Home

Charles Dickens’ kerstverhaal over de oude vrek Scrooge mag dan afgezaagd zijn, maar kijk eens naar die illustraties!

De nieuwe uitgave van A Christmas Carol uit 1843 is een hebbeding, vindt kunsthistorica Saskia de Bodt: niet vanwege het verhaal, maar vanwege de prachtige illustraties. Met een hoofdrol voor Scrooge, die spichtige oude vrek.

Deze maand verscheen een nieuwe uitgave van A Christmas Carol van Charles Dickens. Het oorspronkelijke verhaal uit 1843 is bewerkt door cabaretier Diederik van Vleuten en geïllustreerd door maar liefst achttien Nederlandse tekenaars – negentien, als je het omslag en de schutbladen door Charlotte Dematons meerekent. Het is een mooi, zorgvuldig uitgegeven boek, deze zoveelste versie over de verzuurde vrek Ebenezer Scrooge die in de kerstnacht aan de hand van drie geesten de verschrikkelijkste dingen over zichzelf hoort en ziet en vervolgens tot inkeer komt.

A Christmas Carol is een klassieker, een everseller met een overdaad aan stereotiepen en een hoog feelgoodgehalte. Het is zó vaak vertaald en bewerkt dat de boodschap wat mij betreft geheel afgesleten is. Desalniettemin is deze uitgave een hebbeding. En dat komt vooral door de illustraties.

Stuk voor stuk zijn het persoonlijkheden, de illustratoren die Het kerstavontuur van Ebenezer Scrooge in beeld hebben gebracht. Door hen krijgt het verhaal, ondanks de sobere, ingekorte tekst, iets van zijn vele lagen terug. Op elke bladzijde kom je in een andere stemming. De ene tekenaar is uitbundig: Ingrid Schubert en Georgien Overwater laten de personages over de bladzijden dansen, bij Dieter Schubert druipen de kerstpuddingen en -kalkoenen van de pagina af. Anderen zijn op het eerste gezicht ingetogen en esthetisch, zoals Alice Hoogstad, Annette Fienig en Marije Tolman.

Maar telkens moet je echt héél goed kijken of je niets over het hoofd ziet, al is het maar het armpje van een van de geesten dat achter een bedgordijn uitpiept. En, jazeker, de in het zwart gehulde geest van de Toekomstige Kerstmissen op de tekeningen van Ludwig Volbeda en Martijn van der Linden loopt niet, maar hij zweeft. Net als die van Daan Remmerts de Vries, die uit niet meer dan een vaagblauwe veeg bestaat. Maar dan wel een veeg met een beschuldigend uitgestoken hand.

Sloffen en een slaapmuts

Een constante in het boek is natuurlijk de oude spichtige vrek zelf, in zijn nachthemd, op zijn sloffen en met een slaapmuts op het hoofd: stereotieper kan het niet, maar iedereen ziet hem anders. Bij Martijn van der Linden heeft hij een geruiten pakje aan en kijkt hij beteuterd, Fleur van der Weel verheft hem tot eigentijdse stripfiguur en bij Hanneke Siemensma gaat hij schuil tussen de vele zwarte hoeden op de beursvloer. Ronduit angstig is hij door Remmerts de Vries en Sylvia Weve weggezet en daardoor wordt duidelijk dat het best een griezelig verhaal is.

De enige plaat waarop Scrooge niet op voorkomt is die van Annemarie van Haeringen. We zien hier Kleine Tim, het ten dode opgeschreven zoontje van de arme klerk Cratchit. Hij zit met verzaligde blik in zijn ogen in het midden van een lege, nogal duistere kamer. Zijn krukken staan naast hem. Er valt een zacht licht op hem en je ziet hoe het jongetje met heldere stem een lied zingt waar geen kerstkoor tegenop kan. Precies zoals Dickens het beschreef. Maar niet zo sentimenteel.

Vele uitgevers, bewerkers en illustratoren hebben A Christmas Carol sinds de verschijning in 1843 naar hun hand gezet en aangepast aan de tijd. De eerste en redelijk plechtige vertaling van Antoon Coolen kwam uit met victoriaanse illustraties van John Leech, gevolgd door een uitgave met de minstens zo ‘victoriaanse’ platen van onze onvolprezen Anton Pieck. Een mooiere Engelse kerst dan met Pieck is niet denkbaar.

In de jaren vijftig kwam Disney met een grappige strip waarin de drie neefjes Duck als geest verkleed de puissant rijke Dagobert belagen en hem voor één keer overhalen tot vrijgevigheid.

Herkenbare details

Op mijn weg terug naar het origineel kwam ik zelf grappig genoeg ook enkele geesten tegen. Een hooggewaardeerde kennis uit de literaire wereld riep vol overtuiging: ‘Dickens? Bah!’ Dickens legde het er wat hem betreft te dik bovenop om tot de goede literatuur te kunnen horen, zoals Emily Brontë. Dat kan zo zijn, maar Dickens was wel de eerste die een groot publiek aan het lezen bracht. Dat kwam mede doordat hij zijn verhalen met zoveel humor en herkenbare details vertelde.

Geest nummer twee was de conservator van de Bijzondere Collecties van de Koninklijke Bibliotheek, die bij mijn aanvraag van een jugendstilversie met platen door Arthur Rackham bezorgd vroeg: ‘Weet je zeker dat je dit wilt zien? In de groene inkt die hier voor de illustraties is gebruikt, kan arsenicum zitten.’ Waarna het boek op een kussentje werd gevleid met handschoenen ernaast.

Die manier van benaderen paste misschien niet bij het karakter van Scrooge, maar wel bij de bibliofiele inhoud van het boek en Rackhams esthetische illustraties vol elegante details. Want zó kun je dit verhaal ook verbeelden.

Mijn Geest nummer drie was geen persoon maar een voorwerp, en wel de kerstbeker met daarop de tekst ‘CHRISTMAS: HUMBUG!’, die in deze tijd in het Londense Dickens House wordt verkocht. In A Christmas Carol staan een paar gevleugelde uitdrukkingen, die door geen enkele bewerker of vertaler zijn weggelaten. ‘Marley was zo dood als een deurnagel’ is er één van. ‘Kerstmis: onzin!’ een andere.

De illustratoren van Het Kerstavontuur van Ebenezer Scrooge bewijzen overigens het tegendeel. Vooral Carll Cneut, die hier het laatste woord heeft en er een familiefeest van maakt.

Charles Dickens: Het kerstavontuur van Ebenezer Scrooge. Vertaald en bewerkt door Diederik van Vleuten, geïllustreerd door 19 verschillende illustratoren. Hoogland & Van Klaveren; 48 pagina’s; € 19,95

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next