Home

Wil je op oorlogsdreiging voorbereid zijn, laat je buren dan zien dat ze je kunnen vertrouwen

Lang voordat Thuisbezorgd zijn intrede deed, werden kinderen als koeriers ingezet in de pauperflat waar ik mijn jeugd doorbracht. Door taalbarrières, te veel stress aan het hoofd en door trauma’s veroorzaakte mensenschuwheid onderhielden de meeste volwassenen nauwelijks sociaal contact met buren. En geef ze eens ongelijk. Maar ze wisten wél dat investeren in een zekere vorm van gemeenschapszin, hoe klein ook, essentieel is om te overleven. En dus stuurden onze ouders de kinderen met schalen en bakken voedsel af op de buren.

De kinderen van vier hoog leverden manti (Turkse ravioli) af. Ik liep de trappen op met een zak vers in stukken gehakt lamsvlees naar het Iraakse gezin met een vluchtelingenachtergrond, dat al klaarstond met gegrild vlees en gekruide rijst voor mijn ouders. Ik ging met vers gebakken brood de deur uit en wandelde even later terug met een potje zelfgemaakte Javaanse sambal. Via de buurman uit Papoea-Nieuw-Guinea ruilde ik Marokkaanse koekjes tegen een kerststol.

Zelfs onze kat, die compleet maling had aan religieuze eetvoorschriften, bezorgde eens een (gestolen) rookworst aan mijn moeder.

Noem het de achterstandswijkversie van Jan Terlouws ‘touwtje uit de brievenbus’, met het verschil dat in onze flat de brievenbussen aan de muur in de galerijhal waren getimmerd. En daar hingen geen touwtjes uit, maar gleden met name rotjes en betaalherinneringen door de klep. Maar het idee van het voedsel ruilen was: ‘Ik ben te vertrouwen, volgens mij ben jij ook te vertrouwen, en als je iets nodig hebt: mij niet bellen, maar stuur een van je kinderen om je verzoek door te geven.’

Aan die bezorgdiensten moest ik denken toen Navo-baas Mark Rutte, in de laatste maand van het afgelopen annus horribilis, Europeanen opriep zich voor te bereiden op een mogelijke oorlog. Al in de weken ervoor had ik, inmiddels een krantenlezende modelburger, drie blikken ragout en vier flessen water in huis gehaald. Toen ik vervolgens trots een filmpje van mijn nieuwe opwindbare radio naar mijn zus appte, kwam de ontnuchtering. ‘Zo cute’, antwoordde ze. ‘Misschien mag je ’m meenemen naar het werkkamp.’

Daar zat ik dan voorbereid te zijn, met mijn radiootje. Want de fluim van mijn zus op mijn individualistische mentaliteit was terecht: in mijn vroegere flat woonden voormalige oorlogsvluchtelingen die zich altijd al bewust waren geweest van oorlogsdreiging, uiteindelijk toch naar een vreemd land hadden moeten vluchten en in een smoezelige flat kwamen te wonen waar een koerierskind op gezette tijden aan de deur klopte.

Na de oproep van Rutte begon ik me ook te storen aan de geopolitieke theekranspodcasts. Daarin keuvelden wijze mannen (‘o, dit gaat niet goed, jongens’) over het gebrek aan mentale weerbaarheid in Nederland. Noodpakketten en contant geld moesten mensen in huis halen. En een fles crémant de Bourgogne om het gezellig te houden, waarom niet. Verder geen woord over gemeenschapszin en solidariteit als graadmeter van mentale weerbaarheid in de samenleving.

Als er toch iets zinnigs te leren valt uit de bezorgdiensten van weleer – en tevens een goed voornemen voor 2025 – is het misschien dit: je bent wat beter voorbereid op noodsituaties en oorlogsdreiging wanneer je je buren vertrouwt. Wanneer je ook vooral zelf aan je buren laat zien dat je te vertrouwen bent. En dat je, wanneer er echt stront aan de knikker is en de overheid geen sjoege geeft omdat overleven ook voor de armlastigen nu eenmaal ‘een eigen verantwoordelijkheid’ is, kalm kunt blijven. Want er zal vast iemand in de buurt wonen die een uitgekiend plunderplan heeft gemaakt, en je mag erop vertrouwen dat een koerierskind dat plan netjes aan je deur zal bezorgen.

Over de auteur
Nadia Ezzeroili is opinieredacteur en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Source: Volkskrant

Previous

Next