Het eerste literaire Palestijnse verslag van de oorlog in Gaza komt van Fatena Al-Ghorra. In 24 brieven aan haar nichtje beschrijft ze hoe Gazanen hun menswaardigheid proberen te behouden. ‘Als je wordt opgejaagd en er elk moment een bom kan vallen, is het een dagelijkse uitdaging om niet op te gaan in haat.’
is kunstverslaggever van de Volkskrant. Van 2005 tot 2010 was hij correspondent in Jeruzalem.
De Belgisch-Palestijnse dichter Fatena Al-Ghorra was nog maar net thuis in Gaza-Stad aangekomen of een van haar negen broers diende een schaal op met vruchten van de jummaiz, de wilde vijgenboom. Wat had ze die gemist in haar vijftien jaar van politieke ballingschap in België.
‘Vruchten van de jummaiz lijken op gewone vijgen. Ze zijn ook zoet. Maar toch smaken ze anders. Je kunt ze niet lang bewaren en zijn dus eigenlijk alleen meteen in Gaza te eten. Ze smaken als thuis.’ Met een lach: ‘Ik at ze allemaal op. Niemand kreeg er een.’
Het was heerlijk om er weer te zijn en om haar ouders, broers en schoonzussen weer in de armen te sluiten. De talloze nichtjes en neefjes stonden in de rij voor vrolijke selfies met de tante van ver. Samen maakten ze lol op het strand van de Palestijnse kust-enclave, die al jaren door Israël van de buitenwereld is afgegrendeld.
Drie dagen na haar aankomst, op de ochtend van 7 oktober 2023, vielen zeker duizend strijders van Hamas en andere gewapende groepen Israël aan op een schaal die niet eerder was vertoond. Urenlang hielden ze legerposten, kibboetsen en een dancefestival in de woestijn in hun greep. Het mondde uit in een bloedbad met bijna twaalfhonderd doden, in meerderheid burgers. Ook ontvoerden Hamas-strijders ruwweg 250 gijzelaars naar de Gazastrook, van wie ze er nu nog honderd vasthouden.
‘De ironie is dat ik me aan het voorbereiden was op een compleet nieuwe fase in mijn leven’, schrijft de 50-jarige Al-Ghorra in Uittocht naar Gaza, het eerste literaire Palestijnse verslag van de oorlog, in de vorm van 24 brieven aan haar 13-jarige nichtje Lamar. De laatste tien jaar maakte Al-Ghorra in Vlaanderen naam als schrijver en bruggenbouwer tussen de Arabische en Europese cultuur. ‘Ik had mezelf voorgenomen de strijd te staken. Er zou een fase van rust aanbreken, waarbij ik met gekruiste benen zou wachten op de beloningen van een leven vol oorlogen en conflicten.’
Maar het lot bepaalde dat ze in de eerste maand van de Gaza-oorlog met haar familie en twaalfduizend andere Palestijnen wekenlang voor de zware Israëlische luchtbombardementen moest schuilen in het volgestouwde al-Quds-ziekenhuis. In de eerste 25 oorlogsdagen zijn toen zeker 5.139 Palestijnse burgers gedood, concludeerden onafhankelijke onderzoekers van het met de Universiteit van Londen verbonden Airwars onlangs. Bijna vier keer zoveel als het hoogste aantal burgerdoden dat de organisatie ooit in één maand had geteld tijdens de oorlogen in Irak, Syrië en Oekraïne.
Haar woede over het toekijken van het Westen bij het Israëlische geweld was groot – en dat is, inmiddels meer dan 45 duizend officieel getelde doden verder, nog zo. Maar Al-Ghorra schrijft in haar brieven vooral over hoe Gazanen hun menswaardigheid proberen te behouden te midden van de verwoesting.
‘Het is moeilijk om zelf te blijven geloven dat je een mens bent als de Israëlische minister je ‘menselijke dieren’ noemt en daarnaar handelt’, zegt Al-Ghorra op een koude winterdag in haar kleine appartement in het noorden van Antwerpen. ‘Ineens kunnen ze je familie wegvagen, of je huis. Als je de beelden ziet vanuit hun drones, dan zie je ons op de grond krioelen, zo klein als mieren. Het leven voelt alsof een gamer een spel met je speelt. Je wordt opgejaagd, op zoek naar eten, naar veiligheid en elk moment kan er een bom vallen. Probeer jezelf dan maar bijeen te houden. Het is dan elke dag een uitdaging om niet helemaal op te gaan in haat.’
In de brieven van Uittocht naar Gaza klinkt het leven door dat Fatena al-Ghorra als opstandige vrouw achter zich heeft. Geboren in een doorsnee Palestijnse familie stemde ze er in toe op haar 17de te worden uitgehuwelijkt op voorwaarde dat ze van haar echtgenoot mocht gaan studeren. Aan de Islamitische Universiteit doorzag ze vervolgens de op de Koran gebaseerde gedragsregels als een ‘uitleg van mannen’ en gooide het roer om. Ze scheidde en zonder hoofddoek maakte ze carrière als televisiejournalist voor de Palestijnse omroep. Nadat de islamistische beweging Hamas in 2007 gewapenderhand de macht had gegrepen in de Gazastrook, zette ze zich als dichter in voor het behoud van culturele vrijheden.
‘In het begin regeerde Hamas met ijzeren greep over de Gazastrook’, zegt Al-Ghorra. ‘Op een gegeven moment gingen ze zelfs de keffiyeh verbieden, de Palestijnse sjaal. Het nationale symbool zou te veel doen denken aan hun rivalen van de oude machtspartij Fatah. Dat soort dingen maakte me zo boos. Niemand vertelt mij wat ik wel of niet kan dragen.’
Uiteindelijk vluchtte ze in 2009 naar Europa. ‘Ik was piano aan het oefenen met een vriend in het kleine cultureel centrum dat we toen runden. Hoewel we de deur op slot hadden gedaan, stond er ineens een man binnen. Ik zette meteen een grote mond op, zoals altijd: ‘Wat doe je hier?!’ Maar ik kon aan zijn ogen zien dat ik moest oppassen en dat mijn leven mogelijk in gevaar was. Ik besloot te gaan, omdat ik mijn ouders en familie niet tot last wilde zijn. Ik ben de enige dochter en in onze samenleving is het een schande voor de broers als hun zus steeds van zich laat horen. Ook was ik bang voor de haat die ik in mij begon te voelen.’ Ze kreeg politiek asiel in België.
Was u niet bang voor Hamas toen u vorig jaar naar Gaza terugkeerde?
‘Nee. Ik heb altijd contact gehouden met familie en vrienden in Gaza. Met journalisten ook. Ik ben het nog steeds niet eens met Hamas, want ik ben tegen iedereen die politiek bedrijft op basis van religieuze uitgangspunten. Maar ze hadden hun greep op de samenleving wat laten vieren. Ik was verbijsterd toen ik zag dat vrouwen op het strand en elders in het openbaar waterpijp rookten.’
U noemt nergens in het boek wat er op 7 oktober is gebeurd. Heeft dat een reden?
‘Over 7 oktober valt van alles te zeggen, maar ik wilde het daar niet over hebben. Ik wilde over de gewone mensen en hun leven schrijven.
‘Gaza is al heel lang een gevangenis met hoge muren. Zo hoog dat de mensen binnen hun huizen mooi zijn gaan maken en soms bijna vergeten dat ze opgesloten zitten. Als je mensen op die manier langzaam wurgt, is het niet vreemd als het tot een daad van verzet komt. Zo zie ik 7 oktober, als onderdeel van een lange historische strijd tegen onderdrukking en bezetting. Ik zie het niet als een daad van Hamas, maar als een daad van Gaza. Israël heeft geprobeerd de wereld ons te laten vergeten, maar Gaza laat zich niet van de kaart vegen. Sinds Alexander de Grote zijn er door de eeuwen heen veel bezetters van Gaza geweest. Wij zijn experts in ons land weer opbouwen.’
Irriteert het u dat ik naar de aanval van Hamas van 7 oktober vraag?
‘De vraag maakt me boos, ja. Kijk wat er de afgelopen vijftien maanden is gebeurd, en dan moeten we het steeds ook hebben over 7 oktober?
‘Je moet je afvragen waarom ze die verzetsdaad hebben gepleegd. Denk aan de Nederlandse verzetsstrijders uit de Tweede Wereldoorlog, die ook hun land verdedigden. Het Westen hanteert definities voor terrorisme en antisemitisme, maar daarbij hebben ze er geen rekening mee gehouden dat er allerlei culturen op de wereld zijn die een andere kijk hebben. Wat jullie terrorisme noemen, noemen wij in de Arabische cultuur verzet. Ik heb het privilege om een dochter te zijn van deze eeuwenoude cultuur en te weten dat onze taal ertoe doet.’
Uittocht naar Gaza speelt zich grotendeels af in de gangen van het al-Quds-ziekenhuis. Al-Ghorra en haar familieleden brengen de dagen rondhangend door, afwisselend zittend en liggend op dekens en een enkele stoel. Ze zijn veelal afgesneden van de buitenwereld, omdat de telefoon- en internetverbindingen plat liggen. De politiek-ideologische strijd over de oorlog, die wereldwijd op de zenders woedt, blijft zo op afstand.
In haar brieven blijft Al-Ghorra dicht bij de Palestijnen die ze ontmoet en hun ervaringen. Ze contrasteert het angstaanjagende geluid van de bombardementen en de nooit eindigende stroom bebloede slachtoffers met het alledaagse bestaan. De Gazanen die zitten te wachten op de dood, brengt ze tot leven – de jonge vrouw die, tenauwernood gered uit een gebombardeerd huis, tot haar vreugde ontdekt dat ze zwanger is; de jonge man die ‘lyrische liedjes’ zingt voor zijn geliefde die aan de andere kant van de trap zit; de vrouwen die in de krappe wc-ruimte de rij ophouden om nog even snel hun wenkbrauwen te epileren.
Het sterven van Jawad en Medhat, noemt Al-Ghorra in de tiende brief, ‘de eerste tragedie die mijn hart verscheurde’. Haar twee neven – ‘ze waren als broers voor me’ – schoten te hulp toen een raket het naastgelegen huis van hun neef had getroffen. Maar terwijl ze binnen de neef en andere gewonden probeerden te redden, sloeg een tweede raket in en waren ze gedood.
Dan schrijft ze: ‘Die neef over wie ik het heb, is dezelfde persoon die hen gedurende de meer dan veertig jaar dat ze buren waren geweest, voortdurend lastigviel en kwelde. Hij stond in de buurt bekend om zijn agressie, hij had zelfs ooit Jawad met een mes in de rug gestoken. Stel je voor: voor zo iemand zijn zij gestorven, voor zo iemand was al dit verdriet en dit verlies. Ik denk niet dat de dood nog onzinniger kan zijn.’
Terwijl Al-Ghorra praat, zitten op de hoekbank in de woonkamer haar vader en moeder. Soms dutten ze wat, spelen met de poes of bellen kort met thuis als er verbinding is. Ze logeren nu een jaar bij hun dochter, waar het televisienieuws en de geur van kardemom in de koffie Gaza dichtbij brengt.
Toen de oorlog na 7 oktober uitbrak, was voor Al-Ghorra meteen duidelijk dat ze niet zonder haar ouders zou vertrekken. Ze zijn beiden rond de 80 en vooral haar moeder heeft een broze gezondheid. Wekenlang strandde haar streven op de bureaucratie van asielaanvragen. Tientallen schrijvers, journalisten en wetenschappers riepen de regering in een open brief op mee te werken aan haar verzoek. Het liet zien hoeveel bekendheid Al-Ghorra in België had verworven met onder meer haar dichtbundels Gods bedrog (2014) en Neem dit lichaam (2019) en het theatrale Fatena’s Poëziesalon, waarin ze Nederlands- en Arabischtalige dichters samenbracht.
Drie maanden na het begin van de oorlog kregen haar ouders een humanitair visum zolang de oorlog duurt. Het is de tweede vlucht in hun leven: de eerste keer was in 1948, toen meer dan 700 duizend Palestijnen tijdens de Nakba zijn verjaagd of gevlucht om plaats te maken voor de Joodse staat Israël. Als peuters zijn Al-Ghorra’s ouders toen met hun families door de oprukkende Joodse strijdgroepen verdreven uit hun geboortedorp Kawfakha, een dorp slechts een kilometer of tien verwijderd van de huidige Gazastrook.
Als Al-Ghorra vertelt over de volle schaal met wilde vijgen die ze bij haar ontvangst in Gaza kreeg, mengt haar moeder zich in het gesprek om de veelsoortigheid in de jummaiz van Gaza te benadrukken. ‘De wilde vijgenbomen horen bij de geografie van Gaza’, licht Al-Ghorra toe. ‘Als je iemand de weg wilt uitleggen, zeg je: linksaf bij de jummaiz van Abu Ibrahim. Iedereen weet dan wat je bedoelt.’
De zorg voor haar ouders weegt soms zwaar, maar ‘ik ben mijn ouders en familie veel verschuldigd’, zegt Al-Ghorra. ‘Ik ben geen eenvoudige dochter voor ze geweest. Maar ik heb steeds geweten dat bij de strijd die ik voor onafhankelijkheid voerde, ik mijn familie niet wilde kwijtraken. Ik wilde dat we er allemaal beter uit zouden komen. Het is gelukt: nu zijn ze trots op me, en zien mijn neefjes en nichtjes me als een voorbeeld.’
Toen Fatena Al-Ghorra zo oud was als haar nichtje Lamar, was de eerste intifada aan de gang. De eerste Palestijnse opstand tegen de Israëlische bezetting, eind jaren tachtig, bestond uit stakingen, protestmarsen en stenen gooien naar de militairen. Het eindigde met de Oslo-vredesakkoorden en een kort moment van hoop op een eigen onafhankelijke Palestijnse staat naast de Joodse staat Israël.
‘Ik herinner me dat de Israëlische soldaten bij ons thuiskwamen om mijn broers te arresteren. Mijn vader stond dan op het dak en zag de legervoertuigen komen en riep naar beneden: ‘Wie is er aan de beurt?’ Mijn broers schreven ’s nachts leuzen van de opstand op de muren en dat was verboden. Ze hadden er speciale zwarte pakken voor gemaakt, zodat ze in het donker niet opvielen.
‘Op een dag had mijn broer Jihad het gevoel dat ze voor hem kwamen en hij vroeg me om de pakken te verstoppen. Dus ik rende naar boven, deed mijn pyjama uit, trok de twee pakken die we thuis hadden over elkaar aan en daarna mijn pyjama weer aan om ze te verbergen.’ Ze valt even stil. ‘Het is lang geleden dat ik hieraan heb gedacht.’
Heeft Lamar uw brieven gelezen?
‘Nee, ze is net 13 geworden. Ze volgt het nieuws natuurlijk, maar het is moeilijk voor haar om emotioneel te verwerken wat er in Gaza gebeurt. Het gezin van mijn broer is na de eerdere oorlog van 2014 ook naar België verhuisd. Ik heb sindsdien een sterke band met Lamar: ze is als een dochter voor me. Over een paar jaar kan ze het boek lezen.
‘Nadat we gevlucht waren naar het ziekenhuis, kreeg ik van allerlei kanten de vraag of ik een dagboek wilde bijhouden. Maar ik wist niet hoe ik moest beginnen. Mijn vriendin Jumana Mustafa, de Palestijns-Jordaanse schrijver, zei: doe alsof je iemand, je grootouders, vertelt wat je meemaakt. Toen moest ik meteen denken aan Lamar en het lukte me om met haar in gedachten te schrijven. Voor haar is Gaza de mooiste plek op aarde.’
Waarom heeft u aan de binnenkant van uw pols de woorden ‘Made in Gaza’ laten tatoeëren?
‘Het idee had ik al heel lang. Eigenlijk vanaf het moment dat ik vijftien jaar geleden in België aankwam. Als mensen me vroegen waar ik vandaan kwam, zei ik trots: ‘I'm made in Gaza.’ Dan pakte ik voor de grap het merkteken in de nek van mijn shirt vast.
‘In de laatste zomer was ik op vakantie in Hurghada, de Egyptische badplaats. Daar deed ik van alles voor het eerst: duiken, parachutespringen, dat soort dingen. Toen dacht ik: tijd voor de tatoeage. Ik wilde dat nooit. Niet om religieuze redenen, maar omdat ik iemand ben wiens ideeën zich altijd ontwikkelen en ik niet zou weten of ik een tattoo over tien jaar nog wel zou willen. Maar van deze weet ik zeker dat ik hem tot in mijn graf wil dragen.’
Fatena Al-Ghorra presenteert Uittocht naar Gaza aan Nederlandse lezers op 23 januari in OBA Oosterdok in Amsterdam, tijdens een literaire avond met schrijvers Sholeh Rezazadeh en Saban Ol over ‘publiceren in een vreemde taal’.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant