De Kamer betreden na een best lang reces zorgt ervoor dat je alles met een frisse blik ziet. Het is me bijvoorbeeld nooit eerder opgevallen dat Hans Vijlbrief (D66) erg op Bill Murray lijkt.
Doğukan Ergin (Denk) maakt zich in dit eerste vragenuur zorgen over de alweer gestegen inflatie. ‘We betalen meer voor water, zorg, een postzegel, limonade.’ Een mooie opsomming. Juist door het eclectische karakter van dit rijtje voel je echt: ja, echt álles wordt duurder.
Aaf Brandt Corstius doet eens per week op geheel eigen wijze verslag van een debat in politiek Den Haag.
De bevraagde minister, Eelco Heinen (Financiën, VVD), erkent dat. ‘Je ziet je boodschappenkarretje steeds kleiner worden.’ Hij wil zorgen dat mensen meer kunnen kopen door de belastingen te laten dalen, en dat moet weer gebeuren door op veel zaken op te bezuinigen.
Ergin vindt dat te langetermijn. ‘Mensen willen nu de verwarming aanzetten.’ Hij citeert ‘Een politicus, zijn naam weet ik even niet meer, maar hij zei: ‘In gelul kun je niet wonen.’.’ Ergin parafraseert deze politicus vervolgens op eigen wijze. ‘In koopkrachtplaatjes kun je niet in bed liggen.’
Tja, zo treffend als ‘In gelul kun je niet wonen’ is het niet, maar leuk geprobeerd. (De politicus in kwestie was overigens Jan Schaefer (PvdA), in de jaren zeventig staatssecretaris van Stadsvernieuwing.)
Vijlbrief wil van de minister weten welke uitgaven hij wil beperken om zo de belastingen te verlagen, en daarmee de koopkracht omhoog te krijgen. ‘We moeten snijden in eigen vlees’, vindt minister Heinen, ‘dus in ambtenaren, maar ook in ontwikkelingssamenwerking. En ook op moeilijkere vlakken, zoals onderwijs, zorg en sociale onzekerheid. Sociale zekerheid, bedoel ik. Dat was een freudiaanse verspreking.’ Wel eerlijk van Heinen dat hij toegeeft dat hij van sociale zekerheid sociale ónzekerheid wil maken.
De laatste vraag tijdens het vragenuur gaat over het veelbesproken Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), het archief dat vlak na de oorlog werd opgericht en namen van overleden Nederlanders bevat die zouden hebben gecollaboreerd. In de woorden van Jan Paternotte (D66): ‘De lijst die wordt gezien als de NSB-lijst.’
Er zijn problemen met de openbaring van dat archief. Ten eerste kun je in het onlineregister alleen een naam in vinden, niet de bijbehorende dossiers, want daar heeft de Autoriteit Persoonsgegevens vanwege privacy van de betrokkenen een stokje voor gestoken. Als je meer wilt weten over een oudoom wiens naam je in het archief aantreft, moet je naar het fysieke archief, en daar is inmiddels een flinke wachttijd voor.
Ten tweede blijken er namen in het archief te staan van mensen die niets fout hebben gedaan in de oorlog. Eppo Bruins (NSC), de verantwoordelijke minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erkent dat: ‘Er staan ook namen in van mensen die in het verzet zaten, en van Joden met de Duitse nationaliteit. Of van een boer die weigerde een Engelse piloot te helpen.’ Iedereen, vat hij samen, die bijvoorbeeld door een buurman werd genoemd als ‘Ja, dat is misschien wel een fout mens.’
Maar breng die nuance maar eens over, op een drukbezocht onlineregister waarvoor nogal veel media-aandacht is en dat wordt gezien als, toch wel, het NSB-archief.
Minister Bruins herhaalt steeds: ‘Het archief is aangelegd in een periode die heel chaotisch was, en het is een nauwkeurige afspiegeling van die periode.’ Een nauwkeurige afspiegeling van chaos dus, waar nu half Nederland in zit te grasduinen.
Wat opvalt, is dat zowel Paternotte als Joost Eerdmans (JA21), die even later ook naar de interruptiemicrofoon komt, het eigen familieverhaal wil benadrukken. Van beiden staan er familieleden in dit archief, die, zeggen zij, toch absoluut niet fout kunnen zijn geweest. Het verhaal van Paternotte: ‘Mijn opa en oma hadden twee Joodse kindjes die bij ze onderdoken. En nu staat de naam van de broer van mijn opa op de lijst.’ Het verhaal van Eerdmans: ‘Mijn grootvader staat ook op de lijst. Hij heeft Joden op zolder gehad. Mijn vader was daar getuige van.’
Het zijn allebei niet de sterkst onderbouwde verhalen ooit, maar ik kan me levendig voorstellen dat het vervelend is als je familieleden op die lijst staan.
Toch voelt het onsmakelijk om, in de spotlight van het vragenuur, als politicus het straatje van je eigen familie schoon te vegen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns