Home

20 jaar na de tsunami: ‘Onmogelijk om zomaar uit zo’n ramp te stappen’

Twintig jaar geleden werd Zuidoost-Azië getroffen door een tsunami. Er vielen ruim 230 duizend doden, miljoenen levens werden geraakt. Voormalig correspondent Michel Maas deed verslag in het gebied. ‘Zo’n onwerkelijk detail geeft weer hoe bizar de omstandigheden waren.’

is nieuwsverslaggever van de Volkskrant.

Dag Michel, die 26ste december 2004 was jij in Indonesië. Wat deed je toen het nieuws van de tsunami jou bereikte?

‘Toen ik hoorde van de ramp, ben ik zo snel mogelijk naar Phuket in Thailand gegaan, een van de weinige gebieden waar ik snel kon komen. Daar heb ik twee dagen rondgelopen. De situatie daar was wel ernstig, maar ik kreeg er niet het gevoel dat ik een paar dagen later zou krijgen in de Indonesische stad Banda Atjeh.

Daar heb ik afgrijselijke beelden gezien, ik liep rond van de ene dode naar de andere, bezocht massagraven, het hield niet op. Pas toen heb ik echt het gevoel gekregen van de omvang van die ramp. Daar was nog een hele hoop meer kapot door de enorme vloedgolf van wel 20 meter. Dat is echt hoog: een paar woonhuizen op elkaar. Het is een muur van water die ineens aan land komt, daar doe je niets tegen.

‘Het was ongelooflijk, en heel moeilijk om zoiets over te brengen in je verhalen. Je probeert het wel, maar het is zo overdonderend. Ik had nog nooit iets vergelijkbaars meegemaakt. Zoveel slachtoffers, zoveel verwoesting en mensen onder het puin. Na een paar dagen begin je dat te ruiken. Zelfs van de slachtoffers die je niet kon zien, was je je daardoor voortdurend bewust dat ze er waren.

Waar richtten de golven de meeste schade aan?

‘Sri Lanka, delen van Thailand en Indonesië. Atjeh was het allerzwaarst getroffen, maar ook in Sri Lanka had je vissersdorpen en stadjes die helemaal of grotendeels waren weggeslagen. Phuket in Thailand maakte indruk vanwege de vele buitenlandse toeristen. Juist omdat het toeristenplekken waren die veel mensen kenden, kreeg dat in het begin veel aandacht.

‘De verschrikkelijke verwoesting was nog jaren daarna merkbaar. Vissersplaatsjes waren verdwenen, alleen het beton van de funderingen van de huizen was nog over, de rest was weggespoeld, de huizen, en ook de vrouwen en kinderen. Veel mannen, vissers, hadden het overleefd. Die zaten op hun bootje op zee, en gingen alleen even op en neer, maar verder gebeurde er niets. Eenmaal aan land zagen ze dat ze niets meer hadden. In het begin is iedereen dan in shock, maar daarna beginnen de overlevenden zich te realiseren dat ze verder moeten.

‘Geleidelijk is het wel bezonken. Ook de wederopbouw was na tien jaar wel klaar, al kun je op sommige plekken nog steeds zien dat er vroeger huizen hebben gestaan. Maar de grootste schade was de psychische schade van de overlevenden. Wie je ook sprak, het waren allemaal overlevenden. Tijdens gesprekken begon altijd wel iemand te huilen, dan werden de herinneringen te tastbaar. Ik ben er een paar maanden geleden nog geweest. Misschien is pas nu, na twintig jaar, het leven weer redelijk normaal geworden.’

Wat heeft in die periode de grootste indruk op jou gemaakt?

‘Wat me het meest is bijgebleven, is het lichaampje van een kleine baby langs de weg. Ik moest er iedere dag langs, als ik heen en weer ging tussen waar ik sliep en de stad. Er waren zoveel slachtoffers dat het dagenlang kon duren voordat lichamen werden opgehaald. Dat lichaampje begon zo te stinken dat iemand het ’s nachts heeft overgoten met benzine en aangestoken. Daarna was die lucht weg.

‘Zo’n onwerkelijk detail geeft weer hoe bizar die omstandigheden waren. In Nederland bel je een ambulance, maar die was er niet, er was niks. Honderden vrijwilligers waren voortdurend bezig lichamen in lijkzakken te stoppen, maar er kwam geen einde aan. Het was heel normaal dat het lang duurde voordat een lichaam werden geborgen. Maar omdat het kind zo klein was en ik er zo vaak langskwam, is dat beeld heel indringend in m’n geheugen geprent.

Heb je daar later nog veel last van gehad?

‘Na tien dagen werd ik teruggeroepen naar Amsterdam voor de correspondentendagen bij de krant. Ik wilde niet terug, ik wilde verslag blijven doen, maar ik moest daarheen. Ik kan me herinneren dat ik op een avond een biertje heb vastgehouden, maar ik was er met m’n hoofd helemaal niet bij. Toen ik het hotel uitliep en overal op straat vuilniszakken zag, schrok ik me dood. Ik dacht dat het lijkzakken waren, maar het was gewoon vuilnisdag. Toen voelde ik pas dat je niet zomaar uit zo’n ramp kunt stappen, ik in ieder geval niet.

‘Die rare ervaring in Amsterdam was voor mij een wake-upcall, dat het allemaal meer met me had gedaan dan ik wilde toegeven. Daarna heb ik een heel persoonlijk verhaal gemaakt voor Volkskrant Magazine, waarin ik ook mijn eigen gevoelens beschreef en alles wat ik had gezien. Ik moet eerlijk zeggen dat dat heeft geholpen: ik heb het echt van me afgeschreven. Daarna was ik wel alert op hoe alles binnenkwam. Ik heb toen heel nadrukkelijk met een camera rondgelopen. Als iets te heftig was, ging ik foto’s maken. Mijn camera werkte als een soort filter tussen mijn oog en de werkelijkheid. Dat hielp ook.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next