Sylvia Witteman verheugt zich op een nieuwe bloemlezing van Simon Carmiggelt, haar grote voorbeeld. De oorlog in stukjes bevat columns die Carmiggelt over de Tweede Wereldoorlog schreef in Het Parool, de destijds illegale krant.
‘Toen Fien de deur achter zich dicht getrokken had en haar wat moeizame oude-vrouwenstap de trap op ging zei juffrouw Wolsma tegen haar man: ‘Alsjeblieft – negen uur, daar gaat ze weer’. De man, nauwelijks zichtbaar bij het bibberend schijnsel van het drijvertje, haalde zijn schouders op. ‘Ze gaat een slokkie water drinken’, zei hij. ‘Dat zegt ze’, siste juffrouw Wolsma, conspiratief fluisterend. ‘Maar ik verzeker je dat ze wat op haar kamer heeft. Ze eet.’
Zo begint de column ‘Honger’. Simon Carmiggelt schreef hem tijdens de Duitse bezetting in Het Parool, toen een illegaal krantje waarvan de vervaardiging en verspreiding levensgevaarlijk was. Voor jongelui, en zelfs voor mensen van mijn leeftijd, die altijd in vrijheid en overvloed geleefd hebben, is het moeilijk te bevatten hoe die tijd geweest is.
De eerste alinea van die column werpt allicht vragen op: waarom woont Fien bij het echtpaar Wolsma? (omdat die nog wél een beetje brandstof hebben om te stoken), wat is een drijvertje? (een klein noodlampje van olie met een brandend pitje), waarom is het ‘juffrouw’ en niet ‘mevrouw’ Wolsma terwijl ze toch getrouwd is? (een getrouwde vrouw uit een niet-hoge stand werd tot halverwege de 20ste eeuw meestal een ‘juffrouw’ genoemd) en waarom zit haar oude vriendin Fien zo stiekem te eten?
‘Eten-eten-eten-de hele dag werd erover gepraat. Dat begon ’s ochtends al. Zullen we nu een boterham nemen of straks? Anna en hij aten hem meestal meteen op, maar Fien kon beter bewaren. Die begon er om elf uur aan, in haar eentje. Dat irriteerde. Dan werden er van die geknepen grapjes gemaakt. ‘Zo, zeg, ja, jij hébt nog, hè? Wij zullen wel kijken’.
De Hongerwinter, kortom, die Nederland lamlegde en zo’n twintigduizend mensen het leven kostte. ‘Toch was de gedachte aan doodgaan de laatste tijd heel anders dan vroeger. ’t Leek op lekker slapen met veel dekens en niet meer hoeven opstaan voor ’t gedonder met de kachel, die het moeizaam bijeengeschraapte hout in een ommezien verzwolg, het brood, dat te weinig was, de prak waarna je een uur later alweer honger had – kortom, dat hele zielige gemartel om maar vooral ooggetuige te blijven van een leven dat het vervloeken niet waard was.’
Ja, dan is het begrijpelijk dat je kwaad wordt als je een huisgenote betrapt op stiekem eten. Taai-taai, nota bene, want dat blijkt het te zijn: een bijna vergeten lekkernij, een herinnering aan betere tijden. ‘Hier’ zei Fien, ‘nog drie stukken. Meer heb ik echt niet’. Ze namen ieder een brok en begonnen er langzaam van te eten.’
In alle eenvoud is het een hartverscheurend verhaaltje over menselijke beschaving, en hoe die onder zware omstandigheden zomaar kan omslaan in een dierlijk ieder-voor-zich. Carmiggelt had als geen ander oog voor dit soort kleine doch pregnante binnenhuisdrama’s, of het nu ging over een klein jongetje dat zijn ballon de lucht in ziet gaan, of over hongerlijders in een van de ergste perioden die Nederland gekend heeft.
Die oorlog kostte Carmiggelts broer Jan het leven, en kort daarop stierf ook zijn vader. Uit Carmiggelts gedicht ‘In de trein’: ‘Bij Vught dacht ik: Hier is broer Jan gestorven./ En ‘k zag mijn vader, met zijn oud gezicht/rood opgezwollen, toen het doodsbericht/zijn late leven toch nog had bedorven’.
Carmiggelt heeft die oorlog nooit los kunnen laten en is er over blijven schrijven, tussen al die vrolijke stukjes door, als bittere krenten in de zoete pap. De oorlog in stukjes heet de nieuwe bloemlezing. Er staan bekende columns in, zoals het bovenstaande ‘Honger’, maar ook een stuk of wat die nog nooit eerder gebundeld zijn. Een postuum cadeautje is het, voor de verstokte Carmiggeltliefhebber, maar ook voor iedereen die eens wil weten wat die beruchte Tweede Wereldoorlog nou eigenlijk betekende voor doodgewone mensen.
De door Frank Carmiggelt samengestelde bloemlezing De oorlog in stukjes, met columns die zijn vader Simon Carmiggelt (1913-1987) in Het Parool over de Tweede Wereldoorlog schreef, verschijnt in april bij De Arbeiderspers (160 pagina’s; € 19,99).
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant