De hoopvolle verwachting, opgeschreven in mijn vorige column, dat de race tussen mensheid en klimaatverandering nog in ons voordeel kan eindigen dankzij de spectaculaire ontwikkeling van duurzame technologie, liep vooral in progressieve kringen tegen nogal wat ongeloof en scepsis op. Echt? Het tij is toch al niet meer te keren. En techniek gaat ons al helemaal niet redden. Waar haal je het optimisme in hemelsnaam vandaan?
Noem mij een onverbeterlijke ingenieur, maar de doemdenkers zitten er technisch geheel naast, gelukkig. Er is een haalbaar pad richting een volledig klimaatneutrale samenleving in 2050. Een pad waarin 10 miljard mensen op deze planeet in bijna Europese welvaart verblijven zónder het welzijn van toekomstige generaties op het spel te zetten. Die wereldeconomie is dan twee keer groter dan nu, maar heeft dankzij nieuwe technologie mínder energie nodig. Om je daar iets bij voor te stellen: elektrische auto’s zijn zo veel efficiënter dat we ondanks 9 biljoen − negenduizendmiljard − extra autokilometers in 2050 minder dan de helft van de energie nodig hebben voor al die mobiliteit.
Maar al dat koper, kobalt, lithium, nikkel en andere kostbare metalen dan? Windmolens, zonnepanelen en batterijen vergen inderdaad onvoorstelbare hoeveelheden van deze grondstoffen. Zelfs bij optimale recycling is er bijvoorbeeld zo’n 10 miljoen ton zeldzaam kobalt en meer dan 1 miljard ton koper nodig. En dat is dus allemaal ruimschoots beschikbaar in de schoot van Moeder Aarde. De mijnbouw die daar nu, ver van hier, op wordt losgelaten is verwoestend en mensonterend, maar de reden daarvoor is louter hebzucht. Fatsoenlijke winning is technisch prima mogelijk, net zoals volledige recycling. En het is ook nog betaalbaar.
Niettemin leest u bovenstaande op zijn best met verbazing, meer waarschijnlijk zelfs hoofdschuddend. En daar heeft u goede redenen voor. Het succes van de energietransitie wordt niet bepaald door het technisch potentieel of de financiële middelen, maar door het maatschappelijk vermogen om de enorme veranderingen die ermee gepaard gaan, te absorberen. Dat vermogen is beperkt en het lijkt ook nog eens af te nemen, zeker in het rijke deel van de wereld.
Over de auteur
Diederik Samsom is natuurkundige, oud-politicus en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Grootschalige veranderingen in een economie zijn, zoals voorgaande industriële revoluties hebben aangetoond, inherent darwinistisch van aard. Een elite die zich snel kan aanpassen, profiteert van nieuwe mogelijkheden en stijgende welvaart. Zij die minder wendbaar zijn, springen niet soepeltjes vanuit hun verdwenen baan naar een nieuwe en moeten zich maar zien te redden. Dit onrecht breekt een maatschappij uiteindelijk op.
Het recept hiertegen werd meer dan honderd jaar geleden al bedacht en sindsdien gestaag uitgebouwd: de sociale welvaartsstaat. Een overheid die door herverdeling en sociaal vangnet de darwinistische effecten dempt, handig gebruik makend van de enorme extra welvaart die de industriële revoluties óók brachten. Door herverdeling behield de samenleving haar veranderingsgezindheid en boekte ze vooruitgang. Zo ging het bij de eerste (de stoommachine), de tweede (de massaproductie) en ook de derde revolutie (de automatisering). De vierde (een combinatie van energie- en digitale) revolutie die we nu meemaken is echter omvangrijker, ingrijpender en sneller dan ooit. Terwijl we er, althans in het Westen, niet veel rijker van worden. Het maakt de herverdelingsopgave steeds ingewikkelder
Als het alleen om geld zou gaan, lukt het wellicht nog wel. Maar hoe verdeel je eigenlijk hoop, optimisme en perspectief? Meer nog dan financiën zijn dat namelijk de cruciale ingrediënten voor de veranderingscapaciteit van een samenleving. De hoeveelheid hoop en perspectief wordt inmiddels snel kleiner voor een steeds grotere groep, tot diep in de middenklasse. Ziedaar de opkomst van de populisten die houvast bieden met de belofte dat er niets hoeft te veranderen. Ziedaar de worsteling van het politieke midden, omdat het huidige beleid wel geld maar geen optimisme gelijkmatig kan verdelen.
Daarvoor is een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de sociale welvaartsstaat nodig. Met een veel grotere rol voor het onderwijs, waar kansen vooraf worden geschapen, in plaats van achteraf herverdeeld. Het creëren van een weerbare maatschappij, die tegen een stootje kan. Plus een actieve industriepolitiek, om ook in de nieuwe economie iedereen een plek te geven. Meer investeren voor straks en minder spenderen voor nu dus. Wie wil er met dat verhaal de boer op?
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant