Susan Dotinga-Kooistra is 100 jaar. Hoe kijkt zij terug op de eeuw die achter haar ligt en haar emigratie naar Canada, 76 jaar geleden?
Susan Dotinga-Kooistra woont ‘op de beste plek van de wereld’, zegt ze. Dat is Elim Village, in feite een dorp voor bijna zevenhonderd ouderen in Surrey, een stad in het westen van Canada. De als Sjieuwke geboren Friezin woont er geheel zelfstandig in een ruim appartement. Mocht ze iets gaan mankeren, dan kan ze op het terrein doorschuiven naar een appartementencomplex met lichte zorg en maaltijdvoorzieningen. En als het echt niet meer gaat, is er een verpleeghuis. Elim Village met zijn brede lanen heeft een restaurant, recreatieruimte, winkel, apotheek, kerkzaal, een arts, dominee en kapper. Op het tafeltje naast de leunstoel van de kwieke 100-jarige immigrant ligt een bijbel en een grote loep.
Wilt u in het Engels of Nederlands praten?
‘Laten we Nederlands doen, dat spreek ik niet zo vaak meer. Je hoort aan mijn spraak zeker wel dat ik een Friezin ben.’
Hoe gaat het met u?
‘Goed, want ik woon op de beste plek van de wereld, in Elim Village. Het is hier super schoon, binnen en buiten. Ik woon zelfstandig en kook dagelijks mijn avondeten. Geregeld eet ik boerenkool, dat ken ik uit mijn jeugd. Mijn eerste jaren in Canada was het nergens te krijgen, totdat de eerste Dutch stores kwamen.
(Met gespeeld dramatische stem:) ‘Ik ben alleen op de wereld. Van het gezin waarin ik opgegroeid ben, ben ik de enige die nog in leven is. We waren met zeven kinderen, eigenlijk tien, want een tweeling stierf met drie maanden aan mazelen – vaccinaties waren er nog niet – en een ander kindje aan wiegendood.’
Hoe kijkt u terug op uw jeugdjaren?
‘Als een heel gelukkige tijd. Mijn vader en moeder heb ik niet één keer een niet mooi woord tegen elkaar horen zeggen. Ik had een sterke band met mijn vader, die ik alles vertelde. Hij was een keuterboertje met zeven koeien, die ook klussen deed voor het waterschap. Elektriciteit en stromend water hadden we niet. We gebruikten regenwater dat in een betonnen bak met calcium werd gezuiverd. Ik was de jongste. Bij mijn geboorte woog ik meer dan 10 pond. ‘Die kun je direct de boerderij op sturen, zo sterk is ze’, zei de huisarts.’
Wat was de reden om naar Canada te emigreren?
‘In 1947 trouwde ik met Jan. Hij kwam uit een boerengezin van zeventien kinderen, acht jongens en negen meisjes. Hij wilde graag boer worden, maar slechts één zoon kon het familiebedrijf overnemen – niet Jan. Canada zat te springen om boeren en zo kwamen we op het idee om te emigreren. Van de zeventien kinderen Dotinga zijn er twaalf geëmigreerd, naar Canada en Amerika, allemaal om te kunnen boeren. Van ons gezin was ik de enige die vertrok.
‘Mijn vader zag het niet zitten. ‘Dat gaat niet gebeuren, jij gaat niet naar Canada’, zei hij toen we hem over ons plan vertelden. Maar hij zag kinderen van vrienden vertrekken en dat Jan in Nederland geen kans had om te boeren. Langzaam wende hij aan het idee. Na ons trouwen woonden we op zijn advies een jaar bij mijn ouders in, zodat we konden sparen. Jan werkte als boerenknecht, ik als coupeuse. Na een jaar hadden we genoeg om de bootreis naar Canada te kunnen betalen. Emigreren vond ik een ongekende sensatie, als je jong bent, zie je vooral het avontuur.
‘We waren een van de eerste emigranten van na de oorlog toen we in 1948 vertrokken. Er was een christelijk emigratiebureau waar je je kon aanmelden, en dat werk en onderdak regelde. Je mocht niet zelf kiezen waar je wilde wonen, dat bepaalde de Canadese overheid. Nederlandse boeren wilden naar British Columbia omdat het klimaat daar lijkt op dat in Nederland, maar in 1948 werden de meesten in de noordelijker gelegen provincie Alberta geplaatst, wij ook.
‘In een bus vol emigranten werden we vanuit Friesland naar de haven in Rotterdam gebracht. Daar stapten we met onze baby van vier maanden op de Tabinta, een troepentransportschip. Met driehonderd vrouwen sliep ik in het ruim, in stapelbedden van drie hoog, ik lag beneden met de reiswieg met de baby naast mij. De mannen en vrouwen moesten gescheiden slapen, crazy.
‘Na tien dagen kwamen we aan in Quebec City. Daar stapten we op de trein, een tocht van vier dagen en vier nachten op houten banken, zonder slaapgelegenheid. Er kwam maar geen einde aan die reis – we voelden meteen hoe enorm groot Canada is. Het was 28 april toen we uit Nederland vertrokken, alles stond er prachtig bij: de koeien graasden op het land, bloemen bloeiden in de wei en alle bomen en struiken waren groen. Op 12 mei kwamen we aan in Edmonton, Alberta. Er was geen grassprietje te bekennen, de bomen waren nog kaal en er lag een dik pak sneeuw. Ik dacht: ‘Dit is niet best, wat doen we hier?!’ Die gedachte hield ik voor me. Jan was geen prater. Als je praat over moeilijkheden, ben je niet sterk, vond hij.
‘Op het station haalde een boer ons met zijn vrachtwagen op en bracht ons naar zijn boerderij, 15 mijl, zo’n 22 kilometer buiten de stad. We zouden een jaar op zijn bedrijf werken, van vier uur in de ochtend tot zes uur ’s avonds – en kregen onderdak in een verbouwd kippenhok op zijn erf. Er was één kleine slaapkamer waar net een bed in paste. Voor een wieg was geen plaats, dus zetten we de reiswieg met onze baby op een kastje.’
Heeft u heimwee gehad?
‘In het begin heb ik wel gehuild. Alles was anders en ik kon niemand verstaan – ik sprak maar een paar woorden Engels – en miste mijn vader en moeder, broers en zussen. Dat schreef ik ze niet in mijn wekelijkse brieven, om ze niet bezorgd te maken. Een paar dagen na onze aankomst wilde ik mijn eerste brief aan mijn ouders versturen en probeerde de boerin duidelijk te maken dat ik luchtpost nodig had. ‘Sky post’, probeerde ik, maar ze begreep er niks van. Vervolgens gooide ik mijn brief de lucht in. ‘Ah, airmail!’, riep ze.
‘We kwamen er al gauw achter dat de winters in Alberta zeven maanden duren. Die lange periode maakte mij depressief. Gelukkig woonde een broer van mijn man op hetzelfde erf en een zus van hem 16 kilometer verderop. Haar zagen we elke zondag, als we naar de kerk gingen. Ons eerste jaar zat de enige kerk van de Christian Reformed Church in Edmonton nog halfvol. Twaalf jaar later waren er vijftien volle kerken, zoveel Nederlandse emigranten kwamen die kant op, vooral gereformeerden.
‘De protestantse kerk stimuleerde emigratie naar Canada en hielp met het leggen van contacten. In Canada steunde de geloofsgemeenschap ons. Het was denk ik door die kerkelijke banden overzee, de vastigheid en het thuisgevoel dat de kerk gaf, dat zoveel gereformeerden deze kant op kwamen. Ik zag altijd uit naar de zondag, want dan ontmoette ik mensen en kon ik Nederlands praten.’
Hoe is uw leven in Canada verlopen?
‘Als immigrant moet je hard werken om iets voor elkaar te krijgen. In de beginjaren hebben we armoede gekend. We hadden geen geld en connecties om een eigen boerenbedrijf te beginnen. Dat lukte pas na 15 jaar. Tot die tijd pakte Jan van alles aan. Hij werkte op boerenbedrijven, als vrachtwagenchauffeur en timmerman. Zodra we 500 dollar hadden gespaard, ging Jan ermee naar de bank en vroeg een lening om 17 koeien te kunnen kopen voor het stuk land dat we hadden gehuurd. De bank zei: ‘We hebben veel Nederlanders geholpen, dat ging allemaal goed, jullie krijgen ook een lening.’
‘Na 12 jaar zijn we weggegaan uit Edmonton, ik kon de lange winters niet meer handelen. Ik verbouwde sperziebonen; als ze net klaar waren om geoogst te worden, bevroren ze. We verhuisden naar Abbotsford in British Columbia, waar het klimaat aangenamer is. Bij ons pensioen wilde geen van onze kinderen het familiebedrijf overnemen, we konden het goed verkopen en van de opbrengst een mooi huis kopen.
‘In Canada kregen we nog zeven kinderen, twee van hen zijn overleden – onze zoon met het syndroom van Down op zijn 8ste, en nog een zoon op zijn 51ste. Twee jaar later verloor ik mijn man. Na een wandeling trof ik hem dood aan achter zijn computer.’
Is terugkijkend op uw leven, uw emigratie een juiste beslissing geweest?
‘Als ik van te voren had geweten wat we allemaal zouden moeten trotseren, had ik het niet gedaan. Het allerergste, wat ik nog steeds betreur, is dat ik na ons vertrek uit Nederland mijn ouders nooit meer heb teruggezien. Die 28ste april 1948 dat mijn moeder ons bij het tuinhek uitzwaaide, bleek de laatste keer. De eerste 25 jaar in Canada hadden we geen geld om elkaar op te zoeken. We hadden geen telefoon, er was nog geen computer, ons contact ging per brief. Op een dag bezorgde de postbode een rouwkaart: mijn moeder was overleden. De post had er zo lang over gedaan dat ze intussen al was begraven. Met mijn vader is het precies zo gegaan. Ook hier heb ik mij doorheen geslagen. It’s all good.’
Dit is het zesde en laatste interview met een 100-jarige die na de oorlog van Nederland naar Canada is geëmigreerd.
geboren: 23 augustus 1924 in Scharnegoutum
woont: zelfstandig, in Elim Village in Surrey, Canada
familie: acht kinderen (twee overleden), 16 kleinkinderen, 56 achterkleinkinderen en twee achterachterkleinkinderen
beroep: coupeuse
naar Canada geëmigreerd: in 1948
weduwe sinds 2004
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant