doelde toen hij tijdens zijn eerste inaugurele rede sprak over ‘de verroeste fabrieken, als grafstenen verspreid over het landschap van onze natie’.
Tegelijkertijd zijn de meningen onder economen verdeeld over hoeveel Amerikaanse banen er sinds 2001 nu echt zijn verdwenen door de ‘China-schok’. Sommigen menen dat de baanverliezen door Chinese concurrentie marginaal zijn geweest en dat vooral technologische veranderingen veel werkgelegenheid hebben gekost. Andere studies komen uit op tussen de 2- en 4 miljoen naar China verdwenen banen. Zeker is wel dat de industriële achteruitgang sinds 2010 is gekenterd: sindsdien zijn er zo’n 1,5 miljoen Amerikaanse fabrieksbanen bijgekomen, ondanks het uitdijende handelstekort met China, zo blijkt uit cijfers van de Amerikaanse centrale bank.
Toch hebben veel Amerikanen met Trump het gevoel dat ze ‘economisch niet meer aan het winnen zijn’, en dat de kosten als leider van de vrije wereld niet opwegen tegen de baten. Zo verwoordt Robin Niblett, jarenlang de baas van de Britse denktank Chatham House, het in zijn boek The New Cold War (2024).
Amerikaanse politici zijn volgens hem tot de slotsom gekomen dat het bevorderen van een open, op internationale handel gerichte economie tegenwoordig een probaat middel is om stemmen te verliezen, ‘omdat het niet automatisch meer leidt tot een welvarender Amerika, zoals in de jaren vijftig tot en met tachtig’.
Dat president Joe Biden de anti-China-agenda van Trump goeddeels trouw is gebleven, zij het met iets minder retorisch volume, is veelzeggend. Sterker nog, vooral op technologisch vlak heeft Biden China misschien nog wel meer het vuur na aan de schenen gelegd dan Trump. Dit deed hij de afgelopen jaren door de toevoer van geavanceerde Amerikaanse chips, waarvan de Chinese technologiesector sterk afhankelijk is, grotendeels droog te leggen, in een poging om de opmars van China als hightechgrootmacht te frustreren.
De Amerikaanse frustratie zit hem er vooral in dat China zich sinds de WTO-toetreding helemaal niet netjes aan de handelsregels is gaan houden, ondanks smeekbeden van Clinton tot Obama en eindeloze Chinese beloften. De waarden van twee Chinese leiders domineren nog altijd de economie, ziet Shaomin Li: de wetteloosheid van Mao Zedong (1893-1976) en het devies ‘rijk worden is glorieus’ van Deng Xiaoping (1904-1997).
Het stelen van westerse handelsgeheimen door Chinese spionnen is bijvoorbeeld schering en inslag, van de kunstmatige intelligentie van Google en zelfrijdende auto’s van Apple tot de chipontwerpen van het Nederlandse NXP, om enkele voorbeelden van de laatste jaren te noemen. Westerse bedrijven klagen bovendien steen en been over de gedwongen overdracht van technologie om überhaupt zaken te kunnen doen in China, en over de vorstelijke subsidies waarmee de Communistische Partij bijvoorbeeld fabrikanten van elektrische auto’s in staat stelt om ver onder de prijs van westerse rivalen te zitten.
Daarbij heeft China ook nog eens het ‘voordeel van de lage mensenrechten’ van zijn arbeiders, waarmee westerse bedrijven niet kunnen (en vooral: willen) concurreren, zoals Shaomin Li het beschrijft. In de jaarlijkse mensenrechtenranglijsten van het World Justice Project, een onafhankelijke ngo, bungelt China bijna helemaal onderaan, bijvoorbeeld qua vrijheid van meningsuiting, arbeidsrechten of bescherming tegen politiegeweld.
Maar in de ogen van de Communistische Partij zijn de Amerikaanse grieven slechts smoesjes. In werkelijkheid is het de Amerikanen niet te doen om eerlijke handel, maar om naakte machtspolitiek, is de opvatting. ‘De essentie van de handelsoorlog is dat de VS China willen vernietigen’, zegt Wei Jianguo, een voormalige Chinese viceminister van Handel, in het boek Superpower Showdown (2020) van Lingling Wei en Bob Davis. ‘De VS zijn niet bereid om China te accepteren als opkomende macht.’ Een Chinese partijfunctionaris drukte het in datzelfde boek nog simpeler uit: ‘Je kunt China niet alleen T-shirts laten maken terwijl de VS hightech maakt. Dat is onredelijk.’
In nog extremere mate dan Trump is Xi Jinping bezig om China ‘great again’ te maken. Vanaf minstens het jaar nul tot halverwege de 19de eeuw was China, al dan niet stuivertje wisselend met India, ’s werelds grootste economie, tot de Britten en Amerikanen het land voorbijstreefden. In 2049, als de Communistische Partij honderd jaar aan de macht is, moet China de VS hebben verstoten van de economische apenrots, is Xi’s ambitie.
Trump redeneert dat China in een handelsoorlog eerder ‘zonder kogels’ zal komen te zitten. China exporteert immers veel meer naar de VS dan andersom, zodat de Amerikanen ook veel meer Chinese koopwaar met een straftarief kunnen treffen dan omgekeerd.
Tegelijkertijd hebben de Chinezen nog andere pijlen op hun boog. Voorsorterend op de tweede termijn van Trump verbood de Chinese regering vorige maand bijvoorbeeld alvast de export van gallium, germanium en antimoon, (half)metalen waarop China bijna een monopolie heeft, en die cruciaal zijn voor Amerikaanse gevechtsvliegtuigen en wapensystemen.
China is ook heer en meester over allerlei andere metalen die onmisbaar zijn voor zowel militaire toepassingen als de energietransitie, zoals de zeldzame aardmetalen in de accu’s van elektrische auto’s. Xi kan Trump, en het hele Westen, pijn doen door de toevoer ervan af te knijpen, zoals China vorig decennium ook al deed tijdens een conflict met Japan.
Er staat de wereldhandel de komende jaren dus waarschijnlijk heel wat wapengekletter te wachten. Daarbij zullen Amerikaanse consumenten vermoedelijk de nodige collateral damage lijden, zoals eerder gebeurde tijdens Trumps eerste termijn. Uiteindelijk wordt de rekening van hoge importbelastingen namelijk veelal doorgeschoven naar de consument.
Maar ook de van import afhankelijke Amerikaanse fabrikanten zullen erdoor worden geraakt. Dat merkte Trumps vicepresident Mike Pence bijvoorbeeld tot zijn schrik, toen makers van kampeerwagens in zijn thuisstaat Indiana in problemen kwamen door Trumps tarieven op buitenlands staal en aluminium.
Het is een situatie waar de Amerikanen, Chinezen en de rest van de wereld misschien maar beter aan kunnen wennen. Want de handelsoorlog tussen China en de VS zou weleens dertig of zelfs vijftig jaar kunnen duren, voorspelt Wei Jianguo.
En eigenlijk, zoals voormalig Trump-adviseur Steve Bannon pleegt te zeggen, voert China al twintig jaar een handelsoorlog tegen de VS. Alleen vochten de Amerikanen vóór Trump nooit terug. ‘Nu staat er eindelijk iemand op die vecht voor Amerikaanse arbeiders.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant