Ze zijn ‘ouder én wijzer’, genieten er ‘dubbel van als we samen zijn’ en andere teksten die u kent van oudere mensen die van het leven genieten. Maar Noraly Beyer en Joost Prinsen leven écht dat leven dat ze iedereen kunnen aanraden: ‘Je leert van je fouten en probeert te voorkomen dat je die opnieuw maakt.’
is journalist en programmamaker. Hij schrijft interviews voor de Volkskrant.
Joost Prinsen is ’s morgens al vroeg naar de bakker geweest om taartjes te kopen. ‘Ziet er goed uit toch?’, zegt hij, terwijl hij de gebaksdoos opendoet.
Hij staat altijd vroeg op, tussen 8 en half 9. Dan doet hij meestal rond half 5 ’s middags wel even een tukje. Nog een restant uit de tijd dat hij toneel speelde. Als hij vroeger in de namiddag met de acteursbus het land inreed, hadden de meesten van hen er al een lange dag opzitten.
‘Overdag deed je vaak tv. Vanuit Amsterdam zat iedereen voorbij de Utrechtsebrug al te knikkebollen.’ Noraly Beyer slaapt overdag nooit. ‘Je zou zeggen dat ik dat door de tropen wel gewend zou zijn. Daar ligt ’s middags tussen 1 en 4 alles plat. Maar ik heb dat nooit gekund.’
Sinds vier jaar zijn Joost Prinsen (82) en Noraly Beyer (78) samen. En het gaat goed met hen, vertellen ze aan de keukentafel van Prinsens appartement in Halfweg. Terwijl het er eerder dit jaar nog somber uitzag.
Bij Prinsen werd in 2017 blaaskanker gediagnosticeerd. ‘Begin dit jaar ontdekten ze dat het uitgezaaid was. Aanvankelijk kreeg ik chemotherapie, maar die sloeg niet aan. Dat was wel even een mokerslag, hoor. Toen zeiden ze: we hebben ook nog immunotherapie. Dat is iets van de laatste jaren, waarbij je lichaam zelf de strijd moet aangaan. En dat is wonder boven wonder goed aangeslagen. Daarom maak ik me op dit moment ook niet zo veel zorgen.’
Ze ontmoetten elkaar voor het eerst rond 2009, toen ze allebei speelden in De Afscheidsmonologen. Voordien kenden ze elkaar alleen op afstand. ‘Ik kende hem vooral als Tante To uit Het Klokhuis’, zegt Beyer. ‘Of was het Tante Ta?’ ‘Ik was Tante To’, zegt Prinsen. ‘Aart (Staartjes) was Tante Ta.’
Beyer: ‘Precies. Daar moesten wij thuis vaak erg om lachen. Maar verder kende ik Joost niet. Iedereen kent hem van De Stratemakeropzeeshow, maar toen woonde ik nog in Suriname. Er zijn weleens mensen die hem aanspreken: ‘U bent mijn jeugdheld’.’
Prinsen: ‘Jij wordt anders ook vaak genoeg aangesproken.’ Prinsen pakt zijn telefoon erbij, en laat een foto zien van Met het mes op tafel. ‘Let goed op’, zegt hij. Want in die quiz vroegen ze wie in Nederland de eerste nieuwslezer van kleur was. ‘Ze vroegen naar Eugènie Herlaar, die toen net overleden was. En wat antwoordden ze?’
Beyer, zich vooroverbuigend over de tafel. ‘Nou, laat zien dan…’
‘Hier: Noraly Beyer! ‘Ja’, zei die ene man. ‘Ik kon geen andere naam bedenken’. Dat vond ik toch wel leuk.’
‘We zijn vaker met elkaar verward’, zegt Beyer. ‘De laatste keer stond ik ergens bij een balie. Via de intercom werd gemeld dat ik er was. Vervolgens hoorde ik die mevrouw zeggen: ‘Mevrouw Herlaar is hier voor u’. Hoe dat komt? We zijn allebei zwart, om het zo maar te zeggen. Dus verwarren ze ons met elkaar. Kennelijk kijken sommige mensen zo.’
Die eerste kennismaking bij De Afscheidsmonologen staat Prinsen nog helder voor de geest. ‘Het was een grote verrassing voor me. Want die nieuwslezers waren allemaal zo keurig, zeker in die tijd. Noraly ook. In werkelijkheid bleek Noor een ontzettend leuke sexy dame te zijn. Daar viel ik als een blok voor.’ Achteraf was-ie toen misschien al wel een beetje verliefd. Maar goed, hij was al heel lang getrouwd met Emma, dus daar kon geen sprake van zijn. ‘Ik ben vrij goed in het wegdouwen van verliefdheid.’
Vervolgens zagen ze elkaar een jaar of tien niet. ‘Toen Emma vijf jaar geleden overleed was ik zo bedroefd, dat mijn dochter een date voor me regelde met een aardige vrouw. Dat werd niks. Het lag totaal niet aan die vrouw, maar ik was er gewoon niet aan toe. Na drie maanden vroeg ze: ‘Weet je dan misschien zelf iemand?’ En ja, de enige die ik kon bedenken...’ Met uitgestrekte armen over de tafel naar Beyer reikend: ‘Et voilà!’
Hij besloot haar uit te nodigen voor een lunch. ‘Met een of andere smoes dat ik iets wilde weten over Caraïbische poëzie. Omdat ik gelezen had dat ze in de commissie Caraïbische Poëzie zat.’
‘Nee, Caraïbische Letterengroep heet het.’
‘Nou ook goed. Caraïbische Letterengroep. Dus ik had geschreven: kunnen we daar niet eens over praten? Dat was mijn k.u.t.-smoes.’
Wat dacht jij toen, Noraly?
‘Ik had geen enkele bijgedachte. Ik dacht alleen: misschien kan hij me ergens voor gebruiken. Voor een presentatie of zoiets. En ik heb toen gezegd: ja leuk. Zo is het gekomen.’
Hun eerste afspraak begon direct met een misverstand. Beyer dacht dat ze elkaar om 1 uur zouden treffen. ‘Ik was er al om half 1, dus ik ben eerst een rondje door de buurt gaan lopen. Toen het 1 uur dreigde te worden, ben ik naar binnen gegaan. Er is daar een grote bank, dus daar ben ik gaan zitten. Opeens kwam daar een woeste Joost Prinsen aan. ‘Waar was je? We hadden toch om half 1 afgesproken!’
Prinsen: ‘Dat wás ook zo!’
‘Volgens mij hadden we één uur gezegd.’
Was er direct een klik?
‘Hij vertelde heel veel. Ik wist eigenlijk niks van hem. Ik wist ook niet dat hij zijn vrouw had verloren. Dus ik luisterde vooral. En op een gegeven moment vertelde hij dat zijn kind had gezegd: ‘Je moet gaan daten’. Toen dacht ik: hé Joost, zit ik hier op een date? Ik was zelf helemaal niet op zoek. Ik dacht hooguit: ik krijg een klusje.’
Prinsen, met een brede lach: ‘Nou, dat is een leuk klusje geworden, toch?’
Was dat een tegenvaller of juist een mooie meevaller?
Beyer: ‘Het was vooral heel verrassend. En ik moest ook erg lachen om hoe hij sommige dingen verwoordde. Weet je nog dat verhaal over die appel?’
Prinsen knikt. ‘Ik vertelde Noraly dat mijn oudste dochter had gezegd: ‘Ik heb met mama nog wel een appeltje te schillen’. Ik vroeg haar wat voor appel. Toen kwam er – zei ik tegen Noraly – geen áppel tevoorschijn, maar een hele appelbóómgaard. Daar moest Noraly om lachen.’
Beyer: ‘Hij was heel somber eigenlijk. Dus ik moest mijn lachen inhouden.’
De dochter van Joost had hem nog zo gezegd: een goede eerste date duurt maximaal anderhalf uur. Maar bij hen duurde die eerste keer wel drie uur. Na afloop bood hij aan om haar thuis te brengen met de auto. Beyer: ‘Onderweg stopte hij. ‘Ik ben zo terug’. Vervolgens kwam hij terug met een bosje bloemen. Ik vroeg: mag ik je hiervoor bedanken met een kusje? En ik kuste hem op de wang. Dat wordt me tot op de dag van vandaag nagedragen. Want hij verwachtte er eentje plat op de bek.’
Prinsen, grijnzend: ‘Logisch toch?’
Beyer: ‘Ik vertel dat weleens aan andere vrouwen. Dan liggen ze echt onder de tafel. Nadien stapte ik uit met dat bosje bloemen en keek de auto na, denkend: leuke, aardige man. Ik heb hem een paar dagen later geappt dat die ene zonnebloem uit het boeket zo mooi in de zon stond.’
Prinsen: ‘Dus je gaf wel touw...’
Ze knikt: ‘Achteraf moet je dat wel zeggen, ja. Daarna zagen we elkaar een tijd niet, vanwege corona. Maar onze appjes werden steeds flirteriger, als dat een woord is. Totdat Joost vroeg: kun je tussen kerst en oud en nieuw niet een weekje bij mij komen? Dat deed ik. Na afloop vroeg hij: wat vond je ervan? Ik zei dat ik het best goed vond gaan. Waarop Joost zei: ‘Goed, dan hebben we vanaf nu verkering’. Ik moest daar vreselijk om lachen, omdat ik dat toch een ouderwets kriebelwoord vind.’ Naar de bank in de woonkamer wijzend: ‘daar zaten we.’
Prinsen: ‘Nee, niet op de bank. Ik zat hier op deze stoel in de keuken. En jij zat tegenover me.’
Beyer: ‘Maar dat was wel het moment.’
Is zo’n late liefde anders dan wat jullie gewend waren?
Beyer: ‘Ja, het is anders. En ook weer niet. Omdat het gevoel zelf niet zo aan verandering onderhevig is. Maar de manier waarop ik ermee omga, is wel heel anders. Ik denk bewúster. Doordat ik toch wel bij mezelf te rade ga: wat wil ik, wat kan ik en hoezeer kan ik de ander in mijn wereld betrekken?
Want je komt natuurlijk iemand tegen die al een heel leven achter zich heeft, letterlijk.
Beyer: ‘En omgekeerd. Dat is ook een kwestie van karakter. Ik pas mij sneller en makkelijker aan dan hij.’
De verbaasde blik van Prinsen parerend: ‘Ja, hij vindt zelf van niet maar ik vind dus van wel.’
Prinsen zoekt even naar zijn woorden, zegt dan: ‘Ik kwam uit een heel lang huwelijk, met een vrouw die de laatste jaren niet erg mobiel was. Ons leven speelde zich voornamelijk hier thuis af. En ik kreeg een relatie met een vrouw die dertig jaar alleen was geweest, en die volop in het leven staat. Noor schrijft columns, zit in allerlei besturen. Daardoor had ik weleens het gevoel dat ik de sluitpost was van haar agenda. Mijn gevoel van eigenwaarde leed daaronder. Dat heeft toch zeker anderhalf, twee jaar geduurd. Uiteindelijk heb ik me erbij neergelegd. Ik weet dat ze ongelukkig wordt als ik voortdurend zeg: je moet vaker bij mij zijn. Ik moet haar niet kortwieken.’
In welk opzicht leed je gevoel van eigenwaarde er dan onder?
‘In de zin van: moet ik me dan laten kisten? Ik dacht vaak: ze laat me weer mooi zitten, want ze moet zo nodig naar een vergadering. Inmiddels hebben we een modus vivendi ontwikkeld. Omdat ik zo langzaamaan erg dol op haar ben geworden.’
Wat bindt jullie?
Hij veert op. ‘Dezelfde interesses. We houden allebei van boeken, van tentoonstellingen, van theater. Toch Noor?’
‘Ik heb maar één woord voor wat ons bindt, en dat is liefde’, antwoordt Beyer. ‘Al die andere dingen die daar omheen hangen, kan ik ook met andere mensen doen. Maar bij die anderen blijf ik niet slapen. Dat vind ik wel een groot verschil.’
Maar het is best lastig om halverwege je leven iemand tegen te komen. Je bent toch snel geneigd om die ander een beetje naar jouw leven te plooien.
‘Ja, dat is zo’, beaamt ze. ‘De souplesse neemt af met het ouder worden. Ik heb in mijn leven in de eerste plaats geleerd om van mezelf te houden. Ik ben lang alleen geweest. Ik had niet per se een partner nodig om gelukkig te zijn, had genoeg aan mezelf. Joost is nu deel van mijn leven geworden, maar ik moet mezelf wel bewaren. Ik ben niet iemand die zich totaal overgeeft.’
Prinsen: ‘Je kunt ook zeggen, hoe lullig dat ook klinkt, dat zij gewonnen heeft. Door voor zichzelf op te komen.’
Beyer: ‘Je moet geven en nemen.’
Is dat lastiger op oudere leeftijd?
Prinsen: ‘Lastiger niet, maar je realiseert je op onze leeftijd wel meer dat het nodig is. Ik voelde me inderdaad lang de sluitpost van haar agenda. Totdat ik besefte dat het geen zin had om me daar tegen te verzetten.’
Hij maakt ook niet meer de fout om bij elke afspraak te vragen hoe laat ze dan precies komt. In het begin leidde dat tot pittige botsingen. Neem een van die eerste keren dat Beyer rond half 5 ’s middags bij hem zou komen. Ze was die middag net gezellig bij een vriendin in Amersfoort op bezoek. ‘Dat liep helemaal uit natuurlijk, babbelen en leuke dingen doen.’ Daardoor was ze te laat in Halfweg. Maar dan kende ze Prinsen nog niet. Hij had de voordeur demonstratief op een kier gezet, maar wel gebarricadeerd met een tafel waarop lekkere zelfgemaakte hapjes en heerlijke wijnen uitgestald stonden. ‘Ik kon die tafel zien maar ik kon dus niet binnenkomen.’
Hij schudt het hoofd. ‘Niet waar. Ik had de tafel iets van de deur afgezet. Maar wel om je duidelijk te maken: je bent te laat. Je bent al die lekkere wijn en al die hapjes die ik voor ons heb klaargemaakt, eigenlijk niet waard.’
Was dat ook als grap bedoeld, Joost? Of ben je vrij kort aangebonden?
Beyer: ‘Nee, hij was echt heel boos.’
Prinsen, op wegwuivende toon: ‘Ach ja, ik ben in het begin weleens boos geweest. Tegenwoordig spreken we af: ik zie je vanavond, zonder tijdstip. Want als we om half 6 afspreken en zij komt om 10 over 7 zit ik me toch maar rot te ergeren.’
Schrok je ervan, Noraly?
‘Welnee. Ik moest er zo hard om lachen. Ik heb toen tegen hem gezegd: ‘Luister Joost, wij komen allebei uit een andere cultuur. Nederlanders hebben de klok, Surinamers hebben de tijd’. Inmiddels gaat dat allemaal veel soepeler.’
Hoe vonden jullie kinderen het dat jullie samen waren? Moesten ze wennen?
Beyer: ‘Mijn zoon Miklós woont heel ver weg. In Vietnam. Ik had hem er via de telefoon over verteld. Toen zei hij: ‘O, het is een Brabander, dat is wel goed’. En hij kende Joost natuurlijk van de televisie. Hij vond het direct prima. Net als Noémi, mijn dochter.’
Prinsen: ‘Mijn dochters Ireen en Fleur waren direct warme voorstanders. Ze zijn erg op Noor gesteld. Dus daar boffen we enorm mee.’
Beyer: ‘Noémi is ook iemand met open armen en een groot hart. Dus die vond het geweldig voor mij. En mijn kleinzoon vroeg: ‘Oma, is het waar? Ben je echt verliefd?’ Dat was zo schattig. De familie heeft Joost helemaal omarmd.’
Prinsen tast ondertussen in zijn binnenzak weer naar zijn telefoon. ‘Hier, kijk die foto nou ’ns. Dat is de kleindochter van een neef van Noor. Wie denk je dat ze hier nadoet?’ Op de foto is een klein donker meisje te zien, dat een oud mannetje speelt. Extreem krom, leunend op een wandelstok. Prinsen kijkt ernaar, met diepe vertedering. ‘Dit is toch schitterend?’
Prinsen was 49 jaar getrouwd met Emma. Totdat zij vijf jaar geleden ziek werd, en korte tijd later overleed. Ze speelt nog steeds een rol in zijn leven, zegt hij. ‘Maar dat staat absoluut niet tussen Noraly en mij in.’
Was dat voor jou nog ingewikkeld manoeuvreren, Noraly? Want je kwam terecht in háár huis.
‘Dat vond ik inderdaad moeilijk. Dat was een belangrijke reden om lekker in mijn eigen huis te blijven wonen. Hetzelfde huis, hetzelfde bed... dat voelde voor mij niet goed. Ik heb dat ook een paar keer tegen hem gezegd. Maar ik weet niet of hij daar echt begrip voor had.’
Prinsen: ‘Het was anders wel een erg duur bed. Maar als je nu kijkt: er staat inmiddels een ander bed.’
Beyer: ‘Ik heb het nog steeds wel. Alles wat je hier ziet is van haar. Hij heeft wel veel weggehaald. Maar kijk naar die boeken, die zijn allemaal nog van Emma.’
Prinsen: ‘Toch zou Emma de woonkamer niet meer herkennen.’
Beyer: ‘Dat is misschien waar. Maar desondanks is de ziel van Emma nog voelbaar.’ Uiteindelijk is een vriendin van Beyer, ‘die veel spirituele ervaring heeft’, te hulp geschoten. ‘Zij heeft mij een houtje gegeven – laten we het een heilig houtje noemen – waarmee ik door het huis moest lopen, terwijl het brandde. Als ik het rechtsom draaide moest ik steeds aan Emma vragen wat zij vond. En linksom moest ik zeggen wat ik allemaal níét wilde.’ Eigenlijk past zo’n ritueel helemaal niet bij haar, zegt Beyer. Daar is ze veel te rationeel voor. ‘En toch heeft het me geholpen. Daarna voelde ik me veel rustiger. Al vond Joost het gekkenwerk.’
Hij knikt. ‘Ik vond het volslagen idioot.’
Beyer: ‘Daarna heeft hij een heel toneelstuk opgevoerd voor mijn dochter. ‘Weet je wat je moeder heeft gedaan?’ Nou ja, iedereen lachen, lachen, lachen. Is dat waar, Noraly? Heb je dat echt gedaan? Ja, het was waar.’
Prinsen: ‘Ik kan me niet herinneren dat ik dat nagedaan heb.’
Beyer: ‘Ik verzin het echt niet.’
Prinsen: ‘Maar dat staat los van hier niet willen wonen. Dat heeft niet zozeer met Emma te maken. Jij wilt gewoon niet uit de Bijlmer weg. Al zou ik Paleis Soestdijk kopen. Dat er meer is tussen hemel en aarde wil ik best aannemen. Maar ik geloof niet in geesten. Laat staan in dit soort winti-achtige rituelen. Op een bepaalde manier vond ik het ook wel lief. Dat gekke gedoe met zo’n houtje.’
Beyer: ‘Lief? Je vond het heel raar.’
Prinsen: ‘Ik vond het raar. Tegelijkertijd vind ik het fascinerend dat zo’n intelligent iemand als jij dit doet.’
Beyer, verontwaardigd: ‘Nou ja, Jóóst!’
Prinsen, onverstoorbaar: ‘Die dubbelheid in jou vind ik echt fascinerend.’
Is dat ook een cultuurverschil?
Beyer: ‘Dat denk ik zeker. Soms heb ik er nog steeds moeite mee om Joost duidelijk te maken dat we het over bepaalde dingen gewoon niet eens worden, juist vanwege dat cultuurverschil. Als ik bij Surinaamse mensen op bezoek ga, krijg ik altijd eten mee. Dat vindt hij bijvoorbeeld erg raar.’
Prinsen: ‘Nou, ik vind het zeker raar dat mensen uit Suriname komen en dan eten van daar meenemen. Want vrijwel alles wat je in Suriname kunt kopen, kun je hier ook krijgen.’
Beyer: ‘Maar ze brengen dan eten mee dat bijvoorbeeld door dat ene restaurant is gemaakt. En dan weet ik: o dat is heerlijk. De smaak van heimwee, zeg maar.’
Wat voegt Noraly aan jou toe, Joost?
‘Een nieuwe cultuur, een nieuw leven. Ik ben dol op haar geworden.’
Wat ontroert je nou?
Prinsen: ‘Ze heeft me veel cadeau gedaan.’
Beyer ziet het van de andere kant van de tafel instemmend knikkend aan. Zij voelt precies hetzelfde. ‘Joost heeft mijn leven voller gemaakt. Rijker. En natuurlijk draagt hij ook een heel leven en zijn cultuur met zich mee. Een cultuur die ik wél ken, omdat ik zo jong hier in Nederland ben gekomen. Ik ben echt voor hem gevallen.’
Weet je nog waar je voor viel?
Beyer: ‘Ik denk voor...’
Prinsen: ‘Voor een bloemetje.’
Beyer: ‘Voor zijn verhalen, denk ik. Hij heeft altijd wel mooie verhalen. En hij heeft een fenomenaal geheugen. Je hoeft maar op een knop te drukken of er komt een feitje uit.’
Waar viel jij voor, Joost?
Prinsen, zonder enige aarzeling: ‘Seks.’
Beyer: ‘Joost!!’
‘Ik vond haar direct zo verschrikkelijk sexy. Dat vind ik nog steeds.’
Beyer, hoofdschuddend: ‘Mannen, mannen, mannen.’
Prinsen: ‘Ja, ik kan er wel om jokken, maar aan mooie kletsverhalen hebben we niks. En ik had ook al snel in de gaten hoe slim en ontwikkeld ze was. En hoeveel ze van bepaalde culturele dingen wist. Die hele combinatie was onweerstaanbaar.’
Beyer: ‘Mannenpraat.’
Prinsen: ‘Wat nou mannenpraat? Zo is het gewoon.’
Noraly, jij bent 78. Joost, jij bent 82. Hoe is het om oud te worden?
Prinsen: ‘De ouderdom komt met gebreken. Die zie ik bij haar en die zie ik bij mezelf. Dat is op zichzelf redelijk vervelend. Maar er zijn ook voordelen: ik hoef niet meer om half 4 in de bus te zitten naar Oldenzaal. En ik hoef me niet meer druk te maken om geld. Terwijl ik dat vroeger toch wel moest, met twee opgroeiende kinderen die veel kostten. Ik vind de ouderdom een stadium in mijn leven dat ik niet had willen missen.’ Tegen Beyer: ‘Maar misschien denk jij er anders over.’ Om dan te vervolgen: ‘Jij ontként gewoon dat je ouder wordt.’
‘Dat is helemaal niet waar, jongen.’
Laten we eerlijk zijn, jij ziet er opvallend goed uit voor iemand van 78.
‘Black don’t crack. Ken je die uitdrukking? Dus dat is het kennelijk. Al realiseer ik me terdege dat het leven eindig is. Daar heb ik me steeds beter mee leren verzoenen.’
Prinsen: ‘Eén ding ben ik toch niet met je eens: als jij weer een drukke dag hebt gehad en ’s avonds doodmoe thuiskomt, dan zeg ik: ‘Ja, je bent ook geen 40 meer”. En dan zeg jij: ‘Dat heeft er niks mee te maken.’ Terwijl dat er álles mee te maken heeft. Dus wat dat betreft zou je misschien wat beter rekening met je leeftijd kunnen houden.’
Beyer: ‘Ja pappie.’
Het moeilijke aan een late liefde is ook dat het een kortere liefde is. Denken jullie daar over na?
Prinsen: ‘Natuurlijk. Als je dat niet doet, heb je het niet helemaal begrepen.’
Beyer: ‘Dat maakt het juist zo intens.’
Wordt de klok ook je tegenstander als je ouder wordt?
Beyer: ‘Ja, ik besef heel goed dat er steeds minder tijd is. Toen ik 20 was of 30 had ik nog een heel leven voor me, een zee van tijd. Nu is elke dag kostbaar. We genieten er dubbel van als we samen zijn.’
Het klinkt wel alsof jullie iedereen zo’n late liefde kunnen aanbevelen.
Prinsen: ‘Ja, dat vind ik zeker. Het kleurt je leven mooier.’
Beyer: Weet je wat het is? Je neemt alle ervaring die je hebt met je mee; van goede en slechte liefdes, van dingen die niet zo goed zijn gelopen. Je leert van je fouten en probeert te voorkomen dat je die opnieuw maakt.’
Dus je bent ook niet alleen ouder, maar dus ook wijzer?
Prinsen: ‘Ja, dat is ouder en wijzer. Behalve over dat vele werken van haar waardoor ik me achtergesteld voelde, hebben we nooit ergens ruzie over gehad. Over geen enkel ander onderwerp kan ik mij een serieuze ruzie herinneren.’
Want als je dat lief wilt formuleren komt zelfs dát voort uit een hunkering van jou, Joost. Dat je het liefst nog méér Noraly wilt.
Triomfantelijk: ‘Precies! Zeg het tegen haar, zeg het tegen haar.’
Ze kijkt hem aan, en glimlacht. ‘Ik heb het gehoord, Joost. Ik heb het gehoord.’
20 juli 1946Geboren in Willemstad, Curaçao.
1958 Vertrekt naar een nonneninternaat in Zuid--Nederland. Volgt daarna de kweekschool, en gaat vervolgens met een beurs naar de kunstacademie in Parijs. Daar moet ze stoppen als ze zwanger wordt.
1972 Redacteur en nieuwslezer bij de Surinaamse televisie.
1983 Na de Decembermoorden vertrekt ze naar Nederland en gaat ze werken voor Radio Nederland Wereldomroep.
1985-2008 Redacteur/nieuwslezer bij het NOS Journaal.
2008 Boek Recht en waarheid maken vrij: de Decembermoorden herdacht.
2008-nu Schrijft en speelt toneel. Daarnaast is ze dagvoorzitter, leidt ze debatten en schrijft ze columns.
9 juni 1942Geboren in Vught. Gaat na het gymnasium naar de toneelschool.
1969 Werkt mee aan musical De Kleine Parade van Wim Sonneveld.
Speelt nadien in vele tientallen toneelstukken en tv-series, waaronder De Stratemakeropzeeshow, J.J. De Bom voorheen De Kindervriend en Het Klokhuis.
Prinsen presenteert ook tv-programma’s, waaronder Maandag Prinsjesdag en meer dan vierhonderd afleveringen van de quiz Met het mes op tafel, een quiz die hij zelf heeft bedacht.
Daarnaast is hij al jarenlang docent aan de Kleinkunstacademie.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant