Seriemoordenaars roepen afgrijzen op, maar fascineren ook. Ging het in de media anderhalve eeuw geleden vooral over de gruweldaden zelf en het motief. Later kwamen daders en hun persoonlijkheid meer centraal te staan.
schrijft over geschiedenis voor de Volkskrant en recenseert non-fictie.
Het is een constante in de berichtgeving over seriemoordenaars: zij zien er zo normáál uit. Uit niets blijkt enige aanleg voor het plegen van gruwelijke delicten. Dat was ook de voornaamste observatie van de verslaggever die in 1885 voor het Algemeen Handelsblad de rechtszaak tegen de Leidse gifmengster Maria Swanenburg (alias Goeie Mie) versloeg. Bij binnenkomst had zij het publiek ‘een gesmoorde kreet van afgrijzen’ ontlokt.
In de rubriek Toen duiken historici en specialisten van de Volkskrant in het verleden om de actualiteit beter te kunnen begrijpen.
Haar voorkomen gaf daartoe echter geen aanleiding. ‘Zij is een vrouw van gewone grootte en van middelbaren leeftijd, gekleed in jak en rok met een omslagdoek, een heldere muts met keelbanden. (…) In één woord: zij onderscheidt zich volkomen in niets van een getrouwde vrouw uit den kleinen burgerstand.’
Vooral vanwege deze uiterlijke kenmerken was haar criminele conduitestaat zo huiveringwekkend. Onder de dekmantel van ziekenzorg had ‘Goeie Mie’ (1839-1915) 65 buurtgenoten vergiftigd, van wie 23 overleden.
Aanvankelijk was zelfverrijking haar motief, uiteindelijk was moord een doel op zich. Zo diende zij arseen toe aan de drankjes die werden geserveerd bij de uitvaart van een van haar slachtoffers. Maria Swanenburg werd veroordeeld tot een levenslange tuchthuisstraf, die zij uitzat in Gorinchem. De doodstraf was in 1870 uit het Nederlandse wetboek van strafrecht geschrapt.
Voor meervoudige moord op willekeurige slachtoffers muntte de Berlijnse politiechef Ernst Gennat in 1931 het begrip seriemoord. Dat is ook van toepassing op de drie moorden die Sendric S. (24) eind december en begin januari in Rotterdam zou hebben gepleegd. Een uitzonderlijk geval, zei criminoloog Henk Ferwerda tegen de NOS: hem heugen hem niet meer dan tien seriemoorden in Nederland sinds de vorige eeuwwisseling.
Bij gebrek aan nadere informatie over de dader en diens eventuele beweegredenen, gingen de media te rade bij zijn buurtgenoten. Die toonden zich ‘geschokt’ over de misdrijven die de ‘rustige, stille’, zij het wat eenzelvige jongeman zou hebben gepleegd.
Vanwege hun uitzonderlijkheid genieten seriemoorden van oudsher een hoge attentiewaarde. In 2005 legde Sytze van der Zee, de onlangs overleden oud-hoofdredacteur van Het Parool, uit wat hem ertoe had bewogen om zich te verdiepen in de levensgeschiedenis van de (veroordeelde) seriemoordenaars Willem van Eijk en Koos Hertogs. ‘Ik ben altijd gefascineerd geweest door het kwaad in de mens. Door kampbeulen en seriemoordenaars. Wat drijft hen? Hebben ze berouw of spijt?’ Diezelfde fascinatie verklaart de populariteit van vele politieseries, zoals de Netflix-serie Mindhunter – over de pogingen van FBI-agenten Holden Ford en Bill Tench om een daderprofiel van seriemoordenaars op te stellen.
De ruimhartig verslagen rechtszaken tegen seriemoordenaars geven een goede indruk van veranderende criminologische en maatschappelijke opvattingen. Het daderprofiel van Goeie Mie was nog eendimensionaal: voor haar verdorvenheid werden geen verklarende of verzachtende omstandigheden gezocht. De rechtszaak tegen de Utrechtse seriemoordenaar Hans van Zon, in 1969, gaf daarentegen aanleiding tot bespiegelingen over de helende werking van het strafrecht en over de psyche van de verdachte.
In de media figureerde hij als een ‘charmante, branieachtige jongeman’ die bij zijn zoektocht naar ‘het eigen ik’ verdwaald was geraakt. Volgens een door de rechtbank geraadpleegde psychiater ging Van Zon (1942-1998) gebukt onder het ontbreken van schuldgevoel over de drie (mogelijk vijf) moorden die hij had gepleegd. Hij werd tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld – waarvan hij 18 jaar uitzat.
Een door de Vara opgetrommelde criminoloog achtte de straf (de zwaarste die sinds de bijzondere rechtspleging in de jaren veertig was opgelegd) onzinnig vanwege het ‘zeer geringe risico van recidive’. Jan Terlouw schreef een op de wederwaardigheden van Van Zon geënte roman, In huis met een seriemoordenaar.
Voor de Belgische psycholoog/criminoloog Steven de Batselier (1932-2007) waren criminelen slachtoffers van de ‘ontmenselijking’ die door de samenleving zou worden afgedwongen. ‘Een aan de heersende maatschappijstructuren perfekt aangepast gedrag is het zuiverste symptoom van geestelijk-gestoord-zijn’, schreef hij in zijn boek De zachte moordenaars. Rechters, voorname pijlers van die perfide orde, waren naar zijn mening niet minder ziek dan criminelen.
Inmiddels geldt die opvatting als een curiosum uit de jaren zeventig. Buurtgenoten van Sendric S. spreken weliswaar met enig mededogen over hem, als slachtoffer wordt hij niet aangemerkt.
Source: Volkskrant