Op haar 13de las Babette Cremer-Sijmons het boek Ik, Jan Cremer en was op slag verliefd. Ze bleven samen tot zijn dood, al heeft ze vaak haar koffers gepakt: ‘In plaats van rock-’n-roll onderging ik militaire discipline.’
schrijft voor de Volkskrant over Nederlandstalige literatuur.
‘Jan ging nooit dood’, zegt Babette Cremer-Sijmons in de keuken van het huis aan de Amsterdamse Keizersgracht waar haar man, de schrijver, schilder, het kunstbeest en de rusteloze nomade Jan Cremer op 19 juni 2024 is gestorven. ‘Met een laatste wolvenhuil vertrok je naar de eeuwige jachtvelden’, stond er op de rouwkaart.
‘Jan wilde echt duizend jaar worden. Als het hier niet was, dan elders. Spreken over de dood was taboe. Dat deed hij met niemand, zelfs niet met Ivan, onze zoon, en met mij. Hij liet voor ons de ‘Alaska-papers’ achter. Dat was zijn testament, maar dat woord mochten we niet gebruiken. We mochten het pas lezen als Jan naar Alaska was vertrokken met Kozak, zijn trouwste kameraad, en een mooie Inuit-vrouw.’
Is hij er nog, voor jouw gevoel?
‘Hij is er nog. Maar als ik dat gevoel toelaat, kan ik niet meer spreken. Zijn dood is nog zo vers. Jan laat mij achter met verdriet en woede, trots en innige liefde.’
Jullie zijn meer dan 47 jaar samen geweest.
‘Ik kende Jan al voor ik hem leerde kennen. Hij heeft vanaf mijn jeugd een magische aantrekkingskracht op me uitgeoefend. Onze levens hadden zich al honderd keer gekruist. Op mijn 13de las ik Ik Jan Cremer 2 en ik was in één klap verliefd. Ik zette de boekomslagen van Pat Andrea op mijn kamer en nam die zelfs met me mee de wereld in. Andere meisjes dweepten stilletjes met Elvis of Marlon Brando, ik met Jan Cremer.’
Het zou nog tien jaar duren voor je hem echt zou ontmoeten.
‘Ik heb altijd het gevoel gehad dat onze liefde voorbestemd was. Ook tussen mijn vader en moeder zat dertien jaar, net als tussen Jan en mij, en ook zij hadden het gevoel gehad dat zij voor elkaar bestemd waren. Mijn moeder, Tony Boers, werkte tijdens de oorlog als doktersassistente in de Euterpestraat. Na een bombardement op Amsterdam werd zij tegen een muur geslagen, maar ze stond weer op om slachtoffers te helpen. Midden in de chaos kwam mijn vader, Karel Sijmons, binnen met een zilveren blad met lingerie dat hij uit het geraakte buurhuis had gered. Dat beeld is zij nooit vergeten.
‘Vlak na de oorlog rende mijn moeder over straat om de tram te halen en botste in volle vaart tegen mijn vader aan. Ze moesten allebei hard lachen. Tony zei: ‘Americain, acht uur.’ Karel zei: ‘Kunt u dat langzaam herhalen? Ik ben doof.’ Ook zoiets: mijn moeder schrok daar niet van, ze was deels opgevoed door een dove tante. Na de ontmoeting in het Americain zei mijn moeder thuis: ‘Ik heb de man gevonden met wie ik ga trouwen.’ Maar mijn katholieke moeder mocht zich niet met een protestantse man verloven, de pastoor bemoeide zich ertegenaan. Tony werd in de ban gedaan, onterfd. Maar ze trouwde met Karel Sijmons. Mijn moeder vormde zijn oren naar de buitenwereld. Ze heeft altijd als een leeuw voor hem gevochten.’
Zij vonden elkaar in de liefde voor de kunst.
‘Mijn vader was architect, vooral van publieke gebouwen, en werkte met beroemde kunstenaars samen. In de Thomaskerk in Amsterdam-Zuid van mijn vaders hand ontwierp de Spaanse kunstenaar Antonio Saura een glas-in-loodraam. In 1951 gingen mijn ouders voor het eerst samen naar Parijs en maakten kennis met Karel Appel in zijn armoedige atelier in de Rue Santeuil. Mijn moeder wees naar Hond en vis, een klein vierkant schilderijtje. Ze zei tegen mijn vader: ‘Ik ga niet weg zonder dat doek.’ Waarop Appel opmerkte: ‘Ook toevallig, dat is net de duurste.’ Die avond konden mijn ouders niet slapen op hun hotelkamertje, Hond en vis aan het voeteneind. Het was het begin van hun verzameling.’
‘Het huis waar ik samen met mijn twee broers en zusje opgroeide, Johannes Vermeerstraat 45, was één groot feest van kunst. We hadden werken van Jean Tinguely, Alan Davie en Niki de Saint Phalle, er stonden vazen van Picasso. Na elke vernissage in het Stedelijk Museum stak directeur Willem Sandberg het Museumplein over om met zijn entourage bij ons thuis te komen dineren. Voor Bert Schierbeek en Jan Rietveld stond ieder een fles Bols klaar, jonge jenever voor de een, oude voor de ander.’
Voor jou was de kunstwereld vanzelfsprekend.
‘Het keurige Amsterdam-Zuid was óók dodelijk saai. Als ik uit het raam keek, kon ik wel huilen. Er gebeurde helemaal niets. Ik wilde weg. Reizen. In de Avenue las ik een verhaal van Jan Cremer over de Trans-Siberië Express naar Mongolië – dat wilde ik ook. Het gekke is: als Jan bij zijn uitgeverij, De Bezige Bij, op de bovenste verdieping naar buiten had gekeken, had hij mij kunnen zien...’
‘Op m’n 14de stond ik op een ladder met Karel Appel in de tuin van zijn kasteel, Chateau de Molesmes nabij Auxerre. We klommen ter weerszijden van de ladder de kruin van een kersenboom in. We propten kersen in ons mond, onze handen waren vuurrood. Ik zei achteloos: ‘Karel, jij kent Jan Cremer toch?’ Hij zei kortaf: ‘Dat is niks voor jou!’ ’s Avonds kreeg ik gigantische pijn in mijn buik van de kersen, Appels vrouw Machteld kwam me een warme kruik brengen.’
Je aanbad haar, schreef je in jouw herinneringen aan Machteld Appel. ‘De frêle Machteld bezat een bijzondere chique: haar uitstraling, haar bewegingen, haar elegante gebaren, haar stem en zoals ze rookte. Met haar rookte ik mijn eerste Gauloises. Ze nam me mee naar een Parijse kapper en ik kreeg mijn eerste Parijse kapsel. Ze kleedde me naar de nieuwste mode, zij zag in mij de dochter die ze niet hebben zou.’
‘Ik wilde haar zijn, de muze van een groot schilder. Met Machteld in huis had Appel de innerlijke rust om tot zijn mooiste en sterkste werken te komen. Zij was er wel, maar niet aanwezig, de ideale vrouw voor een kunstenaar. Ze zorgde voor de dieren, las zware literatuur. Plotseling werd ze ziek...’ Haar stem stokt. ‘Ze lag bij ons thuis op de bank onder het portret dat Appel van haar had geschilderd. Elke keer waren we weer hoopvol; het gaat beter. Maar toch, zo mooi, zo broos in de kussens, moest ze na maanden de strijd opgeven.’
Wanneer heb je Jan voor het eerst ontmoet?
‘Toen ik 17 was heeft Jan me zien fietsen op de Van Baerlestraat. Ik was net een jongen. Stoer, grote bek, niet te temmen. Ik had een blauwe maandag op de kunstacademie gezeten, maar dat was niks voor mij. Ik was gescout als model en dat beviel me wel. Reizen! Ik maakte mijn eigen kleren, van lakplastic. De patronen van mijn rokjes maakte ik van achter net iets wijder. Als ik bukte, zag je m’n billen.’ Ze lacht. ‘Zo reed ik voorbij op m’n Jordanese Rih-fiets. Jan stond op de stoep met Peter van de Velde, de fotograaf met wie hij samen naar Siberië en Mongolië was geweest. Jan vroeg: ‘Wie is die mooie meid?’ Peter zei: ‘Dat is Babette.’’
Op je 17de werd je bekend als topmodel bij de Nederlandse beau monde door Henk van der Meijden in een paginagroot artikel in De Telegraaf.
‘Zo kende Peter van der Velde mij ook. Een jaar later boekte hij mij als model voor foto’s bij een stuk dat Jan Cremer in Avenue zou schrijven onder de titel ‘Jan, zit m’n naad recht?’ Peter fotografeerde alleen mijn benen. ‘Is Jan Cremer er ook?’, vroeg ik. ‘Nee, die zit in Amerika.’ Jan zat daar te wachten op de foto’s van mijn benen, want die had hij voorbij zien fietsen.’
‘Achteraf is het goed dat we elkaar niet meteen hebben ontmoet. Zo kon ik nog mijn wilde haren kwijt en nog een paar jaar buiten spelen. Eind december 1976, ik was inmiddels 23, kwam ik van een fotoshoot terug uit Parijs. In de brievenbus zat een gedicht dat was ondertekend met ‘Li Tai Po’: Zwerver op vermoeide voeten/ En het hoofd in de wolken/ Hoe wil je haar ontmoeten/ Die je leegte kan bevolken.’
‘Mijn zusje zei: ‘O, dat is van Jan Cremer.’ Ze had een krankzinnig voorgevoel. Twee dagen later werd er gebeld. Ik deed de deur open, op de stoep stond een taxichauffeur met een bos rozen. ‘Babette?’ Hij gaf mij die rozen, zei niets, maar begon mij van top tot teen in zich op te nemen. ‘Wat maak je me nou?’, riep ik, en smeet de deur in zijn gezicht. Op mij vielen allemaal idioten, daar had je de zoveelste idioot. Wat bleek? Jan had de taxichauffeur het adres gegeven en opgedragen om mij goed te bekijken en verslag uit te brengen.’
‘Op 4 januari 1977 om half 9 ’s avonds belde hij op. Had hij ons nummer achterhaald.’ Ze doet zijn stem na, laag en zangerig: ‘Hallo Babette, met Jan Crémer.’ Ze proest het uit. ‘Godverdomme, wat moest ik nou? We spraken een kwartiertje later af bij Sama Sebo, een Indonesisch restaurant in de P.C. Hooftstraat. Ik wist dat mijn leven totaal zou veranderen. Iedere voetstap over het donkere Museumplein was er een naar mijn toekomst.’
Jan heeft me ooit verteld dat je struikelde toen je Sama Sebo binnenkwam.
‘Helemaal niet waar, Onno! Ik stapte gewoon binnen en zag hem zitten op de hoek aan de bar. Handen schudden. Ik moest heel erg lang nadenken wat ik moest drinken. Dat is typisch vrouwelijk, hè, dat je niet weet wat je moet drinken. Nou, daar zaten we dan. Dit is het, dacht ik. Het was geen sprookje, als je dat soms dacht. Jan zag er slecht uit. Wit gezicht, rode vlekken, kringen onder zijn ogen. Hij zoop, was berooid en had geen dak boven zijn hoofd. Eenzaam en stuurloos.’
Had je geen last van zijn reputatie als vrouwenverslinder?
‘Natuurlijk wist ik dat Jayne Mansfield, de seksbom aan wie hij Ik Jan Cremer had opgedragen, met hem had willen trouwen. Ik wist dat hij met Loesje Hamel was geweest – die ik als 9-jarig meisje op de catwalk had gezien toen ik met m’n moeder een modeshow bezocht – en met Nico, die later in The Velvet Underground zat. Hij vertelde me dat hij getrouwd was geweest, zijn kinderen niet kon zien. Dat de Belgische ballerina met wie hij in het Chelsea Hotel in New York had gewoond, zijn dochtertje bij hem weghield. Hij had talloze liefdes rücksichtslos verlaten. Who cares? Mij ging dat niet gebeuren. Ik wist dat honderd procent zeker.’
‘Om 5 uur ’s morgens liepen we terug over het Museumplein. Straallazarus. Jan stapte binnen in ons huis, die explosie van kleur. Hij wist niet wat hij zag. Hij leende mijn fiets, en toen hij in het licht van de opkomende zon onder het Rijksmuseum doorfietste, slipte hij onderuit. Hij lag in de kreukels op straat en is toen zijn doodskopring verloren. Dat beschouwde hij als teken dat ook voor hem een nieuw leven was begonnen.’
Wat vonden je ouders van Jan Cremer?
Mijn moeder zei: ‘Nou Jan, wij zijn grootafnemer van je boeken. Mijn man gooit ze in de haard, en ik koop dan weer nieuwe exemplaren.’ Mijn vader mopperde: ‘Niet díé Jan Cremer toch?’, en schoof weer achter zijn krant. Hij leefde, ook door zijn doofheid, volledig in zijn eigen wereld. Toch was hij veel moderner dan Jan, de nozem, de barbaar en het kunstbeest. Mijn moeder beschouwde Jan als een verloren zoon.’
Dus toen begon je gedroomde reis met Jan Cremer over de wereld…
‘Ben je belazerd! Drie dagen later reden we naar Twente, waar Jan een boerderij had gehuurd om er De Hunnen te schrijven, zijn epos over de gruwelen van de oorlog en zijn ontheemde jeugd in Enschede. Hij zou drie maanden nodig hebben. ‘Oké’, zei ik, ‘dan geef ik mijn modellenwerk tijdelijk op.’ Kunst vraagt offers. Hij kwam me halen in een verroeste oranje Audi. Ik schrok. Op de achterbank zat een grote hond, een husky. Twee felblauwe ogen, dezelfde blik als Jan. ‘Dat is Kozak, hij doet niks.’’
‘Niemand mocht weten waar we zaten. In Twente reden we door tot aan de Duitse grens. We sloegen een zandpad in, tussen troosteloze akkers en duistere wouden. Na twee kilometer was er een hek, dat gingen we door, nog een kilometer. Het boerderijtje was in the middle of nowhere. Het was ijskoud, de verwarming werkte niet. Daarna sloeg de deur dicht. In plaats van rock-’n-roll onderging ik militaire discipline. Op een vierkant vel papier had hij met viltstift mijn ‘bakorders’ genoteerd:
‘7 uur opstaan en ontbijt maken
8 uur bedden luchten
Keuken aan kant, vegen en dweilen
Opgeruimd staat netjes
Bij alles stilte betrachten
Goed humeur bewaren
Geen Tros-radio!’
‘Hij flikte me zelfs dit...’ Cremer-Sijmons staat op van de keukentafel, haalt haar vinger over een plank en duwt die onder mijn neus. ‘Ik maakte een giersttaart in de oven, daar legde ik spekranden in. Wist ik veel dat hij daar niet van hield. Hij veegde zo, hats, dat hele ding van tafel. Moet je nagaan, toen kenden we elkaar nog geen week. In mijn dagboek schreef ik alleen maar: ‘Help! Heeeelp!’ Hij leerde me goulash maken, het heilige Hongaarse gerecht. Maar ik vond het zo wrang dat ik er een schepje suiker in had gedaan. ‘Wat?!’ Hij balde zijn vuist en beende woedend het bos in.’
Waarom liep jij niet weg?
‘Dat wilde ik wel, maar de bushalte was 8 kilometer verderop. Ik belde mijn moeder op: ‘Ik hou het niet uit, mam!’ Waarop ze zei: ‘Kind, je bent op een pad en dat heb je af te lopen.’ Ik heb vaak mijn koffers gepakt, maar ik pakte ze net zo vaak weer uit. Ik was weerloos. We hoorden gewoon bij elkaar. Jan was een rotzak, maar wel een goeie rotzak. Er was niemand zoals hij. Zo puur. Onze ziel was één.
‘Samen met Kozak hebben we urenlang door de Twentse bossen gelopen. Jan kon geweldig vertellen. Over zijn vader, Jan Cremer senior, een avonturier die stierf toen hij 2 was. Over zijn moeder, Rózsa, een mooie Hongaarse balletdanseres, die door zijn vader van de grandeur van Boedapest naar Enschede was gesleept, Nederlands sprak met een zwaar Duits accent en tijdens de oorlog met de nek werd aangekeken. Haar zoontje, geboren in 1940, kon ze niet aan, dat werd in weeshuizen gestopt en opgesloten. Maar Jan schoof de dakpannen opzij en ontsnapte via de regenpijp. In de Twentse Courant stond: ‘Gezocht. Jan Cremer, 5 jaar.’
Hij is zijn hele leven op de vlucht gebleven.
‘Toen Jan zei dat hij nog wel een tijd nodig zou hebben voor zijn boek, riep ik wanhopig: ‘En ík dan, Jan, ik ben toch ook een mens!’ ‘Wie heeft jou dát nou weer aangeluld, mens?’ Dan liepen toch de tranen weer over mijn wangen van het lachen. Zo tragikomisch. Geen drie maanden, maar zeven jaar duurde het voordat hij De Hunnen afhad. Hij hamerde vijfduizend vellen vol op zijn schrijfmachine – zijn meesterwerk verscheen in drie delen van 1.500 pagina’s. Alles stond erin, keihard, messcherp, in bijna onverdraaglijke taal. Ik zeg wel eens: de oorlog duurde vijf jaar, maar ik heb wel zeven jaar oorlog moeten doorstaan.’
In 1983, het laatste jaar in Twente, is Kozak gestorven, bijna 15 jaar oud. In een gedicht vroeg Cremer vergiffenis dat hij niet vlak bij Kozak was gebleven in zijn laatste uur. ‘Maar je wist, mijn lieve hond/ De baas is laf als het op gevoelens aankomt. Als we verder voortdraven zijn we weer thuis/ Onze pelzen schuddend, in de eeuwige ijsvelden.’
‘Jan had het typoscript van De Hunnen ingeleverd. We konden eindelijk weg uit Twente en zouden naar New York gaan en daar ons leven opbouwen – en toen was ik ineens in verwachting. ’s Morgens had ik een test gedaan. ‘Jan, ik denk dat ik zwanger ben.‘ ‘Kleed jij je maar lekker warm aan, dat gaat vanzelf weer over.’ Mijn toestand werd niet besproken. Een kind zorgde ervoor dat zijn demonen kwamen spoken.’
In Cremers archief zit dit briefje:
30 mei 1984
Lieve Babet,
Praten gaat niet (meer) vandaar deze brief. Wát er ook gezegd wordt of is – ik blijf van jou houden. Alles komt op z’n pootjes terecht. (...) Er is niets veranderd tussen ons en ik kijk erop vooruit naar je ongetwijfeld prachtige baby. (...) En de toekomst wordt overspoeld met gouden stralen, nogmaals, lekker stuk van me, laat de moed niet zakken, heb een beetje geduld, je liefhebbende,
Jan
Op 10 juni 1984 werd jullie zoon geboren, Ivan Attila Cremer.
‘Plotseling zat er een wezentje tussen ons in aan de keukentafel. Een stemmetje tussen twee vuurspuwende vulkanen. Ik wilde Ivan een vader geven, no matter what. Dat is gelukt, ook omdat Ivan zo’n sterke persoonlijkheid heeft. Een intens goed iemand, heel zelfstandig. Hij laat zich nooit op zijn beroemde vader voorstaan, maar is uit hetzelfde hout gesneden, is beeldhouwer geworden – ook hun werk past verbluffend goed bij elkaar.’
Een jaar na Ivans geboorte schreef hij:
30 juni 1985
‘Jij bent (nog steeds, al bijna negen jaar) voor mij de mooiste, liefste, beste vrouw in mijn leven. De vrouw die ik altijd heb willen hebben. Jij bent ook de liefste moeder voor Iván. (...) Soms valt het mij moeilijk om mijn gevoelens te tonen, kan ik me in mijn eigen geest afzonderen. Dat bedoel ik niet kwaad, Babette, dat is nou eenmaal mijn karakter en mijn manier van overleven.’
Jan
‘Voor een doorgewinterde globetrotter, en vooral de rusteloze nomade die ik ben, is het heel belangrijk wie je als reisgenoot meeneemt’, schreef Cremer ook. ‘Vooral als je van het standpunt uitgaat: (op moeilijke tochten) géén vrouwen aan boord!’
‘We reisden altijd samen,’ zegt Cremer-Sijmons, ‘en kwamen ook altijd weer terug in Amsterdam, hier aan de gracht, het voormalige architectenbureau van mijn vader. We hebben veel in New York gezeten, hadden een appartement in Parijs, het oude atelier van de schilder Amedeo Modigliani. En we vonden in 2000 de ruïne van een huis in Umbrië, in de bergen bij Città della Pieve, dat we zijn gaan herbouwen. Een landgoed van 14 hectare, met 250 olijfbomen waarvan we onze eigen olie laten persen. Daar stond Jan de hele dag te schilderen. Met terpentijn haalde hij de verfspatten uit zijn ogen, dat was namelijk een ‘natuurproduct’. In de laatste bloedhete zomer heeft hij op een doek van 2,5 bij 6 meter nog één keer de zee geschilderd. Woest en onstuimig.’
Vond hij het belangrijk wat je van zijn werk vond?
‘De Hunnen heeft hij me nog laten lezen, maar latere boeken niet meer. Als Jan aan een nieuw schilderij bezig was, dan kwam hij niet uit zijn atelier. Je voelde dat er een explosie ging plaatsvinden. Als hij het af had, trok hij me midden in de nacht uit bed om te kijken. Als ik niet meteen zei dat ik het fantastisch vond, zei hij: ‘En nou opgesodemieterd, ga maar weer slapen.’’
Iván zei bij zijn vaders uitvaart: ‘De doeken die mijn moeder prachtig vond werden volledig overgeschilderd want die waren ‘te makkelijk’. Naar commentaar werd ook geluisterd, want de doeken die volgens mijn moeder te rood waren werden roder.’ Hij vertelde ook dat zijn vader zich na een ruzie in huis altijd opsloot in zijn atelier of schrijfhok. ‘De brieven met dreigementen van mijn moeder werden gecorrigeerd met rode pen en voor de gesloten deur teruggelegd.’
Cremer-Sijmons moet hard lachen. ‘Ik heb Jan lang aan zijn kop gezeurd of hij mij wilde schilderen. Daar mag zijn muze toch om vragen? Maar hij weigerde. Hij schilderde alleen landschappen. Tot mijn 60ste verjaardag, toen gaf hij toe. Ik ging in het atelier in Italië naakt op een tafel liggen, in een elegante pose. Maar toen hij de ezel omdraaide, schrok ik me rot. Ik was veel te dik, ik had hangtieten. Na mijn verjaardagsfeest nam Jan het doek mee terug naar zijn atelier en heeft hij het overschilderd tot Halifax Hurricane.’
Hoe is het voor jou, als voormalig topmodel, om ouder te worden?
‘Je moet het accepteren.’ Babette grinnikt. ‘Ik ben 71, dat vind ik volkomen belachelijk. Als ik mensen van mijn leeftijd tegenkom, dank ik God op mijn blote knieën dat ik ik ben. Ik merk het alleen aan het fietsen: ik word tegenwoordig ingehaald op de fiets. Dat was vroeger nooit. Jan is altijd verliefd op mij gebleven. ‘Als ik je nou zou ontmoeten’, zei hij, ‘zou ik zo weer achter je aan lopen.’’ Ze bijt op haar lip.
De laatste jaren leek Jan Cremer zachter geworden. In zijn laatste boeken, zoals Sirenen en Canaille, zit meer zelfreflectie.
‘Vroeger liet hij de zachtheid niet toe, ter zelfbescherming. Niet zo lang geleden kwam na een opening in het Haagse Gemeentemuseum een oude man naar ons toe. Hij had een ansichtkaart bij zich uit 1952. Groeten van Jan, stond op de achterkant. Die man had de kaart altijd bewaard. Hij vertelde dat Jan hem in het weeshuis had gered. ‘Jij slaapt naast mij’, had Jan gezegd, hoewel hij drie jaar jonger was. Het bewijs dat Jan een ridder was. Hij heeft mij altijd beschermd. Naarmate hij ouder werd, zei hij steeds vaker dat hij van me hield.’ Een traan rolt over haar wangen.
‘Jan werd kwetsbaar. Twee jaar geleden moest er ineens een stent in een ader worden gezet. Zijn Hongaarse hartritme ging alle kanten op. Jan heeft zijn hele leven artsen omgekocht om tegen hem te zeggen: u bent kerngezond. Dan gaf hij zo’n dokter een zeefdruk, en zei tegen iedereen dat uit tests was gebleken dat hem niets mankeerde. Maar hier kon hij niet omheen. Hij kreeg de stent, maar hield in het ziekenhuisbed zijn schoenen aan. Klaar om te vertrekken.’
‘Bijna een jaar geleden moest hij een kleine ingreep ondergaan. Stelde niets voor. Maar hij moest daarom wel even de bloedverdunners voor zijn hart laten staan. Dat is hem fataal geworden. Hij kreeg een herseninfarct. En het ergste was: hij kon niet meer spreken. Afasie. Wat een wreed lot voor een rasverteller, een schrijver, een mens.’
‘Voor de operatie had ik moeten zweren dat ik hem naar huis zou halen. ‘Ik zweer het, Jan.’ ’s Nachts zijn we, tegen het uitdrukkelijke advies van de artsen in, gevlucht uit een donker AMC. Kijk’, fluistert ze, ‘onze laatste foto.’ Haar telefooncamera flitst verblindend in de spiegel van een lift. Zij lacht. Jan, in een rolstoel, steekt zijn duim op.
‘Een Cremer lijdt niet. Hij ging nooit dood. Het afscheid was zonder woorden. Met zijn ene hand wees hij op mij, op Ivan, op zichzelf. In zo’n driehoek. Hij keek ons doordringend aan met zijn staalblauwe ogen. Dat was het. Op een nacht klonk de wolvenhuil. Daarna was het stil.’
Ivan las in het laatste notitieboekje van zijn vader: ‘Ik heb er altijd naar gestreefd van mijn leven een kunstwerk te maken. En er ook naar geleefd.’
‘Mijn kunstwerk is: bij Jan te zijn gebleven. In good times, in bad times. Hij was mijn grote liefde, de enige die mijn opstandige karakter kon sturen. Ik ben erin geslaagd om hem een vader voor Ivan te laten zijn en hem een thuis te geven om te werken. In ons leeft zijn oerkracht voort.’
5 september 1953 Geboren in Amsterdam.
1970 Rietveld Academie. ‘Niks voor mij. Was ik te opstandig en ongeduldig voor.’
1970 Machteld Appel, schildersmuze, Babettes grote voorbeeld, overlijdt.
1971-1977 Fotomodel voor Avenue en andere (internationale) modebladen.
Zomer 1970 Jan Cremer ziet haar langsfietsen: ‘Een blonde flits.’
4 januari 1977, 20.30 uur Eerste ontmoeting met Jan Cremer in restaurant Sama Sebo in Amsterdam.
1977-1983 Woont in boerderij op de Twents-Duitse grens, waar Jan De Hunnen schrijft.
1983 Geboorte zoon Ivan.
1989 Vader Karel Sijmons sterft op 81-jarige leeftijd.
1993-heden Galerie Centaur, Amsterdam.
2000 Aankoop landgoed in Umbrië.
2003 Huwelijk met Jan Cremer.
2012 Moeder Tony, sterft op 91-jarige leeftijd.
19 juni 2024 Jan Cremer overlijdt op 84-jarige leeftijd. In zijn kist staan de coördinaten gebrand van zijn laatste bestemming, zijn graf op Zorgvlied: 52° 20’ 14’’ N 4° 53’ 58’’ E.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant