Of het nou een relatie is, een dansfeest, analoge camera’s of het leven zelf: het einde ligt altijd op de loer. Vier mensen vertellen hoe zij dat zoveel mogelijk uitstellen. ‘Het einde is niet nabij, we gaan gewoon lekker opnieuw aan de gang.’
Laatst nog: een vrouw op leeftijd met een vuilniszak, op weg naar de container. Voor de zekerheid liep ze Analoog Studio Arnhem (ASA) binnen, die grappige plek langs het spoor waar ze oude camera’s verkopen en waar zo’n ouderwets rek met fotorolletjes aan de muur hangt, alsof je regelrecht in de jaren tachtig stapt. Of er nog iets tussen haar spullen zat wat ze konden gebruiken. Toen viste eigenaar Bram van Oosten (39) dus zomaar een zeldzame Duitse camera uit die zak.
‘Moet je kijken’, zegt hij. ‘Het is een oud merk uit Neurenberg. Er is weinig informatie over te vinden, ik moet er nog induiken. Maar ik weet dat ze in totaal maar iets van vijfhonderd camera’s hebben gemaakt.’ Dit exemplaar is zelfs extra zeldzaam, want het heeft een afwijkend frame en geen serienummer. ‘Misschien was het een rare, eenmalige productie.’
De camera vond een plek in de winkel annex werkplaats annex fotostudio met donkere kamer die Van Oosten, zelf fotograaf en liefhebber van het analoge proces, in 2017 begon. Sinds 2021 zit hij op de huidige locatie. In die laatste vier jaar bloeide zijn onderneming dusdanig op dat hij ervan kan leven.
Wacht even, opbloeide? We hebben het hier toch over de analoge fotografie, al zo vaak doodverklaard en begraven na de komst van de digitale? Daar merkt Van Oosten dus niet veel van, integendeel. ‘Het trekt aan’, zegt hij. ‘Toen ik begon, kwamen er vooral hobbyisten en oude rotten langs die urenlange verhalen hielden. Dat is veranderd.
‘Er komen nog steeds veel hobbyisten – ik ben natuurlijk ook gewoon een liefhebberijwinkel – maar analoge fotografie is weer veel meer mainstream geworden. Er zijn mensen die alleen langskomen om nieuwe rolletjes te halen, dat is echt een nieuwe groep. Je hoeft niet langer een keiharde keuze te maken tussen digitaal en analoog; die twee kunnen nu gewoon naast elkaar bestaan.’
Ook jongeren hebben zijn winkel gevonden; vaak komen ze langs met camera’s die ze bij hun ouders op zolder vandaan haalden. In de werkplaats zit een stagiaire van een mbo-fotografieopleiding een camera schoon te maken met veel geduld en een wattenstaafje. Ze verwijdert het oude schuimrubberen laagje achter het deurtje dat door de jaren heen verkruimelde en waardoor er te veel licht in het camerahuis komt.
Het verwijderen van dat schuimrubber en het plaatsen van een nieuwe afdichting, het schoonmaken van de behuizing (ergste geval ooit: een zilveren Canon die bruin was uitgeslagen doordat ie jaren in de sigarettenrook had gestaan) en het checken van de sluitertijden behoren tot de standaardklussen. Wordt het ingewikkelder, zoals wanneer camera-specifieke oliën binnenin dik zijn geworden waardoor de sluitertijden ‘uit tolerantie’ zijn geraakt, dan stuurt Van Oosten de camera naar een specialist.
Dat handmatig sleutelen en peuteren is precies wat hem aantrekt. ‘Het was niet dat ik een gat in de markt zag toen ik deze plek begon. Ik ontdekte gewoon dat ik liever bezig ben met het fysieke materiaal, met het rolletje in de camera stoppen en experimenteren in de doka, in plaats van achter een beeldscherm zitten.’
Wie eenmaal met oude camera’s begint, komt snel uit bij de net zo oude apparatuur en software die nodig zijn om foto’s te ontwikkelen en af te drukken. Plus de bijbehorende mankementen. Van Oosten is blij met de dagen ‘dat alles werkt, dat er geen foutmeldingen of piepende machines zijn’. Tegelijkertijd leverde het hem een netwerk op van mensen die net als hij het liefst de hele dag drumscanners openschroeven en ontwikkelmachines oplappen. ‘Die mensen zijn er nog. Of weer. Het einde is niet nabij; we gaan gewoon lekker opnieuw aan de gang.’ (MB)
Hij wilde iets nalaten, Lars van Peij (38), iets tastbaars. We kijken naar een rij jonge struiken in ‘het oudste cultuurlandschap van Nederland’: de Maasheggen bij het Noord-Brabantse Oeffelt, waar Van Peij woont. Meidoorns vooral, maar ook wegedoorn, rode kornoelje, wilde kardinaalsmuts, Spaanse aak en hondsroos. Verderop staan nog meer rijtjes, in de weilanden, met eromheen oudere, volgroeide heggen, die samen een uitgestrekt mozaïek vormen.
‘Dit hebben we in een ochtend aangeplant, een paar weken geleden’, zegt Van Peij. ‘600 meter heg, met allemaal vrijwilligers, in de regen en de hagel. Mensen die elkaar vaak niet kenden. Een boer had vooraf de sleuven gegraven, de gemeente had vergunningen verleend, een buurtbewoner had soep gemaakt. Iedereen werkte samen.’
En zo gaat het al iets langer. In totaal heeft Van Peij, samen met honderden vrijwilligers, dit jaar al 2 kilometer heg geplant in de Maasheggen, op plekken waar vroeger, vóór de ruilverkavelingen, ook heggen stonden. Zelfs op deze regenachtige dag is dit relatief ‘behaaglijk’ landschap.
Van Peij: ‘De biodiversiteit in een heggenlandschap is veel hoger dan in bijvoorbeeld bos. Het barst hier van de vogels, maar ook zoveel andere diersoorten vinden hier voedsel en veiligheid.’ Binnenkort halen ze de 2,5 kilometer aan nieuwe heggen.
Dat alles vanwege een spontane actie die Van Peij dit voorjaar begon. Met een trieste aanleiding. Hij is gendrager van de ziekte van Huntington, een erfelijke hersenaandoening, waarbij almaar meer functies uitvallen, en die uiteindelijk dodelijk is.
Vorig jaar bleek dat de ziekte, waaraan ook zijn moeder en opa overleden, zich al bij hem openbaarde, op relatief jonge leeftijd. ‘Een enorme klap’ voor hem en zijn vrouw Edith. Temeer omdat ze net een zoontje, Sem, op de wereld hadden gezet. Al vroeg in de zwangerschap hadden ze uitgezocht of Sem gendrager was – de kans is 50 procent – maar dat bleek niet zo te zijn. De vreugde over hun zoontje werd overschaduwd door het slechte nieuws over de gezondheid van Lars.
Na de eerste klap besloot hij dat er niets anders opzat dan de tijd die hem rest goed te besteden. ‘Ik vroeg me af: wat vind ik leuk? Nou, sport, fietsen, wandelen. En wat vind ik belangrijk: natuur, biodiversiteit.’ Zo kwam hij op het idee om dit voorjaar de Kennedymars te lopen, 80 kilometer op een dag, en zich te laten sponsoren.
Mensen konden via een site doneren voor het planten van heggen. De actie was een groot succes. Voor, tijdens en na de Kennedymars kwam tegen de 18 duizend euro binnen. Honderden vrijwilligers meldden zich. ‘Ik heb ze nog altijd niet allemaal kunnen inzetten.’
Van Peij had al de bijnaam ‘Maasheggenman’. Hij werkt bij de Vereniging Nederland Cultuurlandschap en bracht in dit gebied de bewoners, gemeenten en boeren samen. ‘Sommige boeren vonden het in het begin helemaal niks wat wij doen, nu werken ze actief mee. Er is sinds de jaren vijftig rond de 200 duizend kilometer heg verdwenen in Nederland, maar nu komen ze langzamerhand weer terug.’ De Maasheggen, inmiddels Unesco Werelderfgoed, zijn het iconische voorbeeld.
Tegenwoordig ziet Van Peij de heggen die hij samen met anderen terugbracht in het landschap weer op Google Earth. Zo zal het met de nieuwe heggen op een dag ook gebeuren. Een tastbaar, levend landschap, dat hij ook wil nalaten voor zijn zoontje. Zeker, de ziekte doet zich gelden, de fysieke en mentale ongemakken worden groter en mensen kunnen zijn positivisme niet altijd volgen. Maar, zegt hij: ‘Ik zie het maar als tegengif tegen cynisme.’ Hij werkt ook aan een boek, met als werktitel: Hoop tussen de heggen.
(CJ)
Het is iets over half vier ’s nachts op een zondag als de gele lampen van de bovenzaal in Club Raum aangaan. Na ruim 27 uur non-stop te hebben geklonken sterft de muziek in de Amsterdamse queer-nachtclub uit, maar de zwetende mensen op de dansvloer hebben nog geen zin om naar huis te gaan.
De Ierse dj Chris McCormick (33), alias Cromby, wil na vierenhalf uur achter de draaitafel ook nog niet weg. Hij zet nog één plaat in: de bolle deephousetrack I’m Lonely van Hollis P. Monroe. Als de dreunende bas start, juicht het publiek. De lichten gaan weer uit; einde uitgesteld.
Met deze plaat sluit McCormick het weekendlange feest Spielraum af; na de laatste noot is het dan echt voorbij. Op dat moment is de dj ontzettend gelukkig, vertelt hij achteraf aan de telefoon. ‘Ik zag een boel blije gezichten. Veel mensen omhelsden elkaar, het was echt een moment.’
McCormick draait al zo’n vijftien jaar op de belangrijkste houseplekken. Hij sloot bijvoorbeeld meermaals de Panoramabar van de legendarische Berlijnse club Berghain af. Dat doet hij niet uit de losse pols: hij neemt een hele berg muziek mee, gesorteerd op stemming.
Tijdens het draaien kiest hij de juiste nummers voor dat moment uit zijn digitale mapjes: eentje met beladen, emotionele tracks bijvoorbeeld, eentje met nummers met solide baslijnen of een met energieke, blije nummers voor de handjes-in-de-luchtmomenten. Het is belangrijk om in te kunnen spelen op ieder scenario, vindt hij.
Aan het begin van zijn set zondagnacht besloot hij het rustig aan te doen, om het publiek op adem te laten komen na de vorige dj. Toen zag McCormick de zaal leegstromen. Pijnlijk. ‘Ik was een paar minuten in paniek’, zegt hij. Maar hij hield zich aan z’n plan. ‘Ik wilde het langzaam opbouwen, want ik wist niet hoelang ik zou moeten draaien.’ Bij afsluitende sets kan het namelijk weleens zo zijn dat de eindtijd niet vastligt: de dj mag doordraaien tot de mensen er klaar mee zijn.
Het personeel van Spielraum kwam meerdere keren naar McCormick toe om hem in te fluisteren dat hij best nóg een halfuurtje mocht draaien. De zaal werd steeds voller, McCormick voelde zich steeds comfortabeler. ‘Als een show niet goed gaat, is het selecteren van nummers hard werken’, zegt hij. ‘Maar op dagen waarop alles samenkomt, zoals tijdens Spielraum, voelt het bijna alsof de nummers zichzelf kiezen. Alsof er een beetje magie in de lucht hangt.’
Vooral het uitkiezen van die laatste plaat is belangrijk. Die heeft een essentiële rol, zegt McCormick: ‘Je wilt mensen met een goed gevoel naar huis sturen na zo’n weekend. Het liefst met een oorwurm, iets dat ze onderweg naar huis nog zingen.’
Pas op het laatste moment besloot hij zondagnacht I’m Lonely te draaien, een dansbare versie van een hit van St Germain. Eigenlijk wilde hij de triphopplaat Cantamilla van Tranquility Bass draaien, maar het publiek op de dansvloer was nog te vrolijk en energiek voor een nummer met dat tempo. ‘I’m Lonely is een klassieker. Iedereen kan die meezingen, de akkoorden zijn warm. Het nummer voelt als een smachtende omhelzing, en het heeft een boodschap. Het is een prachtig nummer.’
Het valt goed op de dansvloer. Mannen met ontbloot bovenlijf omhelzen elkaar. Twee anderen dansen net even wat dichter bij elkaar. Een stel zoent. Als het nummer stopt, is niemand meer eenzaam. Precies zoals McCormick het graag heeft: ‘Ik wil ze achterlaten met een verlangen naar meer, maar ook met een vol hart. Ik wil ze met een glimlach de nieuwe week insturen.’
Al bijna dertig jaar probeert psycholoog en relatietherapeut Jean-Pierre van de Ven (56) haperende relaties te lijmen. Soms tegen de klippen op, vaker – gelukkig – met dankbaar resultaat. Net als zijn vader dat vóór hem al deed.
Niet altijd heeft hij vertrouwen in een goede afloop voor de geliefden tegenover hem. ‘Het komt heel zelden voor hoor, maar laatst had ik een stel dat al jarenlang heftige ruzies had, waarbij ze met deuren sloegen en elkaar opsloten. Dat leek mij reden genoeg om te stoppen met deze relatie. Toch wilden ze per se in gesprek.
‘Op het tweede consult zei de vrouw doodleuk: ‘Hij heeft mijn leven verpest, dus ik blijf nu bij hem om het zijne te verpesten.’ Waarop ik zei: ‘Jullie moeten echt uit elkaar, de therapie is bij dezen beëindigd.’ Als een relatie slecht is voor mensen omdat ze elkaar nare dingen aandoen, ga ik niet zitten therapieën, dan zeg ik waar het op staat.’
Als stellen bij hem of zijn vakgenoten komen, staan ze volgens hem wel al 1-0 voor. Ze hebben immers besloten hun problemen aan te pakken. Of nou ja, ‘ze’ – meestal komt het initiatief van een van de twee partners, en vaak is dat de vrouw.
Niet zelden zit de partij die zich heeft laten overhalen dan tegen heug en meug tegenover hem. ‘Vaak doen mensen alleen alsof ze openstaan voor therapie om tegen anderen te kunnen zeggen dat ze alles hebben geprobeerd.’
Het wordt soms al duidelijk in het vragenformulier dat hij ze ter voorbereiding laat invullen. ‘Laatst nog schreef een man daarop dat hij alleen maar in therapie ging omdat hij dat had afgesproken met zijn vrouw. Dan weet ik al hoe laat het is. Vaak merk ik het ook aan iemands houding als iemand er niet voor openstaat. Dan zeggen ze weinig, kijken ze me amper aan, doen ze een beetje nukkig en ontkennen ze alles wat hun partner zegt. Ze nemen dan ook niets aan van mij.’
Maar de nukkige partner zít er wel, en dat op zich is winst, vindt Van de Ven. Het is wel een belangrijk onderdeel van de sessies om beide partners te motiveren. Ofwel door ze de zwaarte van hun problemen te laten inzien en te zeggen dat hij misschien niet de juiste persoon is om ze te helpen – de paradoxale motivatie, in jargon – of door ze juist te vertellen wat hem in positieve zin opvalt en duidelijk te maken dat hij weet waarover hij het heeft.
Over het algemeen geldt: heb je problemen, wacht dan niet te lang met het aanpakken ervan. ‘Uit onderzoek is bekend dat mensen na het ontstaan van de eerste hobbels gemiddeld zes jaar wachten met relatietherapie. In de tussentijd zijn er dan vaak allerlei problemen bij gekomen, die het alleen maar moeilijker maken om eruit te komen.’ Je hoeft niet gelijk bij het eerste meningsverschil hulp in te schakelen, maar als je merkt dat je er samen niet uitkomt, zegt Van de Ven, ‘ga dan in godsnaam naar iemand toe’.
Eerlijk is eerlijk, toen hij zelf ooit in relatietherapie ging was hij misschien óók niet heel meewerkend. ‘Ik vond het niet zo’n goede therapeut. Volgens mijn vrouw omdat ik zo overtuigd ben van mezelf, wat nou juist ons probleem was. Maar ik merkte dat hij, zoals wel meer therapeuten doen, werkte volgens een vast stramien dat hij ooit had aangeleerd. Ik ben meer van het kijken naar wat mensen nodig hebben. Onze therapeut ging met ons generaties uitpluizen en daar zag ik het nut niet van in.
‘Maar mijn vrouw en ik zijn nog bij elkaar, dus je zou kunnen zeggen dat het toch heeft gewerkt – of dat we op tijd zijn gestopt met die therapie.’ (RV)
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant