‘Bewaar dezen brief, dan kun je misschien later nog eens nagaan hoe een Amsterdammer was en leefde in December 1944’. Zo eindigt J.H.F. Grönloh (Nescio) een van de brieven die hij tijdens de hongerwinter – hij was toen 62 – vanuit Amsterdam schreef aan zijn dochters en hun gezinnen in Groningen, en die in maart in boekvorm verschijnen. Een voorpublicatie.
Amsterdam 17 December 1944, Zondagmiddag
Lieve Bob, Jan, Janneman, Miepje, Titi & Louisje
Verbeelden wij het ons? Het lijkt ons zoo dat er in jullie laatsten brief iets doorklinkt van moedeloosheid en van de moeilijkheden wel heel erg te vinden. Komt dat van de duisternis? Ja, dat gescharrel in half donker en bij de kaars moet even wennen, wij zijn daar al lang over heen. En wat kun je weinig doen op zoo’n korten winterdag, die vaak ook nog half nacht is. We hopen dat we ons vergissen en verkeerd gelezen hebben. Maar zelfs geen woordje over Sinterklaas, dat is toch wel wat verdacht. Tot en met den kortsten dag hebben we nog gekleurde kerstboom-kaarsjes, dan beginnen we aan de groote. En de batterij hebben we nog, gelukkig!
Heerlijk dat we nog wat van jullie mogen verwachten als ’t de voorzienigheid belieft. Boonen en erwten om eens iets te noemen zullen ook heel welkom zijn. Nu we zoo weinig brood krijgen vliegen die weg. Deze week krijgen we van de distributie per persoon: 1000 gram brood, 2 kilo aardappels en 125 gram kaas, anders niets. De groenteman heeft niets dan kool, kool, kool. Als ik kool kon eten zouden we groente genoeg hebben, nu is ’t wurmen en scharrelen en fietsen en loopen om iets voor de pot te bemachtigen. Toch lukt ’t nog telkens weer, meestal komt er iets op ’t onvoorziens: gisteren bracht Leo van beneden uit Bovencarspel voor ons mee: 1 maaltijd lof (voor 2 personen), 1 idem wortels, een bloemkooltje en voor Os ruim een pond spruitjes. Dat krijgt hij daar met behulp van Roomsche zusters waar z’n vrouw bij op school is geweest en die van Bergen naar Bovencarspel (bij Enkhuizen) zijn ‘geëvacueerd’.
Jan probeer het eens met carbid. Veel menschen hier hebben door een smidje een blikken carbidlamp laten maken, maar de moeilijkheid is al gauw om aan carbid te komen. In ’t Noorden schijnt nog al wat te zitten: juffouw van Eck heeft van de week uit Usquert een blik met 10 kilo carbid cadeau gekregen.
Het lijkt ons ondoenlijk naar Groningen te komen. Ik met de fiets zou misschien nog een kans hebben, maar Ossi? En midden in den winter door al dat vuile weer? Eerst mogelijk een heele nacht op dek van de Lemmerboot (als we al verlof krijgen). Daar zijn wij niet tegen opgewassen, als we al aankomen zijn we doodziek, maar waarschijnlijk blijven we onderweg ziek liggen. – Men zegt dat er nu eenige maatregelen genomen zullen worden om de transportmoeilijkheden te overwinnen, er zouden levensmiddelen genoeg zijn als ze maar hierheen gebracht konden worden. Hoe lang de oorlog nog zal duren daarover hebben wij geen meening, dus achten wij het ook niet zeker dat het nog lang zal duren, dat kunnen wij niet weten.
Met Ossi gaat het redelijk wel, alleen slavin van het fornuis. Uit haar kattebelletje hebben jullie inmiddels gezien dat ze nog leeft.
Postpakketten bestaan niet meer, maar we zullen probeeren weer een pak te maken. Met belangstelling kijken we naar die foto uit.
Hoe de stemming is in Amsterdam? Voor zoover ik er persoonlijk iets van merk: rustig, maar grimmig en vol galgenhumor, gijntjes op ’t broodrantsoen, de aardappelen en dat we zoo dik worden. Men zei, dat er winkels geplunderd zouden zijn, een bakkerij in de Dapperstraat, ergens een winkel van de Gruyter in de Pijp enz, maar ik betwijfel ’t. Frieda Rotgans heeft uit den Haag aan haar ouers geschreven dat daar dooien zouden zijn gevallen bij het plunderen van zaken.
Wel verdwijnen overal de boomen. De Kruislaan tusschen den Middenweg en de Weesperzij is nu heelemaal kaal op het laatste stukje na, een eind voorbij ’t kerkhof. Weer een fraai winter-silhouet weg. Op Frankendaal wordt een heele laan gekapt van gemeente-wege, voor de centrale keuken, de laan langs de sloot bij de Emma-kerk. Ik heb nu zelf gezien hoe ze alles uit leege huizen slopen, in de Blasiusstraat. Eén onderhuis was totaal leeggebroken, ergens anders zat een vent éénhoog in de vensterbank te zagen, één been binnen en één been buiten, een ander gooide planken naar beneden. En we scharrelen maar, soms vang je wat, soms nix. Vrijdag eerst 20 minuten in de rij gestaan op het Dapperplein aan een groentenkar voor een pond soepgroente met gehakte worteltjes er door, daarna een half uur voor den winkel van Piet voor kaas op de bon enz enz.
Dag, moed en vertrouwen, Pap.
Het is nu over achten, de deur is vandaag niet van ’t nachtslot geweest!
Met m’n pijnen gaat ’t veel beter sedert ik zoo goed mogelijk diëet houd.
De laatste 14 dagen huizen we ’s Zondags ook in de keuken. We vinden dat gezelliger en ’t spaart brandstof.
Zingen in het donker – Brieven uit de hongerwinter van Nescio, van commentaar voorzien door zijn biografe Lieneke Frerichs, verschijnt in maart bij uitgeverij Van Oorschot (168 pagina’s; € 22,50).
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant