Home

Waarschijnlijk de vroomste bewoner die het Witte Huis ooit heeft gehad

Kort na zijn grootste succes – het vredesakkoord tussen Israël en Egypte – bracht de Iraanse gijzelingscrisis hem de nekslag. Jimmy Carter, de pindaboer uit Plains en latere winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede, had als president van Amerika zelden de wind mee. Zondag overleed hij, 100 jaar oud.

‘Hoe je het beste van de rest van je leven kunt maken’, luidde de ondertitel van een boek dat Jimmy Carter een paar jaar na zijn vertrek uit het Witte Huis schreef, samen met zijn vrouw Rosalynn. Hoe je ook over de voormalige president denkt, in ieder geval heeft hij van zijn leven ná het Witte Huis een succes gemaakt: in 2002 kreeg hij zelfs de Nobelprijs voor de Vrede voor zijn werk als vredestichter en politiek activist.

Carter overleed op 29 december op 100-jarige leeftijd in zijn geboorteplaats Plains, het gehucht in Georgia waar hij na zijn aftreden als president in 1981 terugkeerde.

Zwaar gedeprimeerd kwam Carter, toen 56 jaar oud, destijds in Plains aan. Een paar maanden eerder was hij er nog van overtuigd geweest dat de Amerikanen hem een tweede ambtstermijn zouden gunnen. Maar in november 1980 werd hij verpletterend verslagen door de Republikein Ronald Reagan, iemand die hij als een lichtgewicht beschouwde.

Verbitterd vroeg Carter zich af wat hij de rest van zijn leven zou doen ‘in een stadje met zeshonderd inwoners en zonder vacatures’. Het viel uiteindelijk mee. Een jaar later richtte hij het Carter Center op en begon hij een tweede leven als freelance-vredestichter en voorvechter van de mensenrechten.

Daarmee keerde hij terug naar de bron van zijn opmerkelijke politieke carrière. In de tijd dat James Earl Carter, zoals zijn volle naam luidde, opgroeide in Plains, was Georgia nog een staat waar strikte rassenscheiding heerste. Maar Carters moeder Lillian, een eigenzinnige verpleegkundige, trok zich daar weinig van aan en liet de jonge Jimmy met zwarte vriendjes spelen, destijds een uitzondering in het conservatieve Diepe Zuiden.

Als jongen droomde Carter ervan zich aan te melden bij de marine. Uiteindelijk belandde hij na de middelbare school op de Naval Academy in Annapolis. Hij bracht het tot luitenant-ter-zee, maar toen zijn vader in 1953 stierf, keerde hij tegen de zin van zijn vrouw Rosalynn terug naar Plains om de pindaboerderij annex winkel van zijn vader over te nemen. Het leven als militair begon hij een beetje benauwend te vinden.

Rassenscheiding

Terug in Plains merkte Carter dat de tijd daar was blijven stilstaan: de inwoners vochten voor het in stand houden van de rassenscheiding, ook al bepaalde het Hooggerechtshof in 1954 dat segregatie in strijd was met de Grondwet. Als principieel tegenstander van rassendiscriminatie weigerde Carter zich aan te sluiten bij de plaatselijke White Citizens Council. Dat kwam hem op een boycot door de witte inwoners van Plains te staan.

Ondanks zijn openlijke steun voor de burgerrechtenbeweging en president John F. Kennedy slaagde Carter erin een plaats in de senaat van Georgia te veroveren. Maar toen hij in 1966 een gooi deed naar het gouverneurschap van de staat, moest hij het afleggen tegen Lester Maddox, uitgerekend iemand die naam had gemaakt doordat hij weigerde zwarten te bedienen in zijn restaurant in Atlanta.

Die bittere ervaring bracht Carter ertoe een beetje te schipperen met zijn idealen toen hij in 1970 opnieuw gouverneur probeerde te worden. Door in te spelen op de racistische sentimenten onder de witte kiezers – hij prees zijn vroegere tegenstander Maddox zelfs als ‘de essentie van de Democratische Partij’ – won hij dit keer wel. Het bleef een episode waaraan de diepgelovige en principiële Carter later liever niet werd herinnerd.

Maar al bij zijn beëdiging als gouverneur liet hij weten dat de ‘tijd van de rassenscheiding voorbij’ was in Georgia. Daarmee loste hij een belofte in die hij eerder deed aan mensenrechtenactivist Vernon Jordan: ‘Je zult mijn campagne niet fijn vinden, maar mijn beleid wel.’

Hij benoemde zwarte Amerikanen op allerlei posten die tot dan toe buiten hun bereik lagen. De nieuwe wind die hij in Georgia liet waaien, trok de aandacht van de landelijke pers. In The New York Times en andere grote kranten werd Carter bezongen als de belichaming van het ‘Nieuwe Zuiden’. Het was het begin van Carters opmars naar het Witte Huis.

In tijden van Donald Trump zou de pindaboer uit Plains geen schijn van kans hebben gemaakt, maar na het Watergate-schandaal en de onbeschaamde leugens van president Richard Nixon snakten de Amerikanen naar rust, eenvoud en eerlijkheid. En Carter trok die mantel van morele zuiverheid graag aan, ook al was hij er niet vies van zijn verleden wat mooier voor te stellen dan het was. Dat George Wallace, de racistische gouverneur van Alabama, ooit campagne voor hem voerde, verzweeg hij zorgvuldig.

Absolutie

‘De Verlosser’, zo noemde de theoloog Randall Balmer hem in zijn biografie van Carter. In zekere zin verleende Carter de Amerikanen absolutie voor de fout die ze hadden gemaakt door Nixon in het Witte Huis te kiezen. Onder Carter zou het anders gaan: als herboren christen beloofde hij dat hij het Amerikaanse volk nooit zou voorliegen.

Dat bracht hem tijdens de verkiezingscampagne meteen in de problemen. Tegenover Playboy gaf hij toe dat hij in gedachten vaak overspel had gepleegd. Met het interview wilde Carter laten zien dat hij een mens van vlees en bloed was, maar zijn christelijke achterban moest er niets van hebben: hij duikelde meteen flink in de peilingen. Toch wist hij Nixons opvolger, de Republikein Gerald Ford, te verslaan.

De nieuwe president zette meteen de toon door na zijn beëdiging uit de presidentiële limousine te stappen en hand in hand met Rosalynn naar het Witte Huis te wandelen. Zo veel eenvoud hadden de Amerikanen in lange tijd niet gezien. Een president ook die zelf zijn koffers droeg als hij met het presidentiële vliegtuig terugkeerde naar huis.

‘Plains is een deel van Carters dna’, schreef Stuart Eizenstat, een voormalige medewerker van Carter, in zijn recente biografie over de president/pindaboer. ‘Hij hield niet van de grandeur van het presidentschap. Hij bracht Plains in het Witte Huis en nam het ook weer mee uit het Witte Huis.’

Maar al een jaar na zijn aantreden begonnen de Amerikanen te twijfelen aan de president. Het bleek dat Carter, waarschijnlijk de vroomste bewoner die het Witte Huis ooit heeft gehad, over meer moreel gezag beschikte dan over politiek instinct. Hoewel de Democraten in beide huizen van het Congres de meerderheid vertegenwoordigden, kostte het hem veel moeite zijn plannen erdoorheen te krijgen. Zijn gevoel van morele superioriteit irriteerde veel Congresleden, en bemoeilijkte het sluiten van compromissen. Een vergelijk beschouwde hij niet als een halve zege, maar als een nederlaag.

Carter had vooral de pech dat de tijd hem tegenzat: de economie stagneerde, de inflatie liep op, terwijl ook de werkloosheid in rap tempo steeg. De motor van de Amerikaanse economie begon te haperen als gevolg van de oliecrisis. Hoge benzineprijzen en lange rijen bij de pomp, dat is een dodelijk mengsel voor een Amerikaanse president.

Camp David-akkoorden

Al op zijn eerste eerste dag in het Witte Huis had Carter zijn vicepresident Walter Mondale laten weten dat het zijn droom was vrede te stichten in het Midden-Oosten. Bijna twee jaar later wist hij de Israëlische premier Menachem Begin en de Egyptische president Anwar Sadat na dertien dagen onderhandelen op Camp David, het presidentiële buitenverblijf, over te halen tot een vredesakkoord.

Het was het grootste succes uit Carters presidentschap, maar misschien nog wel belangrijker was dat hij mensenrechten centraal stelde in het Amerikaanse buitenlandbeleid. Met het sluiten van het verdrag over het Panamakanaal zette hij een punt achter het koloniale verleden van de Verenigde Staten. Ook lukte het hem een nieuw kernwapenakkoord te sluiten met de Sovjet-Unie: het Salt-II-verdrag.

Toch zat de wind Carter zelden mee. Economisch ging het steeds slechter als gevolg van een nieuwe oliecrisis die uitbrak na de islamitische revolutie in Iran. In een televisierede die de boeken in ging als de ‘malaise-toespraak’ riep Carter de Amerikanen op de thermostaat wat lager te zetten en op andere manieren energie te besparen. Maar wat het meest bleef hangen was zijn klacht over de ‘vertrouwenscrisis’ waaraan Amerikanen ten prooi waren gevallen.

Het effect was dat zijn populariteit even steeg, maar toen Carter een paar dagen later het ontslag van zijn ministers vroeg en de slechtste aanhield, stond voor de Amerikanen vast: de hele zaak begon in elkaar te storten.

Nekslag

De nekslag voor Carter was de gijzeling van het Amerikaanse ambassadepersoneel in Teheran door aanhangers van de ayatollah Khomeini in november 1979. De beelden van geblinddoekte Amerikaanse diplomaten die door Iraanse studenten werden vernederd, ondermijnden het laatste beetje zelfvertrouwen dat de Amerikanen onder Carter hadden.

Liefst 444 dagen duurde de nationale vernedering. Na lang aarzelen gaf Carter in april 1980 het groene licht voor een militaire operatie om de gijzelaars te bevrijden, maar de reddingsactie liep uit op een jammerlijke mislukking. Verblind door een zandstorm kwam een van de helikopters in botsing met twee transporttoestellen die de commando’s zouden oppikken. Voor veel Amerikanen stond het mislukken van operatie Eagle Claw symbool voor het falen van Carters presidentschap.

Vlak voor zijn aftreden bereikte Carter een akkoord met het Iraanse bewind over de vrijlating van de gijzelaars, in ruil voor het vrijgeven van miljarden aan Iraanse tegoeden. Maar Teheran liet hen pas gaan op de dag dat Reagan het roer van Carter overnam en aankondigde dat er een ‘nieuwe dag’ aanbrak voor Amerika.

Na Carter, de eeuwige boodschapper van de onaangename waarheid, snakten de Amerikanen naar wat optimisme. Het was precies wat Reagan met zijn zonnige uitstraling leek te beloven.

Nobelprijs

Andere oud-presidenten maakten na hun aftreden hun jaren in het Witte Huis te gelde, maar Carter keerde terug naar zijn pindaboerderij in Plains. Zijn presidentiële pensioen was voor hem meer dan voldoende. ‘Ik heb gewoon nooit de ambitie gehad om rijk te worden’, zei hij er in 2018 over tegen The Washington Post.

Na een korte rouwperiode in Plains trok de oud-president de wereld in om armen te helpen, ziekten uit te bannen en voor de organisatie Habitat for Humanity huizen te bouwen. Als freelance-vredestichter dook Carter overal op waar conflicten woedden.

Links en rechts trapte hij daarbij op lange tenen, vooral in Israël, dat hij beschuldigde van ‘apartheid’ vanwege de behandeling van de Palestijnen. Zijn eigen regering liep hij vaak voor de voeten met zijn diplomatieke missiewerk. Zelfs zijn partijgenoot Bill Clinton ergerde zich aan Carters eenmansmissies.

In 2002 eerde het Nobelcomité hem met de Nobelprijs voor de Vrede voor zijn onvermoeibare activiteiten, maar de onderscheiding leek ook bedoeld om hem af te zetten tegen president Bush jr., die zich opmaakte voor de invasie in Irak. De laatste jaren van zijn leven beperkte zijn missiewerk zich tot Plains, waar hij nog tot op hoge leeftijd iedere week nog les gaf op de zondagsschool.

In 2023 verloor hij na een huwelijk van 77 jaar zijn vrouw Rosalynn, die zijn hele leven lang een enorme invloed op hem had. Zij stond bekend als een van de machtigste First Lady's die de VS ooit hebben gehad.

Zeker sinds Donald Trump zijn intrede heeft gedaan in de Amerikaanse politiek wordt Carter door veel Amerikanen achteraf gezien als moreel baken, maar toch klinkt ook nog steeds het vileine oordeel na dat het weekblad Time ooit over hem velde: ‘Een geweldige oud-president’.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next