Deze maand is het vijftig jaar geleden dat in Limburg de allerlaatste steenkolenmijn dichtging: de Oranje-Nassau I in Heerlen. Heerlen-Noord, een van de armste stedelijke gebieden van Nederland, kampt nog steeds met wat die historische mijnsluiting in gang zette.
is regioverslaggever van de Volkskrant in Zuid-Nederland.
In deze ijzeren liftkooi ging vijftig jaar geleden voor de allerlaatste keer bijna 500 meter de diepte in, gebaart de Limburger in het oude schachtgebouw van de voormalige steenkolenmijn Oranje-Nassau I in Heerlen. Hij was opzichter van een groep van tachtig tot honderd koempels, oftewel mijnwerkers. In elk liftje pasten zes mijnwerkers; een ‘trek’ van drie liften boven elkaar bracht telkens achttien koempels ondergronds.
‘Je moest dicht tegen elkaar aan gaan staan’, zegt Niks in het schachtgebouw, dat tegenwoordig onderdeel is van het Heerlense Mijnmuseum. ‘Als iemand knoflook had gegeten, waren de rapen gaar.’
Op 31 december 1974 sloot de Oranje-Nassau I als laatste van de twaalf Limburgse mijnen de deuren. Formeel was het een gewone werkdag en dus gingen de mijnwerkers om 7 uur ‘s ochtends gezagsgetrouw ondergronds.
Maar de kolenschaaf raakten ze niet meer aan. ‘We lummelden wat rond en praatten met elkaar: wat ga jij hierna doen?’, aldus Niks. ‘De enige reden dat wij ondergronds gingen, was omdat ons dienstverband tot en met oudejaarsdag liep.’
Als uiting van protest besloot een deel van de koempels niet de volle acht uur uit te zitten: al om 12 uur namen ze de lift naar boven. Daar stuitten ze op een kwade mijninspecteur die schreeuwde en tierde dat de werkdag nog niet om was.
De inspecteur had cameralieden uitgenodigd om de laatste mijnwagen met steenkool te filmen. ‘Maar die stond daar al een week klaar – het was allemaal fake.’
Niks schudt het hoofd als hij terugdenkt aan die tijd. ‘Ik heb in drie mijnen gewerkt, die één voor één dichtgingen’, zegt hij. ‘Maar ik heb nooit een bedankje gehad. Van die schreeuwende mijninspecteur heb ik ook nooit meer iets gehoord. Drie dagen na de sluiting van de Oranje-Nassau I zat ik achter het bureau bij pensioenfonds ABP, waar ik uiteindelijk dertig jaar heb gewerkt.’
Vijftig jaar na de sluiting van de laatste kolenmijn zijn de gevolgen daarvan nog steeds zichtbaar en merkbaar. Heerlen-Noord, waar alle vier de Heerlense mijnen waren gevestigd en waar bovengronds duizenden goedkope woningen voor de mijnwerkers zijn gebouwd, is één van de armste stedelijke gebieden van Nederland.
Het stadsdeel, met veertien woonwijken en 55 duizend inwoners, scoort vergeleken met het landelijk gemiddelde aanzienlijk slechter op wonen, werken, leren, veiligheid en gezondheid. Zo overlijden mensen er zes tot zeven jaar eerder dan elders in Nederland, en leven ze vijftien tot twintig jaar korter in goede gezondheid.
Ooit was Heerlen een florerende stad dankzij de mijnbouw. Mijnwerkers verdienden relatief goed, meer dan fabrieksarbeiders of boerenknechten. In de jaren vijftig was Heerlen, hoofdstad van de Mijnstreek, zelfs één van de rijkste steden van Nederland.
Een befaamde mythe is dat de Zuid-Limburgse stad destijds de hoogste bontjassendichtheid van het land kende. Dat is weliswaar nooit met harde cijfers gestaafd, maar alleen al het feit dat het rondging, zegt genoeg over de uitstraling van de stad.
Nadat alle mijnen gesloten waren, raakte Heerlen in een vrije val. De rijksoverheid had tienduizenden vervangende arbeidsplaatsen beloofd, maar daar kwam weinig van terecht. Veel koempels, jarenlang gewend aan zwaar ondergronds handwerk, konden weinig beginnen met kantoorfuncties bij het Centraal Bureau voor de Statistiek, pensioenfonds ABP of de Belastingdienst.
Uit De Staatsmijnen ontstond chemieconcern DSM. DAF werd naar Limburg gehaald. De rijksoverheid probeerde ook kleinere bedrijven met subsidies naar Zuid-Limburg te lokken, maar een deel daarvan sloot of vertrok weer net zo snel toen de subsidiestroom was opgedroogd.
Heerlen-Noord is nu één van de twintig stedelijke gebieden die extra steun van het rijk krijgen. Dat gebeurt in het kader van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Die hulp is hard nodig, want het stadsdeel wordt geteisterd door een hyperconcentratie van armoede, onveiligheid, slechte leefbaarheid en gezondheid.
‘Met het Nationaal Programma Heerlen-Noord zijn we begonnen met een sociale inhaalrace waarvoor 25 jaar is uitgetrokken’, zegt directeur Ron Meyer, oud-voorzitter van de SP. ‘Het is een marathon, geen sprint. We willen betere levenskansen voor de volgende generatie. Dat zijn de kinderen van de kinderen die nu worden geboren. Alles draait om het verbeteren van hún toekomst.’
Meyer is zelf geboren en getogen ‘achter het spoor’, zoals het stadsdeel aan de andere kant van het station wel wordt genoemd – het centrum van Heerlen ligt ten zuiden van het spoor. Hij voelt zich ‘een kind van Heerlen-Noord’ en geeft hoog op over ‘de enorme veerkracht’ van de lokale samenleving. ‘Er is geen gebied met zoveel energie en vastberadenheid om het beter te maken’, aldus Meyer.
‘Dat is ook historisch verklaarbaar. We zijn kampioen vallen en opstaan. We hebben zoveel klappen gekregen in de afgelopen vijftig jaar. Maar we staan ook elke keer weer op. Het wordt tijd om de mijnsluiting eindelijk af te ronden.’
Volgens hem wordt de armoedeproblematiek in dit deel van de voormalige Mijnstreek veroorzaakt door twee belangrijke verschijnselen. Het eerste heet ‘intergenerationele armoede’: gezinnen leven van generatie op generatie in armoede en slechte gezondheid.
Het begon met veel mijnwerkers die werkloos raakten, in de bijstand terechtkwamen en hun gezondheid zagen verslechteren. Maar ook hun kinderen – en later kleinkinderen – kregen daardoor een grotere kans op armoede, laaggeletterdheid, werkloosheid en gezondheidsproblemen.
‘Dat hardnekkige armoede-effect van generatie op generatie wordt vaak onderschat, vooral door politici’, verzucht Meyer. ‘Ik hoor ook het gefluister om me heen: hebben ze vijftig jaar na de mijnsluiting die ellende nog steeds niet opgelost? Over kinderen wordt gezegd: hadden ze maar beter hun best moeten doen op school. Of: hadden ze maar niet zoveel frikandellen moeten eten.
‘Maar dat is een ontzettend oliedomme, meritocratische benadering. Want een kind kan niet kiezen waar z’n wieg staat. Een kind dat in een arm gezin in Rotterdam-Zuid of Heerlen-Noord wordt geboren, heeft minder kansen in het leven en gaat eerder dood dan een vriendje of vriendinnetje vier kilometer verderop.’
Een tweede, volgens Meyer nog kwalijker effect is de enorme instroom van arme mensen uit rijke gemeenten, zelfs van buiten Limburg. Zij komen af op de goedkope woningen. Het stadsdeel heeft 38 procent sociale huurwoningen en 17 procent particuliere huurwoningen.
Die laatste groep komt vooral voort uit de verkoop door woningcorporaties van hun slechtste bezit – veel particuliere verhuurders kun je volgens Meyer ‘huisjesmelkers’ noemen.
Dus mensen die waar dan ook in Nederland financieel aan de grond zitten, trekken naar Heerlen. ‘De sleutel tot vooruitgang in dit gebied ligt voor een belangrijk deel buiten Heerlen: rijke gemeenten moeten meer sociale huurwoningen bouwen voor hun eigen bewoners. De concentratie van armoede hier wordt veroorzaakt door een concentratie van rijkdom elders.
‘We vragen niet zoveel. Zorg goed voor je eigen kinderen die toevallig niet op het gymnasium zitten of een papa en mama hebben die een huis voor ze kunnen bouwen. Want die worden nu uit hun eigen gemeenschappen verdrongen en komen massaal in onze wijken terecht. De segregatie in dit land is groter dan menigeen denkt.’
Hij neemt het de mensen zelf die naar Heerlen verhuizen voor een betaalbare woning, geenszins kwalijk: ‘Ik zou precies hetzelfde doen.’ Maar het systeem deugt niet, zo functioneert de woningmarkt als ‘een sorteermachine’. Want zodra mensen opkrabbelen, verlaten ze Heerlen-Noord weer.
‘Bij ons zijn weinig woningen in het middensegment te vinden’, aldus Meyer. ‘Met de nieuwe bewoners begint het vaak weer van voor af aan. Zo blijven problemen in dezelfde wijken terechtkomen.’
Een tijd geleden kwam in het nieuws dat Heerlen ‘kampioen echtscheidingen’ was. Maar dat klopt niet, onderstreept hij. ‘We zijn wel kampioen huisvesten van alleenstaande moeders nadat ze elders zijn gescheiden.’ Van de mensen die met een bijstandsuitkering in Heerlen kwamen wonen, is liefst 34 procent afkomstig uit een gemeente van meer dan 100 kilometer verderop, dus buiten Limburg.
‘Die komen niet vanwege ons prachtige Kasteel Hoensbroek of ons unieke Romeins Badhuis, ze komen omdat ze nergens anders kunnen wonen in hun eigen gemeente. Het is ronduit asociaal wat die mensen wordt aangedaan. Niemand reist voor z’n lol 200 of 250 kilometer, zonder werk, om met zijn gezin in een vreemde gemeente te gaan wonen waar hij niemand kent.’
Meyer wil meer gemengde woonwijken in Heerlen-Noord. ‘Niet per se door rijken van buiten aan te trekken, maar vooral door onze eigen jongeren met iets bredere schouders te behouden. Zo versterken we onze trotse gemeenschappen.’
Martin Herbergs (89) werd vijf jaar voor de Tweede Wereldoorlog geboren in Bocholtz, een dorp in het Heuvelland. ‘In ons dorp werd je boer of mijnwerker, iets anders was er niet’, vertelt hij in het oude schachtgebouw van de Oranje-Nassau I, terwijl hij langs de vitrines met mijnwerkerslampen loopt. ‘Het was een monocultuur, het ging van vader op zoon.’
Hij werkte eerst in de Wilhelmina, daarna in de Emma – allebei staatsmijnen. Het was bikkelen ondergronds, het was gevaarlijk en ongezond. Herbergs moest als mijnmeter door smalle schachten en pijlers (gangen, red.) kruipen om de afmetingen te noteren. ‘Ik ben weleens in een pijler van 30 centimeter hoog vast komen te zitten tussen dak en bodem’, merkt hij bijna achteloos op.
Maar Herbergs genoot ook van de solidariteit en kameraadschap onder de koempels. Na het ondergrondse werk met het liftje omhoog en douchen in de gemeenschappelijke badkamer, terwijl de koempels elkaars rug afschrobden.
‘Pas jaren later hoorden we dat er ook collega’s waren die met angst in de benen ondergronds gingen’, aldus Herbergs. ‘Zeg maar dat ik een haat-liefdeverhouding met de mijn had.’
Na de mijnsluiting kwam hij op de afdeling planologie van DSM terecht. In totaal heeft hij bijna veertig jaar bij DSM gewerkt, vertelt hij: 19 jaar in de staatsmijnen, en 21 jaar bij het latere chemieconcern.
Oud-koempels Herbergs en Niks hebben geen goed woord over voor de manier waarop de overheid met de mijnsluiting is omgegaan. Door een tekort of mismatch van vervangend werk belandden veel collega’s in de bijstand.
Ook leeft er ongenoegen over de magere pensioenvoorziening voor oud-koempels. Herbergs: ‘Iedereen heeft verdiend aan de mijnsluiting, behalve de mijnwerker zelf.’ Niks schampert: ‘De Oranje-Nassau Groep is er, met toestemming van de overheid, met een zak geld vandoor gegaan naar Amsterdam, van waar ze het hebben geïnvesteerd in offshore olie- en gaswinning.’
Doodzonde vinden ze het, dat bijna het hele mijnverleden uit het landschap van Zuid-Limburg is verdwenen. Alsof het er nooit is geweest. In het streven van de overheid om het gebied te transformeren ‘van zwart naar groen’ werden praktisch alle mijnbergen, -gebouwen, -schoorstenen en koeltorens vernietigd.
‘In andere landen is veel meer monumentaal mijnbouwerfgoed bewaard’, zegt Niks. ‘In België waren zeven mijnen, daar hebben ze nu vijf prachtige mijnmusea.’
Pas twee jaar geleden werd in Heerlen een nieuw mijnmuseum geopend, dat het bredere verhaal van de Limburgse mijnen vertelt. Volgens directeur-conservator Leen Roels is het vijftig jaar na de sluiting van de Oranje Nassau I-mijn belangrijk te blijven zoeken naar ‘genuanceerde verhalen’ over het roemruchte Limburgse mijnverleden.
Er zijn nog circa twintigduizend oud-koempels in leven. ‘Er lopen verschillende onderzoeksprojecten om hun verhalen te verzamelen’, aldus Roels. ‘Het is belangrijk dat de jeugd weet waar hun opa’s hebben gewerkt en wat ze hebben gedaan.’
Wiel Niks geeft soms gastlessen op scholen. ‘Als ik de leerlingen vraag of ze SnowWorld in Landgraaf kennen, gaan alle vingers de lucht in: dat is de indoorskihal, meneer’, verhaalt Niks. ‘Maar als ik vraag wat dat vroeger voor een berg is geweest, blijft het oorverdovend stil. Dat is dus de mijnsteenberg Wilhelmina, zeg ik dan.’
Dit is het laatste grote verhaal van onze Zuid-Nederlandcorrespondent Peter de Graaf. Hij gaat met pensioen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant