Home

Wereldvrede, woongroepen, meer spiritualiteit: dit dachten wetenschappers over 2025

Veertig jaar geleden blikten zes destijds prominente Nederlandse wetenschappers vooruit op 2025, het jaar dat net is begonnen. Klopten hun verwachtingen? Zes toekomstvoorspellingen – en hoe het afliep.

Maarten Keulemans is wetenschapsredacteur bij de Volkskrant, gespecialiseerd in klimaat en microleven.

1. In 2025 is het eindelijk vrede

Open een nieuwssite of zet het nieuws op, en het gaat al snel over de oprukkende polarisatie, de heroplevende Koude Oorlog, of het opgelaaide geweld in het Midden-Oosten.

Maar toen documentairemaker Kees Vlaanderen in 1986 zes prominente wetenschappers vroeg naar hun verwachtingen voor het jaar 2025: niets van dat al. Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen verwachtte een democratisch gekozen wereldregering, niet Donald Trump. Vredeswetenschapper Hylke Tromp gokte op het einde van oorlogen, niet op een gewapend conflict in Europa’s achtertuin.

‘We kunnen de toekomst zeker niet voorspellen’, erkende Tinbergen. ‘Maar enkele grote lijnen kunnen we toch wel aangeven.’ En die grote lijn was, volgens zowel hem als Tromp: steeds grotere, omvattende netwerken van landen die hun onderlinge meningsverschillen vreedzaam oplossen.

Neem Europa: ‘Het barst van de conflicten, maar niemand denkt erover om in een Frans-Duits conflict over aardbeien militaire middelen te gebruiken’, zag Tromp. ‘Wij hébben oorlog afgeschaft.’ De ‘groei van economische belangen over de hele wereld’ en het ‘toenemend besef dat we van elkaar afhankelijk zijn’ zou ervoor zorgen dat ‘het idee om alles bij elkaar kapot te gooien, absurd wordt’, meende Tromp.

Enfin, het is 2025, in Oekraïne is het oorlog, in Europa en Amerika morrelen populistische politici aan de democratie, en de wereldhandel bleek bij nader inzien niet in staat heropleving van oude vijandschappen te voorkomen. Voorspelling mislukt? Niet helemaal. Want de experts waren dan te optimistisch; ze zaten wel degelijk in de goede richting.

Zo werden internationale netwerken inderdaad groter (de Europese Unie had destijds nog maar 12 lidstaten). De Verenigde Naties zetten zestig vredesmissies op, bij het Internationaal Gerechtshof verdubbelde het aantal zaken, en de internationale gemeenschap kwam tot allerlei ambitieuze plannen, van het klimaatakkoord van Parijs tot de zeventien ‘duurzame ontwikkelingsdoelen’ van de VN.

Zelfs Tromp zat er niet eens ver naast. Oorlogen, in de zin van grote gewapende conflicten tussen staten, zijn inderdaad in aantal afgenomen – het zijn er momenteel maar twee. Wel nam het aantal gewapende conflicten bínnen landen en losse schermutselingen in aantal toe, van 40 toen naar 57 nu. Precies wat Tromp óók zag aankomen: in een tot de tanden bewapende wereld zullen ‘steeds meer kleine groepen zich van wapens meester maken en daarmee hun politieke doeleinden proberen kracht bij te zetten’, zei hij.

Bovendien, waarschuwde Tromp: ‘Je kunt een oorlog niet voorspellen. Ik vrees dat (de trend naar meer vrede, red.) onderbroken zal worden door gewelddadige erupties.’ Pas op dat die ‘erupties’ niet uit de hand lopen. ‘De kans bestaat dat het ooit eens escaleert tot een echte, grote wereldoorlog.’

2. In 2025 is werk totaal veranderd

Het was 1986, de jaren van Reagan en Thatcher, van stakingen en jeugdwerkloosheid, het jaar van de kernramp in Tsjernobyl, de veertiende Elfstedentocht en het tweede kabinet Lubbers. Een andere wereld, van elke tien vrouwen in de arbeidsleeftijd werkten er maar vier.

Daarin zou verandering komen, volgens organisatiepsycholoog Geert Hofstede. Meer vrouwen zouden de arbeidsmarkt betreden, en daarmee zou werken, zoals hij het noemde, ‘feminiener’ worden. Dat wil zeggen: meer beroepen ‘waarbij menselijk contact essentieel is’, en zowel op de werkvloer als daarbuiten meer aandacht voor de balans tussen werk en privé.

Zo voorzag Hofstede ‘een grotere verscheidenheid in werktijden en arbeidsduur’ dan de 40-urige werkweek die destijds gewoon was. Door ‘nieuwe informatie-infrastructuren’ zou kantoorwerk in 2025 sowieso totaal anders zijn, voorzag ook oud-Philips-topman Wisse Dekker, in een vervolgreeks interviews die Kees Vlaanderen een paar jaar later zou maken.

‘Ik kan me goed voorstellen dat je een kern van zoiets als een kantoor overhoudt, maar dat er veel werk thuis, of waar dan ook verricht gaat worden’, zei Dekker, jaren voor de doorbraak van internet. ‘Want voor het overdragen van kennis en informatie en voor toegang tot informatie is een kantoor dan niet meer nodig. Ik denk dat vaste werkuren geweldig ter discussie zullen komen te staan.’

Hofstede dacht bovendien dat er ‘veel mogelijkheden tot herscholing’ zouden komen. ‘Waarmee mensen in gelegenheid worden gesteld om een paar keer in hun leven iets anders te gaan doen’, voorzag hij, decennia voordat termen als ‘zij-instromers’ en ‘levenslang leren’ gemeengoed werden.

Toch zat Hofstede er ook op een aantal punten naast. Zo dacht hij dat er in 2025 wellicht een basisinkomen zou zijn, en meende hij dat we ‘vervelend werk’ onderhand zouden overlaten aan machines en robots.

Niet helemaal onjuist, maar wel veel te positief. De automatisering ging geleidelijker dan hij veronderstelde. Dat we veel werk zouden uitbesteden aan lagelonenlanden, en gaten zouden opvullen met arbeidsmigranten, miste hij. Wat Hofstede niet voorzag: de arbeidsmarkt is internationaal geworden.

3. In 2025 is het gezin niet meer de maat der dingen

De toekomst voorspellen is eigenlijk onbegonnen werk, het is zelfs de eerste zin van Vlaanderens interviewbundel. Daarom bedacht hij een list. Vlaanderen besloot de wetenschappers die hij sprak te vragen naar hun gewenste toekomst. Met als gevolg dat de prognoses die hij hoorde soms wel erg zonnig zijn.

Des te opmerkelijker dat die prognoses vaak wél in de goede richting zitten. Neem de vooruitblik van socioloog Iteke Weeda in een tijd dat het kerngezin nog hoeksteen van de samenleving was, met als norm de man op het werk en de vrouw thuis met de kinderen.

Dat is in 2025 anders, meende Weeda. ‘Ik denk dat kinderen steeds meer in andere relaties dan die ene man-vrouwrelatie opgevoed worden. Een wezenlijke verandering in het gezinsleven. Bijvoorbeeld twee mannen zullen een kind opvoeden, of twee vrouwen’, voorzag Weeda, vijftien jaar vóór het eerste homohuwelijk.

Het kerngezin zou blijven bestaan, maar vriendennetwerken zouden meer de lijm van het sociale leven worden, dacht Weeda. ‘Mensen die veel voor je betekenen, mensen op wie je eventueel terug kunt vallen als een relatie slecht loopt of uiteenvalt, mensen die ook iets voor je kinderen betekenen.’

Weeda schoot erin door – zo dacht ze de woongroep een veel grotere rol toe dan die vandaag in werkelijkheid heeft. En ze onderschatte ontwikkelingen die vandaag veel gewicht in de schaal leggen, zoals de toegenomen kinderloosheid en de opkomst van co-ouderschappen en samengestelde gezinnen met wat ‘bonuskinderen’ is gaan heten.

Lollig is Weeda’s opsomming van een aantal ‘nieuwigheden’ die ze in 1986 signaleerde, en die volgens haar snel geaccepteerd zouden worden: ‘donorinseminatie, eenoudergezinnen, woongroepen of juist alleen wonen, latrelatie en dergelijke.’

Toch weer die woongroepen.

4. In 2025 medicaliseren we van alles

De genetica stond veertig jaar geleden nog in de kinderschoenen. Toch zag de Rotterdamse geneticus Hans Galjaard goed welke toekomst er voor ons lag. ‘Tegen die tijd’, zei hij over het jaar 2025, ‘kunnen we via de computer het hele genoom, het hele genetische materiaal van de mens, in kaart brengen.’ Inderdaad is het uitlezen van (delen van) het DNA bij allerlei diagnoses en toepassingen standaardpraktijk.

Keerzijde is wel dat medici meer in de ban zouden raken van ‘het aantonen van afwijkingen’, aldus Galjaard. ‘Het zal steeds moeilijker worden om precies vast te stellen wat je nu wel een afwijking vindt, en wat niet. Want naarmate je meetlat fijner wordt, zul je steeds meer afwijkingen vinden.’

Galjaard voorzag, kortom, vergaande medicalisering van allerlei zaken die men in 1986 nog accepteerde als ‘normaal’. Een wildgroei aan medische etiketjes en behandelingen, en ‘minder aanvaarding van kleine ongemakken en beperkingen’, aldus Galjaard. ‘We moeten toe naar een samenleving waar (…) het gaat om aanvaarden dat anderen anders zijn.’

Toch overschatte Galjaard ook hoeveel waarde mensen daarbij zouden gaan hechten aan genetica. Het laten uitlezen van het complete DNA bij volwassenen of ongeboren baby’s om allerlei erfelijke neigingen op het spoor te komen, is beperkt gebleven tot de ‘medische noodgevallen’: mensen, die een ernstige erfelijke aandoening in de familie hebben. Kennelijk blijven de meeste mensen liefst een beetje onwetend over welke genetische bagage ze precies meedragen.

5. In 2025 zijn we minder materialistisch

Socioloog Bart van Steenbergen zou vreemd hebben opgekeken hoe Nederland zich heeft ontwikkeld. In plaats van X, verwachtte hij in 2025 meer ‘onderlinge samenhang, integratie, nieuwe heelheid’. En in plaats van een wereld verslaafd aan smartphones, TikTok en Instagram, verwachtte hij het einde van het materialisme.

Dat zit zo. Eenmaal verzadigd met alle gemakken van de welvaart, zouden we ons op andere, verhevener zaken richten. Zoals kunst, spiritualiteit en diepe menselijke contacten, dacht Van Steenbergen, in navolging van de Amerikaanse socioloog Ronald Inglehart.

‘Het kan zijn dat we zo gefascineerd zijn door dat materiële welvaartsniveau, dat we op die weg door willen gaan. Dat zou je dan een hyper-materialistische maatschappij kunnen noemen’, besefte Van Steenbergen weliswaar. Maar hij gokte dat het anders zou lopen: ‘We kunnen de sprong maken naar wat wel genoemd wordt de hogere behoeften.’

Maar valt dat even tegen: hypermaterialisme is het geworden. Zo’n 80 procent van alle Nederlanders legt liever de nadruk op meer welvaart dan op meer welzijn, volgens Europese onderzoekscijfers. En terwijl de welvaart steeg, nam in Nederland, Italië en Denemarken het ‘postmaterialisme’, zoals het minder binden aan wat grofstoffelijk bezit heet, juist af.

Wat Van Steenbergen onderschatte: we voelen ons juist kiplekker bij materialisme. Tevreden met het eigen leven is ruim driekwart, een van de hoogste percentages van Europa. Meer welzijn, gráág. Zo lang we maar wel een selfie van hoe goed we het hebben op Instagram kunnen zetten.

6. In 2025 is er… geen klimaatverandering?

Smartphones. Kunstmatige intelligentie. E-bikes. Het zijn zomaar wat woorden die in de interviews die Vlaardingen afnam ontbreken, domweg omdat ze in 1986 nog niet of amper bestonden. En er is nog een hedendaags sleutelwoord opvallend afwezig: klimaatverandering.

Het woord ‘klimaat’ komt in de interviewbundel Het Jaar 2025 (en het vervolg erop, Aldus sprak de vooruitgang) niet eens voor. ‘Milieu’ wél, maar destijds dacht men daarbij aan ‘bodemverontreiniging’, ‘zure regen’ en ‘de uitputting van natuurlijke grondstoffen’. Het zij de knappe koppen enigszins vergeven: het klimaatpanel het IPCC werd pas opgericht in 1988. Vanaf dat jaar begon het thema het nieuws te domineren.

Toch had men beter kunnen weten. Al in 1979 hield de VN een klimaatconferentie in Genève met als uitkomst dat ‘er komende 50 jaar radicale veranderingen in de landbouw en de energieproductie moeten worden doorgevoerd’ om te voorkomen ‘dat de temperatuur op aarde steeds verder oploopt’, zoals de Volkskrant schreef. Kennelijk was het gevaar destijds echter nog wat te abstract om er veel van te vinden.

Met dank aan Kees Vlaanderen, Thijs Bol (Universiteit van Amsterdam), Anne-Rigt Poortman (Universiteit Utrecht) en Léonie de Jonge (Universiteit van Tübingen).

Van de zes wetenschappers die Vlaanderen in 1986 interviewde, zijn er vijf inmiddels overleden. Hoogleraar emancipatievraagstukken Iteke Weeda, is allang gepensioneerd en laat per e-mail weten liever niet meer mee te werken aan een terugblik.

Alles over wetenschap vindt u hier.

Source: Volkskrant

Previous

Next