2024 was het jaar dat ik weer eens naar Canto ostinato probeerde te luisteren. Over de componist ervan, Simeon ten Holt (1923-2012), komt namelijk binnenkort een film in de bioscopen. Bovendien heeft harpist Gwyneth Wentink eerder dit jaar een album uitgebracht met het stuk uit 1976, dat het publiek verdeelt in haters en liefhebbers.
Collega Guido van Oorschot gaf zowaar vier sterren en maande tot een herkansing: ‘Doortrapt licht ze tegenstemmen en ritmes uit, alsof Canto ostinato gewoon ijzersterke muziek is.’
Harpkenners slaan Wentink enorm hoog aan. Ze won in 1998 in Israël het belangrijkste harpconcours ter wereld. Aangezien Canto ostinato vaker het domein is van handige commerciële jongens dan van musici die de Nederlandse Muziekprijs kregen, moest ik die opname wel horen. Ik hield het een kwartier vol.
Aah! De weeïgheid van dat eerste themaatje alleen al, het pedante getippel, de opzichtige poging tot muzikale verneveling. Mijn eerste associatie bij Canto ostinato is euthanasie – onder begeleiding van eindeloos herhaalde sentimentele themaatjes oplossen in het niets, dé soundtrack bij uw zachte dood! Al zou het voor mij dus eerder een voorschot zijn op de gruwelijkste martelkamer van de hel.
Waarom spelen de beste Nederlandse harpisten nou allemaal van die vervelende muziek? Want de recentere albums van Lavinia Meijer en Remy van Kesteren (net als Wentink pupillen van Erika Waardenburg) stemmen niet vrolijker. Meijer specialiseerde zich in het werk van Philip Glass en maakte tien jaar geleden de sprong naar de neoklassiek van Ludovico Einaudi. Nu componeert ze ook zelf in het neoklassieke idioom, net als Remy van Kesteren, van wie we al enige jaren zijn muzikaal-identitaire zoektocht kunnen volgen. Zijn albums verschijnen niet meer op een klassiek, maar een indiepoplabel.
De empathische mens in mij zegt: volg je hart. De muziekcriticus zegt: doe waar je goed in bent.
Dat succesvolle harpisten het klassieke harprepertoire links laten liggen, is op zich wel begrijpelijk. Er zijn niet veel fantastische harpconcerten. François-Adrien Boieldieu is een te onbekende naam voor programmeurs die uit zijn op een volle zaal. In Mozarts Concert voor fluit en harp wint de fluit – en daar raak je als musicus ook wel een keer op uitgekeken. Het Harpconcert van Alberto Ginastera is wel gaaf, maar trap drie verkeerde pedalen in en alleen je collega’s hebben het door.
Daarbij komt dat Meijer – 400 duizend maandelijkse luisteraars op Spotify – en Van Kesteren te bekend zijn geworden voor het nicherepertoire. Zoals vaak in de klassieke muziek is die bekendheid voor een groot deel op buitenmuzikale zaken gebaseerd. Meijer kwam vaak in de media met haar verhaal over adoptie en de ontmoeting met haar biologische vader, dit jaar bracht ze haar autobiografie uit; Van Kesteren viel jarenlang op als vrijwel enige man in een vrouwenbastion en verscheen in Wie is de Mol?. Maar hoeveel ‘molloten’ worden er nou helemaal wild van de Légende van Henriette Renié of de sonate van Paul Hindemith?
Ik heb ze alle drie weleens geïnterviewd, stuk voor stuk aardige mensen. Die gun je dus het beste in 2025: meer heel erg goede muziek voor harp – en niet te zoetsappig graag.
Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Joris Henquet, Merlijn Kerkhof, Anna van Leeuwen of Herien Wensink stelling in de wereld van film, muziek, theater of beeldende kunst.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns