In Zuid-Afrika zag ze dat haar kinderen veel baat hadden bij het IB-onderwijs, dat als elitair bekendstaat. Zo kwam Lisette Rinke de Wit-Bontenbal op het idee om dit onderwijs ook in achterstandswijken te introduceren. En dat lukte haar.
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
‘Hoe kan het dat we een vorm van onderwijs die we geschikt vinden voor de meest geprivilegieerde kinderen niet ter beschikking stellen aan kinderen die in achterstandswijken wonen?’ De oprechte verbazing die uit de vraag spreekt, verwoordt ze met een ondertoon van lichte verontwaardiging. Al dertien jaar is de 60-jarige Lisette Rinke de Wit-Bontenbal in de weer met haar missie: de kwalitatief hoogwaardige onderwijsmethode die onder de naam ‘Internationaal Baccalaureaat’ (IB) zich een halve eeuw heeft bewezen, niet langer voor te behouden aan de kinderen van ‘diplomaten, managers en koningshuizen’, maar ook aan te bieden aan ‘kansarme kinderen in de Schilderswijk en andere achterstandsbuurten’.
In Zuid-Holland heeft ze acht scholen zover gekregen: zes basisscholen en twee middelbare scholen. ‘Op een na zijn dat allemaal zwarte scholen’, zegt ze, niet zonder trots. Sinds kort krijgt ze steun van een belangrijke bondgenoot: het Haagse IB Global Centre, een van de hoofdkantoren van het IB-onderwijs – directeur Olli-Pekka Heinonen, de Finse oud-minister van Onderwijs, wil dezelfde drastische verbreding van de doelgroep.
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
Over diens steun is Rinke de Wit te spreken, over die van Nederlandse onderwijsinstanties is ze kritischer: ‘We worden te vaak weggezet als een onderwijsvorm voor kinderen van rijke ouders. Terwijl het idee erachter juist is dat ieder kind zich moet kunnen ontplooien tot een wereldburger die tolerant tegenover andere culturen en ideeën staat. Dat is toch zeker ook in achterstandswijken de bedoeling?’
Voor haar valt het kwartje wanneer ze in 2011 ziet hoezeer het IB-onderwijs bij haar eigen vier kinderen aanslaat. Haar gezin woont dan in verband met het werk van haar man in Zuid-Afrika. In de tien voorafgaande jaren heeft ze lesgegeven op Startpunt, een basisschool in de Schilderswijk in Den Haag, na daarvoor jarenlang in Ethiopië te hebben gewoond. ‘Ik had in Ethiopië veel ellende gezien en verheugde me op het Nederlandse onderwijssysteem. Als er ergens kansengelijkheid mogelijk is, is het hier, dacht ik in mijn naïviteit. Maar toen ik in de Schilderswijk belandde, schrok ik me rot: kinderen van migranten in groep 8 hadden na acht jaar onderwijs nog altijd een taalachterstand.’
In Zuid-Afrika ervaart ze hoe haar eigen Nederlandstalige kinderen ‘binnen enkele maanden’ hun achterstand in het Engels ‘grotendeels goedmaken’ en het ‘supersnel naar hun zin hebben’ op de IB-school. Dat brengt Rinke de Wit, opgeleid tot kunstenaar en basisschooldocent, ertoe zich grondig te verdiepen in wat er eigenlijk onder het International Baccalaureaat-onderwijs moet worden verstaan.
Wat waren uw bevindingen?
‘Achter het IB-onderwijs zit hetzelfde soort naoorlogse idealisme als waarmee de Verenigde Naties zijn opgericht: laten we kinderen opleiden tot onderzoekende, zorgzame burgers die samen een vreedzame, op wederzijds respect gebaseerde wereld tot stand kunnen brengen. Tegelijkertijd lag er een behoefte aan ten grondslag van vooral ambassades en grote bedrijven om kinderen van hun personeel zodanig kwaliteitsonderwijs te bieden dat ze daarna op elke universiteit ter wereld terechtkonden.
‘Daartoe moeten kinderen met alle culturen en gemeenschappen leren omgaan. Dat heeft geleid tot onderwijs dat niet is ingedeeld in vakken als geschiedenis, aardrijkskunde et cetera, maar dat uitgaat van zes wereldthema’s: wie we zijn; waar we zijn in plaats en tijd; hoe we onszelf uitdrukken; hoe de wereld werkt; hoe we onszelf organiseren en het delen van de planeet. Die thema’s bevatten zoveel ruimte dat je er eigenlijk alles in kunt onderbrengen.’
Kunt u dat wat concreter maken?
‘Neem de Tweede Wereldoorlog. Die maakt in traditioneel onderwijs deel uit van het vak geschiedenis. Bij het IB-onderwijs behoort de oorlog tot het concept conflicten. Daarin behandelen we niet alleen de kerndoelen die het Nederlandse onderwijssysteem voor de Tweede Wereldoorlog voorschrijft, maar trekken we het breder. Niet alleen gaat het over hedendaagse conflicten zoals het Midden-Oosten of Oekraïne, maar we behandelen ook conflicten in de klas, pestgedrag, leiderschap. Het is dus een vorm van onderwijs die aansluiting zoekt bij de directe belevingswereld van kinderen. Lukt dat, dan wordt hun betrokkenheid bij het onderwijs enorm groot, zo leert de praktijk.’
Was het IB-onderwijs dat u in Zuid-Afrika voor het eerst ervoer alleen voor de elite?
‘Ja, al werden er wel pogingen ondernomen kinderen uit de townships op die eliteschool mee te laten doen, er was zelfs een beurssysteem voor ze opgezet. Maar niet een van die kinderen heb ik het eindexamen zien halen. Sociaal kregen zij het erg lastig. Hun ouders hadden torenhoge verwachtingen en hun vrienden keken hen met de nek aan, ze werden outcasts. Toen bedacht ik dat je de kinderen niet naar de elitescholen moet halen, maar dat we het IB-onderwijs naar de townships moeten brengen. In mijn laatste jaar in Zuid-Afrika maakte ik plannen voor zo’n school, maar toen moesten we terug naar Nederland.’
In Nederland bent u voor datzelfde idee gaan strijden. Waarom?
‘Tijdens mijn tien jaar onderwijservaring in de Schilderswijk had ik gemerkt dat er nauwelijks vooruitgang werd geboekt in het aanpakken van de achterstanden van migrantenkinderen. Ook al was er in die jaren geld genoeg voor beschikbaar, daar lag het niet aan. In mijn ogen was het probleem het onderwijs zelf – ik zag dat er allerlei lesmethoden werden gebruikt die niet bij de belevingswereld van kinderen aansloten. Dus ben ik me hard gaan maken voor het IB-onderwijs, dat zich juist op dat vlak al zo lang heeft bewezen.
‘Bij mijn terugkeer kreeg ik de kans om voor tien Haagse scholen het programma voor hun zomerscholen te maken. Die zijn er voor kinderen van arbeidsmigranten die in de zomer in Nederland blijven. We bereidden dat maandenlang voor, haalden alles uit de kast, met aansprekende thema’s en debatten. De kinderen waren erg enthousiast, ze gingen er helemaal in op, ouders zeiden: ‘Mijn kind is nog nooit met zoveel plezier naar school gegaan.’
‘Op een gegeven moment kwam Jo Willenborg, een onderwijsbestuurder van de stichting De Haagse Scholen, een dagje kijken. Na afloop zei hij: ‘Eigenlijk zou het reguliere onderwijs ook zo moeten zijn.’ Met hem ben ik toen op bezoek gegaan bij het IB Global Centre hier in Den Haag, waar we de inhoud en de achtergronden van het IB-onderwijs uitvoerig kregen uitgelegd. Jo wist best wel wat er in het onderwijs te koop was, ook internationaal, maar toch viel hij van zijn stoel. Toen we daar wegliepen, zei hij het te willen proberen. ‘Laten we het dan in de achterstandswijken doen’, zei ik tegen hem, ‘want daar is het het hardst nodig en zullen we het snelst resultaten zien.’’
Is dat ook gebleken?
‘Ja. De eerste die zich meldde was Startpunt, een kleine school in de Schilderswijk met maar 130 leerlingen, hoofdzakelijk Turkse, Marokkaanse en Pakistaanse kinderen. Sinds het in 2020 officieel een IB-school is geworden, is het aantal leerlingen gestegen tot ruim tweehonderd. Ook kenniswerkers uit de ICT, onder meer Indiërs, vinden de weg erheen; die nieuwe groep buitenlanders vindt de school interessant vanwege het kwaliteitsstempel dat IB geeft. Tegenwoordig heet de school Startpunt International. De leraren willen niet anders meer, we krijgen zelfs spontane aanmeldingen om les te mogen geven. De Cito-scores zijn nog wel laag, maar dat komt doordat leerlingen bij ons vooral vaardigheden krijgen bijgebracht. We zijn nu gerichter op Cito-scores aan het trainen. De onderwijsinspectie heeft de school in ieder geval het predicaat ‘goed’ gegeven, wat voor een zwarte school best bijzonder is.’
Tegen welke problemen loopt u in de praktijk aan?
‘Een van de grootste struikelblokken is financieel – een school die hiermee begint, moet geld vrijmaken voor een IB-coördinator. Dat is een sleutelfiguur: hij zorgt ervoor dat iedereen binnen de school snapt wat het idee is en is de vraagbaak voor leraren. Het gaat niet om een groot bedrag, het is een misvatting dat IB-onderwijs duur zou zijn. Het probleem is dat deze scholen bar weinig geld hebben. Bij het Startpunt is er een coördinator die zelf voor de klas moet staan wanneer een leerkracht ziek is. Er is geen conciërge of een adjunct, dus financieel is het echt schrapen.
‘Vanuit het ministerie is er wel ondersteuning voor IB-scholen die Engelstalig zijn, maar dat zijn allemaal expatscholen. Dat gaat om bijdragen per leerling en ook nog voor de school zelf. Wij krijgen dat geld niet, omdat onze IB-scholen Nederlandstalig zijn. Dat verbaast me enorm. Je zou toch denken: je wilt het beste onderwijs voor alle kinderen mogelijk maken, waarom financier je dat dan alleen op internationale scholen en ben je niet bereid mee te betalen aan datzelfde onderwijs in achterstandswijken? Dat is toch wrang als je bedenkt dat het hele doel is kinderen tot wereldburgers te maken. Dat is toch precies wat voor integratie broodnodig is?’
Hoe verklaart u dat verschil in behandeling? Heeft het wellicht met desinteresse te maken?
‘Dat kan ik me niet goed voorstellen, daarvoor gaat er ook te veel geld van de overheid naar achterstandsonderwijs. Ik denk dat het vooral te maken heeft met het etiket dat IB-scholen ten onrechte hebben meegekregen: speciale scholen voor internationale kinderen. Onlangs ontmoette ik een ambtenaar van het ministerie van Onderwijs die voor internationaal onderwijs verantwoordelijk was en wiens kinderen op IB-scholen zitten. Toen ik hem vertelde dat ik bezig was het IB-onderwijs op achterstandsscholen van de grond te krijgen, zei hij: ‘Briljant! Daar heb ik nog nooit over nagedacht.’ Ik verwijt hem dat niet, maar het is wel tekenend voor hoezeer in hokjes wordt gedacht. Europa heeft het trouwens beter begrepen, want we krijgen wel geld van het Erasmus-programma voor scholing van docenten in het geven van IB-onderwijs. In Nederland staat dat bij velen ten onrechte geparkeerd onder het kopje onderwijs voor expats.’
Ondervindt u nog meer weerstand dan die onwetendheid?
‘Wat ook wel speelt is dat we een kleine speler zijn. Olifanten doen het met olifanten, wij zijn een muisje dat piept: ‘Kijk eens naar ons.’ Het grote systeem reageert met: ‘Leuk hoor, maar het kan niet echt iets zijn, anders hadden onze experts ons dat allang verteld.’ Dat is het gevoel dat ik aan gesprekken overhoud. Maar gelukkig krijgen we langzaam maar zeker wel dingen voor elkaar.
‘Bij de internationale IB-organisatie vinden ze dat gebrek aan openheid kenmerkend voor Europese landen. In Azië gaat het heel anders, merken ze, daar wordt een onderwijssysteem direct nagebouwd en vervolgens aan de eigen behoeften aangepast. Maar Europese landen denken: wij hebben het onderwijs uitgevonden, wij weten wat goed is. Buiten de internationale elitescholen zie je het IB-onderwijs dan ook nauwelijks van de grond komen. In dat opzicht lopen we in Nederland wel voorop.’
Wat hoopt u nog te bereiken?
‘We zitten nu in Nederland op een tiental Nederlandstalige IB-scholen. Als we dat weten uit te bouwen naar pakweg 25 of 50, dan komt er een moment waarop het niet meer is tegen te houden. We zijn nu bezig met het opzetten van een Europees netwerk. Mijn hoop daarbij is dat het beste onderwijs in heel Europa voor alle kinderen toegankelijk wordt. Zou dat niet prachtig zijn?’
Boektip: Het pauperparadijs, Suzanna Jansen
‘Dit boek gaat over een zich in Drenthe afspelend, 19de-eeuws sociaal experiment met arme mensen, destijds paupers genoemd. Mij gaf dit boek inzicht in hoe groot de invloed van IB-onderwijs kan zijn op niet-geprivilegieerde kinderen – het biedt hun niet alleen uitzicht op meer kansengelijkheid, maar op een geheel ander leven.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant