Voor christelijke Syriërs is het een onzekere tijd. Wat heeft het nieuwe islamitische bewind voor hen in petto? Voorlopig zijn de ervaringen niet slecht. Maar woorden zijn nog geen daden.
is correspondent voor de Volkskrant. Hij doet verslag vanuit Syrië.
Waddah Sheikh Musa laat op zijn telefoon een poster zien met een tekst van de nieuwe Syrische minister van Justitie, Shadi al-Wais. Het is een mooie, geruststellende boodschap, met woorden als ‘stabiliteit’, ‘rust’ en tot driemaal toe ‘recht’. Geen enkele bevolkingsgroep in het nieuwe Syrië, zo is de strekking, hoeft zich zorgen te maken over de toekomst.
‘Maar deze poster zag ik hier in Aleppo óók van hem’, zegt Musa. Op zijn telefoon verschijnt een andere door Al-Wais (een islamitisch rechtsgeleerde) ondertekende tekst: ‘We zullen alles tegenhouden dat in strijd is met de sharia.’ Dus ja, zegt de 42-jarige advocaat, wat moeten we geloven? ‘Op zijn minst is het vaag’, stelt hij vast. ‘We weten niet waar we aan toe zijn.’
Musa is een van de vele christenen in Syrië die zich zorgen maken. Wat gaat er met hen gebeuren, nu de islamistische groepering Hayat Tahrir al-Sham (HTS) dictator Bashar al-Assad heeft verjaagd en een interimregering heeft geïnstalleerd? Kunnen zij straks nog hun godsdienst en hun levenswijze praktiseren? Of worden de islamitische wetten en leefregels aan de hele Syrische bevolking opgelegd?
Als de nieuwe machthebbers op hun woord geloofd kunnen worden, is er weinig aan de hand. Keer op keer zegt HTS-leider Ahmed Hussein al-Sharaa dat minderheden als christenen, alawieten, druzen en Koerden niets te vrezen hebben. Voor iedereen is plaats in het bevrijde Syrië, zo bezweert hij. ‘Maar dat zijn maar woorden’, zegt Musa. ‘We willen daden zien.’
Diverse incidenten sinds de machtsovername hebben de vrees aangewakkerd. In een dorp in de provincie Homs staken onbekenden een kerstboom in brand. In de stad Hama openden schutters het vuur op een Grieks-orthodoxe kerk. Ook vernielden ze grafstenen. Op sociale media circuleerde een foto van een gepantserd voertuig dat door een Syrisch-orthodoxe wijk in Damascus reed met op de voorruit de dreigende tekst: ‘Jullie dag komt, o aanbidders van het kruis.’
Anderzijds, de vandalen in Hama werden snel gearresteerd en na klachten van de Syrisch-orthodoxe bisschop Andrew Bahhi bij HTS werd de bestuurder van het voertuig gedwongen de tekst van de voorruit te halen en zijn excuses aan te bieden. Tijdens de Syrisch-orthodoxe mis op kerstavond in Damascus stonden pick-ups van HTS rond de kerk opgesteld, ter bescherming.
Ook bij de rooms-katholieke Franciscuskerk in Aleppo, waar advocaat Musa zijn verhaal doet, zijn de ervaringen tot nu goed. Toen opstandelingen een mediacentrum wilden inrichten in een gebouw van de kerk, was een telefoontje naar de HTS-leiding in de stad genoeg om dat te voorkomen: de kerk kon het pand houden.
Diverse keren kwamen rebellen naar de kerk om te praten. De twaalf bisschoppen van de provincie gingen al twee keer op bezoek bij Abu Bilal, de rechterhand van HTS-leider Al-Sharaa. Steeds klonken er zalvende woorden en mooie beloften. ‘We mochten onze klokken luiden, onze missen vieren, onze kerstbomen neerzetten’, zegt broeder Haroutioun Samouian (40). ‘Ze gaven ons groen licht voor al onze activiteiten.’
Zo ook voor de verstrekking van maaltijden aan ouderen, kinderen en behoeftigen, waar Musa en Samouian als vrijwilliger bij betrokken zijn. In een keuken tegenover de Franciscuskerk worden elke twee dagen drieduizend maaltijden gekookt en uitgedeeld. ‘Ook aan mensen van andere kerken en religies’, zegt de broeder. ‘Iedereen die het nodig heeft.’
Zo gaat dat al jaren. Door de overheid werd de vrijwilligers nooit iets in de weg gelegd, zegt Samouian. ‘Dat moest er nog bij komen. Wij deden hún werk: de mensen voeden.’
De broeder en Musa zijn tamelijk positief over het Assad-bewind. ‘Het was niet slecht’, zegt de advocaat. ‘Het oude regime erkende onze canonieke wetten. Met onze kerkelijke rechtbanken bemoeiden ze zich niet. We moeten nog maar zien of dat zo blijft. Als Syrië een islamitische staat wordt, denk ik dat 90 procent van de christenen vertrekt.’
Dan zou er niet veel van de ooit bloeiende christelijke gemeenschap overblijven. Van de circa 1 miljoen christenen die het land in 2011 telde, zijn er volgens Syrië-expert Fabrice Balanche nog circa 250 duizend over. Hoeveel van de christelijke vluchtelingen zullen terugkeren, hangt voor een groot deel af van de koers van het HTS-bewind.
Zwaarwegend daarbij is de familiewetgeving: alles wat te maken heeft met huwelijk, scheiding, erfenis en voogdij. Voor moslims is dit het belangrijkste onderdeel van de sharia. In strenge moslimlanden gelden ze voor iedereen, maar in landen als Libanon heeft elk kerkgenootschap zijn eigen systeem; voor Syrië zou dat een oplossing zijn.
Andere lakmoesproeven zijn de regels over alcoholgebruik, kledingvoorschriften voor vrouwen en regels over de scheiding der seksen in de openbare ruimte.
Aan de Syrische moslimbevolking zal het niet liggen, denkt Musa. Die kent hij als gematigd en tolerant. ‘Er zijn maar heel weinig radicalen. Syrië is van oudsher een divers land.’ Lachend wijst hij op zijn naam, die de diversiteit symboliseert: twee islamitische voornamen en een christelijke achternaam. Musa betekent ‘Mozes’.
Maar als het toch fout loopt, wat doet hij dan? Alsnog weg uit Syrië? ‘Haha, ik denk dat ik blijf. Ik wil niet dat mijn land een advocaat kwijtraakt.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant